Skip to content Skip to sidebar Skip to footer

Verslag lezing Bepaald niet altijd en overal een goede, oude tijd van 24 oktober 2023

Bepaald niet altijd en overal een goede, oude tijd

Op dinsdagavond 24 oktober heeft Jonn van Zuthem voor zo’n 70 Voetgenoten een lezing verzorgd met deze spannende titel. “Waar gaat het over”, vraagt u zich misschien af. Hieronder zal deze vraag beantwoord worden!

Jonn komt uit Kampen en heeft in Nijmegen geschiedenis gestudeerd. Hij schreef een proefschrift over de verhouding met de Rooms-Katholieken die zich hebben moeten manifesteren in het Protestants-Christelijke vaderland. In Groningen schreef hij vervolgens een boek ‘Harde grond’ over de kerkelijke verhoudingen. En hij heeft de negentiende-eeuwse geschiedenis van Groningen mogen schrijven. Over Gelderland schreef hij een boek over 200 jaar commissarissen van de Koning(in). Tot slot schreef hij een deel van het historische ‘Verhaal van Gelderland’, dat vorig jaar verscheen. Binnenkort, 1 december, wordt er een boek van zijn hand over het carbidschieten in zijn woonplaats Kampen gepresenteerd.

Centraal
Centraal in de lezing zal de gezondheid van onze negentiende -eeuwse voorouders staan en de voor velen geregeld dagelijkse strijd om het bestaan.

Probleem van de negentiende-eeuwse geschiedschrijving is dat er niet over ‘de gewone man en vrouw’ werd geschreven. In politierapporten én geschriften van de kerk (diaconie en kerkeraadsnotulen) zie je wel aantekeningen over de gewone man die vecht, vloekt, te veel drinkt en het zevende gebod (‘Gij zult niet echtbreken’) overtreedt. Ook in Delpher zijn de krantenartikelen een waardevolle bron. Tot slot prijst Jonn het werk van de genealogen en studies van historici als Suzanna Jansen (o.a. Het Pauperparadijs) en Geert Mak (o.a. De eeuw van mijn vader), maar vooral Auke van der Woud (‘Koninkrijk vol Sloppen’). Gaandeweg de lezing wordt ook de genealogische internetsite ‘Wie was wie’ als een goede bron genoemd.

Culemborg binnen Gelderland
Voor een bevredigende geschiedenis van Gelderland moest veel onderzoek verricht worden. In 1814-1815 is Culemborg een van de 15 Gelderse steden. In het negentiende-eeuwse Verhaal van Gelderland is er veel aandacht voor Culemborg met o.a. het Rooms-katholieke Seminarie; de watersnood; de meubelindustrie in combinatie met sigarenindustrie (arbeidsstad). En natuurlijk de Lekbrug (1868), die ook prominent op de voorzijde van het vierde deel van het Verhaal van Gelderland staat. Ook is er aandacht voor het raadhuis en het feest rond 1 april 1872 (300 jaar Den Briel wat verschillende gelovigen samen vierden).

Kortom: veel aandacht voor onze stad! In 1815 was Nijmegen de grootste stad van Gelderland, met 13.000 inwoners. Arnhem (9.000 inwoners) wordt hoofdstad en bestuurlijk centrum, vooral omdat er  veel adel woont. In het adelgewest bepaalde de adel zowel de religieuze als de politieke verhoudingen. Er waren in die tijd 257.000 mensen in Gelderland (en nu meer dan 2 miljoen). Veel steden zoals Culemborg, met een paar duizend inwoners. Er waren nog weinig wegen en de belangrijkste wegen liepen naar paleis Het Loo.

De katholieke adel mocht ten tijde van de Republiek geen bestuursfuncties vervullen maar ze zaten wel veel in het leger. In 1814-1815 krijgt de katholieke adel door de stichting van het Koninkrijk meer te zeggen. In de tijd voor de Fransen waren er de ‘heerlijkheden’, zoals Culemborg ook was, maar na de Franse tijd (toen er met tellen werd begonnen bijvoorbeeld van aantal gelovigen) bij het vormen van het Koninkrijk kwam de adel aan de macht (en waren ze de commissarissen van de Koning(in)).

Het was een heterogeen gewest: met religie maar ook economisch. Geen provincie was zo religieus  gemengd (Rooms Katholiek en Nederlands Hervormd en gemengd). Ook was er de Joodse gemeenschap in Culemborg, die vooral de handel en verwerking van vee als activiteiten ondernam. Later gingen de Joodse inwoners naar Amsterdam. Ontkerkelijking werd vanaf 1880 gemeten; dat betrof een heel kleine groep toen (en vanaf 1930 nam dat toe omdat er dan bijdragen vanuit de kerken werden gevraagd).

Levensverwachting
Jaarlijks werd een jaarverslag gemaakt van de toestand van de Provincie Gelderland. In 1822 was er een 104-jarige oude man uit Wezep die in het jaarverslag werd genoemd: opvallend is dat hij drie keer trouwt en heel veel kinderen heeft. Jonn vertelt dat in het gezin van zijn opa een deel van de kinderen bij de hervormde kerk en een ander deel bij gereformeerde kerk stond ingeschreven: in de winter kon het gezin dan bij beide kerkgenootschappen een beroep doen op de diaconie. De levensverwachting in Culemborg is lange tijd het laagste van de provincie Gelderland. We gaan de pauze in met de vraag: hoe oud werden Nederlanders rond 1850 gemiddeld jaar?

Culemborg was een stadje en wordt vaker getroffen
Na de pauze gaat Jonn weer door en benoemt dat naast Culemborg ook de Bommelerwaard een risicovol gebied was. De mannen werden toen 38 en de vrouwen 40 (en nu is dat 78 voor mannen en 83 voor vrouwen).

Waardoor werd die lage levensverwachting veroorzaakt? Er kwamen veel ziektes. In ‘Kuilenburg’ is in 1893 het eerste geval van cholera asiatica “en wel bij eene logementhoudster in de Zandstraat”. De burgemeester krijgt een eerste melding maar nam niet altijd verantwoordelijkheid om dit breder te melden; want dan hoefde hij het economisch en maatschappelijk leven nog niet stil te leggen. Ook de ambtenaren die moesten administreren hebben misschien niet altijd goed geregistreerd (maar wel bij cholera en tyfus). Drinkwater, watergebruik voor wassen van groenten, slechte hygiëne waren daar debet aan. Ook kwamen heel veel mensen naar Culemborg (bijvoorbeeld ook toen de brug aangelegd werd): verkeer en scheepsvaart vanuit de Randstad droegen daar toe bij.

Ook tyfus breekt in 1899 uit “maar de ziekte heeft echter een goedaardig verloop”. Ook weer verschillende plekken waar het sterker is, als in Culemborg. Mazelen en pokken komen in ons stadje ook veel voor. Andere vreselijke ziekten zie je in Culemborg minder.

Daarnaast was het aantal levenloos geborenen en algemene sterftecijfers van zuigelingen heel hoog in de Bommelerwaard en Culemborg. Dat kan zijn omdat er door de toentertijd grote afstand tot professionele gezondheidszorg; bijgeloof en kwakzalverij met veel ‘praatjes’ vierden hoogtij. Zal wellicht ook iets van generatie op generatie doorgegeven zijn (zwak gestel van armoedigen). Er waren rond 1850 in heel Gelderland maar zes (Joodse) tandartsen, die alleen voor de rijken werkten. Rijken werden ziek thuis verzorgd; armen gingen naar Gasthuizen (waar ook ziekten rondgingen). Op vaccinaties (als ‘pokken-krasje’) werd in Gelderland streng gecontroleerd door ‘schoolinspecteurs’. Daardoor was ook op de Veluwe waar veel orthodox-protestanten woonden de vaccinatiegraad hoog.

Religieuze groepen worden niet specifiek getroffen. De reformatorische zuil, die wij nu herkennen in de zogeheten Bible Belt, is eind jaren ‘60 ontstaan door toenemende ontkerkelijking/verwereldlijking ontstaan.

Andere gebeurtenissen
De jaren 1855 en 1861 werd het Gelderse Rivierland getroffen door de overstromingen. In die jaren werd Koning Willem III, die de door watersnood getroffen gebieden bezocht, een held.

In alle bronnen kom je ook veel moord en doodslag tegen, bijvoorbeeld in 1859 en 1874 op de kermis. Altijd gekoppeld aan drank. Je kreeg bij boodschappen doen voor een habbekrats ook wel een borrel geschonken. Mensen van het Nut en drankbestrijders wilden de consumptie van sterke drank inperken. In 1881 kwam de Drankwet. Bierhuizen en vergunningen ontstonden. In 1873 stak de Culemborger Hendrik Verschoor een 18-jarige plaatsgenoot dood “waarbij de sterke drank weder niet werd vergeten”.

Bedrijfsongevallen waren er ook regelmatig: in 1860 (stoomboot waar ketel sprong) en 1895 (bij vangen van een haas in ondergelopen uiterwaarden). Er was bij land- en fabriekswerk een grote kans een ongeval te krijgen. Ook het verkeer was heel gevaarlijk.

Door de tijd
Aan het einde van 19e eeuw had je in Culemborg een kleine kans om 50 te worden.

In de Achterhoek werden mensen ouder en zijn er minder ziekten zijn geweest. ‘Noaberschap’ betekende iets voor de levensverwachting. In het Land van Maas en Waal was het leven bikkelhard met keiharde maatschappelijke verhoudingen (en hoge kindersterfte) maar ook de oudste mensen. Grote delen van het rivierengebied waren te vergelijken met Groningen: herenboeren met harde verhoudingen.

Als je kijkt naar de ontwikkeling van het sterftecijfers in Gelderland dan zie je dat het steeds beter gaat: waterleiding, professionalisering van de gezondheidszorg, betere arbeiderswoningen. Tot 1910: dan is de Spaanse griep uitgebroken, vanuit Doorwerth (waar een krankzinnigengesticht zat en vooral de jongeren werden getroffen, die zaten daar dicht bij elkaar).

Demografie
De groei- of krimpgemeenten staan of vallen met rijkdom en armoede: de Achterhoek kromp en Veluwe groeide; het Rivierengebied is stabiel. In Culemborg zag je een iets grotere stijging van het aantal inwoners, wat alles te maken had met werk. Landbouw ging een efficiëntieslag maken: ruim de helft werkte daar. Industrie vond vooral plaats op het platteland en in de kleine steden (pas later, vanaf 1910, in grote steden). De gemeentebestuurders van grote steden hadden liever renteniers in plaats van arbeidskrachten. In Gelderland had je veel ‘nijverheid’ (= industrie): papierindustrie (Apeldoorn), baksteenindustrie (rivierengebied). In Harderwijk had je het wervingsstation voor KNIL militairen (en veel kroegen en hoeren voor hen). Rijken wilden ook dicht bij Het Loo wonen en daar zie je groei. Toerisme en natuurschoon is ook een kenmerk van Gelderland.

Sociale kwestie
Van Wageningen naar Velp: het rijke Gelderland. Dit gebied werd begin 1900 verfraaid tot ‘Gelders Arcadië’. Daar wilde iedereen wel wonen. En in Arnhem. Veel rijke Indiëgangers die daar heen gingen. Maar je had om de hoek ‘een vuilnisbelt’ waar honderden ouders de kinderen ziektes hadden. Toen de rijken te veel armen zagen, verhuisden ze naar plaatsen als Oosterbeek en Velp en ging een deel van hen later naar het Gooi.

In 1891 zie je in de kranten de staking van 138 Culemborgse sigarenmakers vermeld; maar ze kregen niet wat ze wilden. Er kwamen verscherpte tegenstellingen: In De Vrije Socialist verschenen rond 1898 van ‘Ottanus’ die antikerkelijke artikelen schreef over de elite van Culemborg. Gelukkig was er de zorg voor de armen en wezen (1884 en 1894), zoals in het Elisabeth Weeshuis waar ook halfwezen een plek konden krijgen. Maar daar werd ook van geprofiteerd, zoals onderstaand artikel laat zien.

 

Aan de hand van een kaart van Gelderland na de eerste verkiezingen in 1918 (met algemeen mannenkiesrecht) liet Jonn de politieke verhoudingen van die tijd zien. In het westelijk deel van de Veluwe stemden toen al de meerderheid op een van de orthodox-protestantse partijen; waar veel nieuwe mensen waren komen wonen (zoals in Apeldoorn) werd in meerderheid gekozen voor SDAP. In Culemborg was de katholieke RKSP het grootst. De herenboeren in Beusichem en omstreken waren vooral liberaal.

Jonn kon nog wel heel veel meer vertellen maar sluit af. Huib dankt hem voor de lezing en de specifieke aandacht voor Culemborg in de niet-altijd goede tijd. Na de lezing werd er nog lang nagepraat over de ontwikkelingen in ons stadje.