fensMisschien dat je het herkent. Nu we in corona-quarantaine leven ben ik (Hans Saan) soms de dag kwijt. Ja, de krant helpt me dan of mijn weerstation, mijn mobiel. Maar het maakte me weer eens bewust van de tijd, van tijdrekening, van kalenders. En dan kijk ik in mijn boekenkast...


In de late middeleeuwen hadden mensen andere manieren om met de tijd om te gaan. Het dagelijks leven was doortrokken van de christelijke werkelijkheid. Mensen leefden in de periode ná de komst van de Verlosser en vóór het Laatste Oordeel. Ze leefden op weg naar hun dood, waarna ze beoordeeld zouden worden en de balans van hun zonden en deugden opgemaakt zou worden. Middeleeuwers leefden in de kringloop van de seizoenen en van de dierenriem. Ze telden wel de jaren. Dionysus Exiguus maakte daar in 525 een begin mee. Mensen dachten wel in uren van de dag, maar niet in minuten. Wilden ze opzoeken welke dag het was, dan keken ze niet in een agenda van dat jaar, maar naar een eeuwigdurende kalender die voorin in een 'getijdenboek' stond afgebeeld.


Getijdenboeken zijn vanaf 1200 in steeds grotere getale gemaakt. Ook nadat de boekdrukkunst opkwam was het een gewild product. Een getijdenboek bestond uit een aantal hoofdstukken met gebeden voor vaste momenten in het jaar. Het was een eenvoudige versie van het brevier (gebedenboek) van de kloosterlingen en andere geestelijken. De kerkklok waarschuwde als het tijd was voor een volgend gebed.
Hier gaat het om de kalenders die voorin zo'n getijdenboek staan. De duurdere getijdenboeken hadden op ieder kalenderblad afbeeldingen staan. Neem de kalender van mei uit het getijdenboek van Isabella van Castilië in de British Library.  Als  sterrenbeeld staat daar de tweelingen. Het seizoen is de lente dus je ziet mensen die zich buiten samen vermaken (zij wel!).


In de hoofdkolom staan de katholieke feestdagen genoemd met de naam van de heilige wiens naamdag het is.
Voor de tekst in de hoofdkolom staat een drietal kolommen. Let vooral op het ABC, dat zijn de zogeheten zondagsletters, waarvan de A versierd is. Als je weet dat het een B-jaar is, dan vallen alle B-dagen op zondag.
Bovenaan staat 'KL' van kalende, de naam van de eerste dan van de maand op de oude romeinse kalender. Ja, daar komt dat woord kalender vandaan. Die andere cijfers vooraan hebben met de paasdatum te maken. Je ziet dat de Middeleeuwers niet doornummeren van 1 tot 30/31 zoals wij dat tegenwoordig doen.     
De lijst van feest- en heiligendagen wil per regio nog wel eens verschillen. Staat op 14 januari de heilige Pontianus vermeld, dan weet je dat het een kalender specifiek voor Utrecht is. Vóór, niet uit, want er was een levendige export van dergelijke boeken naar andere plaatsen. Rond 1450 hadden Brugge en Gent een hoofdrol in deze business. "Wilt u een getijdenboek volgens de gewoonte van Canterbury? Dat kan, meneer. En wilt u het luxe perkament, volledige illustratie? U zegt het maar."


Op 6 mei staat op de kalender: Johannis ante portem latina, 'Johannes voor de Latijnse poort'. Omdat de apostel Johannes weigerde andere goden te aanbidden werd hij bij die poort op bevel van keizer Domitianus in een vat kokende olie gezet. Hij kwam er ongeschonden, zelfs verjongd uit, zegt de legende. Toen werd hij naar het eiland Patmos verbannen.

En hoe wist je nou welke dag het was? In de kerk is de zondagsmis een vast moment in de week, dus dan wist je alvast welke zondagsletter van toepassing was. En in de mis en op andere gebedsmomenten hoorde je wel welke heilige aan de beurt was. Dus zo wist je wel waar je was in de tijd. En anders vroeg je het toch gewoon?
Wilt je meer weten en zien? Klik hier.