Artikelindex

plaats delict: de boerderij aan de achter2weg 'De publieke opinie was vergiftigd door geklets en geschrijf; de artikelen van De Beus hadden hiertoe niet weinig bijgedragen. De moordzaak was gemaakt tot een basis voor politieke strijd.'


Onderstaande tekst is met toestemming van uitgeverij Fontein en de auteur J.A. Blaauw overgenomen uit "Plaats delict Nederland", ISBN 90 261 1795 7. Overname en/of gebruik alleen toegestaan na overeenstemming met Uitgeverij De Fontein, Utrecht.


Zie ook de krantenartikelen over dit onderwerp, verzameld in dit artikel.

Rapport van de Amsterdamse inspecteur van politie J.F. van Slobbe aan de procureur-generaal te Arnhem d.d. 27 oktober 1927


HET MISDRIJF

Uit het dagrapport van de politie Culemborg d.d. 25 december 1923:

'In verband met de mutatie van gisteren sub. 3½ uur, rapporteert ondergeteekende in de boerderij het lijk van den ouden boer Van Wiggen in een kamer van de boerderij te hebben gevonden. Hij was met spadeslagen afgemaakt. Zijn zuster was door toegebrachte spadeslagen zwaar gewond en lag op den grond. De heer CvP [commissaris van politie, jab] aanwezig. Parket gewaarschuwd. '

Deze korte aantekening betekende in de eerste plaats dat politie en burgerij van Culemborg aan de vooravond van eerste kerstdag anno 1923 werden geconfronteerd met een gruwelijk misdrijf. Tegelijkertijd luidde die aantekening een periode in van jarenlange verdeeldheid en beroering binnen de Culemborgse gemeenschap. Dat laatste was met name voortgevloeid uit onvrede over de wijze waarop volgens sommigen de plaatselijke politiecommissaris het moordonderzoek zou leiden. Allereerst de feiten op de plaats delict.

De ontdekking van het misdrijf

Maandag, 24 december 1923. Het ongeveer 10.000 zielen tellende, aan de Lek in de Neder-Betuwe gelegen stadje Culemborg maakt zich op voor de kerstdagen. In een eenvoudig boerderijtje annex stal aan de Achterweg, ruim twee kilometer buiten de stad en op een steenworp afstand van de rivier, woont de 76-jarige Thomas 'Toon' van Wiggen, samen met zijn 69-jarige zuster Gerrigje. Een wat zonderling, in zichzelf gekeerd stel dat ondanks hun hoge leeftijd nog dagelijks volop bezig is met de bescheiden veestapel en met werkzaamheden op het al even bescheiden stuk grond rond de boerderij. Ook verkopen zij karnemelk. In Culemborg is het een publiek geheim dat de Van Wiggens er 'warmpjes' bij zitten. Toon heeft zich menigmaal tegenover deze en gene uitgelaten dat hij geen enkele bank vertrouwt en dat hij zelf wel op zijn centjes kan passen. Tegen drie uur die maandagmiddag klopt sigarenmaker Gerrit Jagers aan bij de boerderij van de Van Wiggens om wat karnemelk te halen. Hij vindt echter alles gesloten, terwijl de hond aanhoudend blaft. Jagers loopt aan alle kanten langs de boerderij, maar alle toegangen blijken dicht te zijn. Omdat hij een en ander niet vertrouwt en iets ernstigs vermoedt, fietst Jagers naar de stad om de politie te waarschuwen. Samen met rechercheur W.F. van Bergen Henegouwen keert hij terug naar de boerderij. Wanneer de rechercheur de achterdeur forceert die tevens toegang geeft tot de stal, blijkt dit vermoeden op een gruwelijke werkelijkheid te berusten. Achter de deur, vlakbij de koeien, ligt Gerrigje van Wiggen in een grote plas bloed. De geheel geklede vrouw is zwaar gewond aan het hoofd. Zij geeft nog slechts een gering teken van leven. Op een vraag van rechercheur Van Bergen Henegouwen, die naast haar geknield op de grond zit, antwoordt Gerrigje dat 'zij' [de daders] ongeveer zes uur 's avonds waren gekomen en dat zij 'de smeerlappen' niet kende. 'Waar is Toon, wie ben jij?' had de totaal versufte vrouw tegen de rechercheur gestameld. Naast de deur in de woonkamer treft de politieman het levenloze lichaam aan van Toon van Wiggen, die evenals Gerrigje volledig is gekleed. Rondom zijn hoofd ligt een enorme plas bloed, afkomstig uit een groot aantal scherpe verwondingen aan de schedel. Vlakbij het lichaam ligt een schop waarmee, gezien de hoeveelheid bloed aan het schepgedeelte, het slachtoffer vermoedelijk een aantal malen op het hoofd is geslagen. De inmiddels gewaarschuwde arts Hocke Hoogenboom verleent aan Gerrigje de eerste medische hulp, om er vervolgens voor te zorgen dat zij zo snel mogelijk 'per brancard' naar het ziekenhuis te Culemborg wordt getransporteerd. Ten aanzien van Toon van Wiggen kan de arts niet meer doen dan de dood constateren. Op tweede kerstdag overlijdt ook Gerrigje, zonder nog tot bewustzijn te zijn gekomen. Zij had nog slechts enkele nauwelijks verstaanbare en weinig houvast biedende geluiden laten horen met betrekking tot de identiteit van de daders. Met dat schamele gegeven zal de plaatselijke commissaris van politie Joel Blok het bij zijn onderzoek voorlopig moeten doen.

Het sporenonderzoek

Op last van de inmiddels ook op de plaats delict vanuit het parket in Tiel verschenen officier van justitie mr. P. Oosting worden de politiedeskundige dr. C.J. van Ledden Hulsebosch uit Amsterdam en de gerechtelijk geneeskundige dr. J.P.L. Hulst uit Leiden met spoed naar Culemborg geroepen. Uit het naburige Waardenburg arriveert diezelfde avond de speurhondgeleider, rijksveldwachter J.C. van Beusekom, met zijn hond Grimm.

In de woning blijken alle kasten door de daders te zijn doorzocht, terwijl op de zolder een kist is opengebroken. Vermoedelijk hebben de daders daaruit een nog onbekende hoeveelheid geld meegenomen. Toch, zo concludeert de politie, moeten de daders met een zekere haast hebben gezocht. Nadat het sporenonderzoek de volgende dag is voltooid, vindt de politie namelijk eerst in het bed van Gerrigje een blikken trommel met geld. Later die dag wordt op de tafel in de woonkamer een blikken trommeltje gevonden, inhoudende ƒ 1.820,00 aan papiergeld. Mogelijk hebben de daders dit trommeltje over het hoofd gezien dan wel simpelweg bij hun vlucht vergeten. Op basis van verder onderzoek concludeert commissaris Blok na enkele dagen dat uit de boerderij een bedrag van ongeveer ƒ 5.000,00 aan bankpapier, bestaande uit een of meer bankbiljetten van ƒ 1.000,00, plus een hoeveelheid in linnen zakken verpakt zilvergeld uit de boerderij is verdwenen.

Uit het sporenonderzoek wordt geconcludeerd dat Toon van Wiggen met de schop is doodgeslagen. Terwijl hij op de grond lag moet hij bovendien met de nodige kracht tegen de borst zijn getrapt. De sectie wijst namelijk uit dat enige ribben in de borstkas zijn gebroken. Gerrigje blijkt een groot aantal malen met een in haar nabijheid liggende zogenaamde mestgreep zwaar te zijn mishandeld. De overvallers hebben kennelijk in de veronderstelling verkeerd dat beide slachtoffers dood waren.

Ondanks intensief speurwerk van dr. Van Ledden Hulsebosch worden op de plaats delict geen bruikbare sporen gevonden. De advocaat-generaal te Arnhem, mr. A.A. Cnopius, schrijft in dit verband in een later stadium van het onderzoek aan de minister van Justitie onder meer: '(...) De ware reden dat er van den moord te Culemborg geene sporen gevonden zijn - vingerafdrukken of dergelijke - ligt hem hierin, dat de moord zeer laat ontdekt is geworden en dat de deur die de verbinding vormt tusschen huiskamer en deel (waar een aantal koeien stonden) voortdurend heeft opengestaan. Door de van het vee uitgaanden wasem was de geheele huiskamer en deel vochtig geworden en droop het vocht vanaf de zolder in op de verschillende in de kamer aanwezige voorwerpen. Elk spoor is zoodoende vernietigd geworden.' Afgaande op het door Gerrigje genoemde tijdstip, het feit dat beide slachtoffers geheel gekleed waren en de omstandigheid dat op het fornuis een onaangeroerde pan met pap stond, gaat de politie ervan uit dat het misdrijf op zondag 23 december tussen vijf en zeven uur 's middags moest zijn gepleegd. Uitgaande van laatstgenoemd tijdstip zou dat betekenen dat Gerrigje zo'n twintig uur in hulpeloze toestand in de stal heeft gelegen.

Voor wat betreft de vraag hoe de daders de boerderij zijn binnengekomen, vermoedt de politie dat zij kans hebben gezien ongemerkt via de achterdeur in de stal te komen. Waarschijnlijk hebben zij vervolgens daar Gerrigje overvallen op het moment dat de vrouw de grendels van die deur dicht wilde schuiven. In de stal lagen ook zowel de schop als de mestgreep. Na de vrouw te hebben neergeslagen, moeten zij richting woonkamer zijn gelopen. Gezien de plaats waar hij door de overvallers werd neergeslagen, gaat de politie ervan uit dat de oude Van Wiggen was afgekomen op het gedruis uit de stal. Aangenomen wordt verder dat de daders de plaats delict via de voordeur hebben verlaten. De grendels zijn namelijk weggeschoven, terwijl de deur zelf is afgesloten. De sleutel, die normaliter aan de binnenkant van deze deur steekt, blijkt te zijn verdwenen! Speurhond Grimm van rijksveldwachter Van Beusekom, die lucht heeft opgenomen van de steel van de schop, volgt over een lengte van enkele kilometers een spoor, dat naar een in het plaatselijke haventje liggende woonboot De Ark voert en dat vervolgens iets verderop eindigt bij de rivier de Lek, 'alwaar hij tot in het water zocht'.


DE EERSTE ARRESTATIES

Reeds daags na ontdekking van de roofmoord vindt de eerste arrestatie plaats. Op eerste kerstdag 1923, omstreeks zeven uur in de ochtend, wordt de bewoner van woonboot De Ark, de 53-jarige 'parlevinker' [winkelier te water] Berend Greven, door inspecteur Dortland en agent Vroege van zijn bed gelicht en voor verhoor overgebracht naar het politiebureau. De directe aanleiding was eigenlijk vrij simpel. Het was namelijk de woonboot van Greven waar speurhond Grimm zijn begeleider heen had gevoerd. Greven werd aan een 'scherp verhoor' onderworpen, maar de man bleek een sluitend alibi te hebben. Waarom Grimm uitgerekend zijn woonboot heeft 'aangewezen', blijft dan ook een raadsel. Greven wordt nog diezelfde dag op vrije voeten gesteld. Vijf dagen later, op 31 december, wordt in Rotterdam de volgende arrestatie verricht. Het gaat om de in Crooswijk wonende lasser Johannes van Lienden, die op onduidelijke gronden bij de politie als mogelijke dader is getipt. Nadat hij drie dagen in de cel heeft doorgebracht, moet ook deze man worden vrijgelaten. Hij blijkt niets met de Culemborgse moord van doen te hebben.

Bij haar verder onderzoek gaat de politie ervan uit dat een merkwaardig voorval dat zich drie dagen voor de moord bij de boerderij van de Van Wiggens heeft afgespeeld, wel eens regelrecht verband kon houden met het misdrijf. Wat is toen het geval geweest? Op donderdagavond 20 december tegen halfzeven had een onbekende man in de stal een paar koeien losgemaakt en naar buiten gedreven. Tijdens die bezigheid was deze man door de niet bang uitgevallen Toon van Wiggen van het erf gejaagd. Naar de politie nu vermoedt, heeft deze onbekende de bedoeling gehad met een of meer anderen in de boerderij zijn slag te slaan op het moment dat de beide Van Wiggens druk in de weer waren de koeien op te vangen.

Tien dagen na de moord, het is inmiddels donderdag 3 januari 1924, worden maar liefst vier verdachten aangehouden, één Culemborger en drie mannen uit Utrecht. Bij de Culemborger gaat het om de als 'ongunstig' bekend staande Marinus Middelkoop, bijgenaamd Pikkie van Vuuren. Deze man was ook reeds vrijwel direct na de moord opgepakt, maar hij moest alweer even snel wegens gebrek aan bewijs worden vrijgelaten. Nieuwe aanwijzingen tegen hem en de drie verdachten uit Utrecht geven politie en justitie hoop dat het misdrijf nu spoedig zal zijn opgelost. De politie gaat er deze keer van uit dat het Middelkoop is geweest die aan de drie Utrechtenaren de nodige informatie heeft verschaft en dat de feitelijke daders onder hen moeten worden gezocht. De politietheorie luidt als volgt: De al eerder genoemde parlevinker Greven is door Middelkoop in een café in Culemborg dronken gevoerd en vervolgens terug aan boord van zijn woonboot De Ark gebracht. Middelkoop kon zich hierna meester maken van de roeiboot van Greven, om zijn kompanen aan de overkant van de Lek op te halen. Greven gebruikte zijn roeiboot wel eens om schippers terug aan boord te brengen. Commissaris Blok houdt ook rekening met de mogelijkheid dat de Utrechtenaren op de terugweg hun bebloede kleding overboord hebben gegooid. Wat daar verder ook van zij, politie en justitie besluiten om op zaterdag 5 januari op de plaats delict een reconstructie te houden in aanwezigheid van de verdachten. Het viertal, dat in Tiel is ingesloten, arriveert die dag onder stevige politiebewaking per trein in Culemborg. Dat er in verband met de moordzaak iets staat te gebeuren, is inmiddels ook bij de Culemborgse burgerij bekend geworden. Op de route van het station naar het Marktplein en in de omgeving van het politiebureau is een dichte menigte samengestroomd die tegenover de vier mannen een dreigende houding aanneemt, maar dankzij het feit dat commissaris Blok voor uitgebreide politiemaatregelen heeft gezorgd, doen zich geen incidenten voor. Op de plaats delict worden de verdachten aan 'een scherp verhoor' onderworpen, maar zij geven geen krimp, laat staan dat zij een bekentenis afleggen. Reeds enkele dagen later moet een van de Utrechtenaren wegens gebrek aan bewijs worden vrijgelaten.

affiche bekendmaking beloning 500 gulden

Ook een ex-rechercheur

Justitie en politie concentreren zich gedurende de nu volgende periode geheel op de drie overgebleven arrestanten. Daar komt op 14 januari nog een 'bekende Culemborger' bij: niemand minder dan ex-rechercheur Fredericus Haveman, die twee maanden voor de moord oneervol bij het Culemborgse politiekorps was ontslagen wegens 'onzedelijk gedrag en het misbruiken van sterken drank'. De verdenkingen tegen Haveman kwamen erop neer dat hij 'plotseling' over veel geld bleek te beschikken, enkele duistere relaties had, en met de situatie op de boerderij van de Van Wiggens bekend was. Dat laatste hield verband met het feit dat Haveman, toen nog rechercheur, kort voor de moord een inbraak in de boerderij van de Van Wiggens had behandeld en bij die gelegenheid had geadviseerd andere sloten op de deuren te laten aanbrengen. De arrestatie van de ex-rechercheur werd niet door de plaatselijke politie, maar door rijksveldwachters uitgevoerd. Haveman moet echter nadat hij drie dagen in de cel in Tiel heeft doorgebracht alweer worden vrijgelaten. Er blijkt geen spat van bewijs tegen hem te zijn, ook een huiszoeking levert niets belastends op. Over die spoedige vrijlating van Haveman oordeelt het geleidelijk op gang komende 'openbare gerucht' onder de Culemborgers echter geheel anders. Dat zou gedurende de volgende maanden ook maar al te duidelijk aan het licht komen.

Het onderzoek loopt dood

In een uitgebreide brief van 29 februari 1924 aan de procureur-generaal te Arnhem laat officier van justitie mr. Oosting er geen twijfel over bestaan hoe hij denkt over de rol die Middelkoop, alias Pikkie van Vuuren, en de twee overgebleven Utrechtenaren hebben gespeeld, al hun ontkenningen ten spijt. Mr. Oosting begint als volgt. '(...) dat m.i. Middelkoop moet beschouwd worden als hebbende inlichtingen gegeven tot het plegen van de moord, terwijl waarschijnlijk de verdachte Van der Weghen, thans gedetineerd te Utrecht, den moord gepleegd heeft. Geheel uitgesloten echter is het niet, dat Middelkoop een werkzaam aandeel aan het misdrijf heeft genomen.'

foto van het Culemborgse politiekorps in de jaren 20.jpg Vervolgens geeft de officier van justitie in precies achttien korte, maar weinig concreet houvast biedende punten aan, waar hij zijn mening op baseert. Commissaris Blok roept intussen eind februari via een bulletin het publiek op om inlichtingen te geven die kunnen leiden tot de aanhouding van de onbekende man die op donderdag 2.0 december 1923 de koeien uit de stal van de Van Wiggens heeft losgelaten en die op de bewuste avond in gezelschap is gezien van Middelkoop. De commissaris stelt voor de 'gouden tip' een beloning van vijfhonderd gulden in het vooruitzicht. Een en ander is voor het Nieuwsblad van Culemborg van 1 maart 1924 kennelijk aanleiding een wat optimistisch geluid te laten horen: 'Het onderzoek der moordzaak is thans in een nieuw stadium gekomen. Het scherm voor het laatste bedrijf in dit afschuwelijke drama is gehaald. Uit bovenstaande oproep van de commissaris van politie is thans overduidelijk, dat de justitie 't rechte spoor niet alleen te pakken heeft, maar ook dat zij weet wie zij hebben moet, daar het signalement van de dader bekend is en hij door meerdere personen kan worden herkend. Zijne opsporing is dus slechts een kwestie van tijd.' Volgens de krant zal Middelkoop, alias Pikkie van Vuuren, niet worden losgelaten 'vooraleer de geheele zaak zijn beslag zal hebben gekregen'. De voorspelling van de krant is echter voorbarig. Het onderzoek tegen Middelkoop en de Utrechtenaren levert uiteindelijk namelijk niets op. 'Pikkie van Vuuren' wordt als laatste van de drie arrestanten, na vijf maanden voorarrest, op 8 juni 1924 vrijgelaten.

Een koopman in dekens

Dat de Justitie in Tiel van meet af aan niet overliep van vertrouwen in de Culemborgse politiecommissaris Blok blijkt onder meer uit diens brief van 2 februari 1925 aan de minister van justitie. Blok beklaagt zich hierin over het feit dat officier van justitie mr. Oosting in maart 1924, zonder overleg met hem, rijksrechercheur Hartkamp uit Apeldoorn bij het moordonderzoek heeft ingeschakeld. De commissaris laat in zijn brief aan de minister weten dat Hartkamp, met de nodige onderbrekingen, in totaal één maand en op een wel heel bijzondere wijze in Culemborg actief is geweest. Blok: 'Hartkamp kwam te Culemborg, zich uitgevende voor koopman in dekens. Ik maakte hem attent op deze eigenaardigheid om met dekens in de zomermaanden te venten, doch hij gaf te kennen, dat hij blanco volmacht had van de heer procureur-generaal. De tweeden dag was zijn bezoek hier bekend, doordat het opgevallen was dat hij tweede klasse reisde en in het bezit was van een dienstkaart zonder portret. Op mijn herhaald verzoek liet hij die kaart later van zijn portret voorzien, opdat de kaart gelijk zou zijn aan een gewoon abonnement.' Ook liet hij zijn rijwiel als 'dienst' vervoeren, aldus Blok, die in zijn brief vervolgens aangeeft dat hij destijds via derden had vernomen dat Hartkamp bij het onderzoek zou worden ingeschakeld. Aangezien Hartkamp vroeger gemeenteveldwachter in Culemborg was geweest, achtte commissaris Blok diens inzet niet in het belang van het onderzoek. Zijn bij de officier van justitie in Tiel ingediend verzoek om in plaats van Hartkamp een andere rijksrechercheur aan te wijzen, was toen echter niet gehonoreerd. Blok vervolgt'(...) Wat ik voorzien had gebeurde. Hartkamp knoopte oude kennismakingen weer aan, onder anderen met zijn vroegere collega Boorsma, thans conciërge eener school, alwaar hij zijn licht opstak. Ook bij de Burgemeester en confereerde met hem over zijn onderzoeken enzovoort enzovoort. Vervolgens werd rijksrechercheur Heijting aan hem toegevoegd [met het gevolg dat zij] onderling ruzie kregen en van elkaar rapport maakten bij hunne chefs, met het gevolg dat Hartkamp ten slotte niet langer met onderzoek belast bleef. Intussen wist het publiek het verloop van het onderzoek door Hartkamp ingesteld. Mij zijn personen, burgers, bekend, die tevoren wisten en zulks vertelden wanneer de gewezen rechercheur Haveman zoude worden gearresteerd.' [Blok duidde hier kennelijk op de tweede arrestatie van Haveman in juli 1924, JAB.]


HET OPENBARE GERUCHT

Het 'openbare gerucht' dat uiteindelijk voor lange tijd de grimmige sfeer van verdeeldheid in het Culemborgse zou bepalen, kwam na de vrijlating van ex-rechercheur Haveman slechts onderaards en smeulend op gang. Het zou echter binnen enkele maanden leiden tot een uitslaande brand, mede gevoed door het feit dat het moordonderzoek na de vrijlating van Middelkoop c.s. klaarblijkelijk op dood spoor terecht was gekomen. Dat laatste werd niet alleen aan de ondeskundigheid van commissaris Blok toegeschreven, maar meer nog aan de allengs opkomende geruchten, volgens welke de politiechef zelf op de een of andere manier bij de moord op de Van Wiggens betrokken zou zijn geweest. Wanneer er in Culemborg één man is geweest die de geruchtenmachine heeft aangewakkerd, zo niet op gang gebracht, is dat wel Otto de Beus, wiens giftige pen voortdurend borg stond voor ophitsende suggesties jegens zowel commissaris Blok als ex-rechercheur Haveman. Sigarenfabrikant De Beus (geboren in 1873 te Culemborg) wordt in een rapport van rijksrechercheur J. van Dijk d.d. 22 november 1927 omschreven als 'een vooraanstaande persoonlijkheid en tevens leider der S.D.A.P'.

In het weekblad De Arbeid van 15 juni 1924 schrijft Otto de Beus onder het pseudoniem Insider onder meer:'(...) Er zijn menschen met een gemakkelijk combinatievermogen die verband brengen tusschen dezen misdaad en tusschen een even voor het plegen van dien moord ontslagen politiebeambte, die met den geheelen toestand van de vermoorde van Wiggens op de hoogte moet zijn geweest. Die gewezen politiebeambte, die na zijn ontslag wat gemakkelijker met geld omgaat dan voorheen geeft voedsel in die volksmeening, die steeds in zijn nadeel voortwoekert. (...) Eerst werd het vermoeden van dat verschrikkelijk misdrijf gedacht, toen gefluisterd en nu wordt het in het openbaar uitgekreten: "Hij heeft het gedaan!!" "Het publiek wijst den misdadiger aan" enz.'

In hetzelfde blad d.d. 28 juni 1924 komt Insider op het vorige verhaal terug en daagt hij Haveman als het ware uit om een klacht in te dienen wegens valse beschuldiging.

Of zelfmoord plegen

Twee weken later, in De Arbeid van 12 juli, schrijft De Beus:'(...) Toen de moord ontdekt werd, was H. [Haveman] reeds bij de Politie ontslagen, dat wil zeggen hij moest ontslag vragen wat hem dan ook werd verleend, doch dat komt practisch met wegjagen overeen. Goed, toen dan de moord ontdekt was is hij met den Commissaris op het terrein van den misdaad geweest. De politieambtenaren hadden evenwel opdracht om niemand, dat wil hier zeggen: gewone burgers op het terrein toe te laten, doch H. die toen reeds tot gewoon burger was bevorderd, mocht daar een uitzondering op maken en gaf den commissaris allerlei aanwijzingen en vermoedens. Het Publiek gelooft nu stellig dat H. medegewerkt heeft om het dwaalspoor nog meer te verwarren. (...) De heer commissaris moet na den moord nogal eens met den gewezen politiebeambte zijn gezien en niemand zal ooit te weten komen, welke fantastische mogelijkheden den Heer Commissaris in het oor zijn gefluisterd.'

N.B. Een kanttekening op een nota van het ministerie van Justitie (naar aanleiding van Kamervragen) dat ik bij de stukken aantrof luidt: 'Uit het rapport van den agent De Roode, die den commissaris van politie niet bepaald goed gezind is, blijkt niet dat Haveman verder is gekomen, dan den ingang van het terrein.'

In De Arbeid van 19 juli 1924 wordt er geheel van uitgegaan dat ex-rechercheur Haveman de moordenaar is. Ook wordt de toon van het artikel steeds provocerender: '(...) Er zijn maar twee mogelijkheden om tot rust te komen, dat is bekennen en straf ondergaan of zelfmoord plegen. Een andere mogelijkheid weten wij niet. (...) Het is nog steeds voor het Publiek een raadsel hoe een bekwaam Politiecommissaris als de Heer Blok zich heeft laten misleiden. Al dien tijd dat men Middelkoop heeft vastgehouden, heeft de moordenaar, die in Culemborg woont, zich kunnen oriënteren en kennis kunnen nemen van de publieke opinie die officieel was misleid. (...) Wij hebben in een der vorige artikelen kunnen lezen van de geniale plannen van den inbraak, moord en diefstal Welnu in dat meesterlijk plan lag ook opgesloten de misleiding en de vernietiging der sporen. Daarbij heeft de Com.v.Pol. niet eens aan de mogelijkheid gedacht, dat die moord door een ingewijde zou kunnen zijn gepleegd. (...) Indien volgende week de voormalige rechercheur bij de Culemborgse politie nog met door de Justitie zal zijn gearresteerd zal er in het volgend nummer een opzienbarend stukje verschijnen/

Met getrokken sabel

Geleidelijk aan begonnen ook andere kranten, zoals Het Volk en Het Haagsche Volk, zich intensief bezig te houden met de vraag wie de dader van Culemborgse roofmoord was. Naar het voorbeeld van De Arbeid werd soms op een ontstellende manier ingespeeld op het 'gezonde volksgevoel'. Onder de kop 'Grote opgewondenheid onder de bevolking. Zij meent den dader te kunnen aanwijzen' opende Het Volk van 23 juli 1924. De strekking van het verhaal is dat zowel bij de politie als het publiek een overtuiging' is ontstaan dat het misdrijf heeft plaatsgevonden met behulp van een of meer personen, bekend met de plaatselijke toestand. 'Zij [de bevolking] is zich sinds eenige weken op kritische wijze met het politionele onderzoek gaan bezig houden en een zeer groot deel van de bevolking meent den dader, althans ee der daders, met groote beslistheid te kunnen aanwijzen. Deze toestand heeft het stadje in een staat van opgewondenheid gebracht, die ernstige gevolgen na zich kan sleepen. Daar de berichten die ons in het begin dezer week dienaangaande bereikten zeer alarmerend waren, besloten wij ons persoonlijk van een en ander op de hoogte te gaan stellen.' De krant memoreert vervolgens de [eerste] aanhouding van Haveman op 14 januari 1924 en zijn vrijlating drie dagen later: 'Op deze invrijheidsstelling reageerde bevolking op zeer agressieve wijze. Eerst heimelijk, maar allengs driester en ten laatste werd openlijk uitgesproken dat H.

[Haveman], die ongunstig bekend staat, bij deze geruchtmakende moord betrokken is geweest. De toestand was dus deze geworden, dat het "openbaar gerucht" den dader of medeplichtige aanwees. Het Volk meldt over de rumoerige situatie zoals die zich op maan dagavond 21 juli 1924 bij de woning van Haveman afspeelde: 'H. [Haveman] zat in de kroeg en het publiek verwachtte dat hij 's avonds weer dronken over de weg zou zwalken. Men was van plan om, als de verdachte uit de kroeg zou komen, hem te grijpen en aan de politie over te leveren. Men oordeelde en sprak het openlijk uit: "als de justitie hem dan niet grijpen wil, zullen wij hem brengen". Er verzamelden zich zo'n 1000 personen, tegen elf uur in de avond. H. verliet nuchter de kroeg en werd uitgejouwd. Het Publiek werd door agenten, die sabels hadden getrokken, uiteen gedreven.' Ten slotte vermeldt de krant nog dat het 'bij het publiek' was opgevallen 'dat H. zeer royaal leefde en bij kleine aankopen soms wisselde met bankbiljetten van ƒ 100,00. Het feit dat Haveman nog op geen enkele wijze had gereageerd op de beschuldigingen tegen hem, was voor Het Volk aanleiding dat gegeven onder te brengen bij de andere dingen die volgens de krant tegen hem pleitten.

Bah!

Vier dagen later, op vrijdag 25 juli tegen zeven uur 's avonds, wordt Haveman voor de tweede keer gearresteerd, overgebracht naar Tiel en in het plaatselijke politiebureau opgesloten.
Het Volk hierover in de krant van 26 juli: 'Eindelijk heeft de justitie gehoor gegeven aan de door de bevolking steeds luider geoefende aandrang om den man, die door velen als dader of medeplichtige aan den kort voor Kerstmis gepleegden roofmoord, gevangen te nemen. Dinsdag waren hier reeds eenige rijksrechercheurs met de opdracht Haveman gevangen te nemen. Daar deze reeds meermalen gedreigd schijnt te hebben dat hij niet zonder verzet zijn woning onvrijwillig zou verlaten en men wist dat hij over een vuurwapen beschikte werd toen reeds getracht H. naar buiten te lokken. De bevolking wacht in grote spanning.' Toen agent Leenders van de Tielse politie de volgende ochtend, zaterdag 26 juli, even voor vijf uur de arrestant wilde controleren, bleek dat Haveman zich in zijn cel had opgehangen. Het Volk brengt vervolgens op maandag 28 juli 1924 een verhaal waar de huichelachtigheid van afdruipt: 'Aan den zoo luid geuite wens van de Culemborgse bevolking was nu voldaan en thans is men nog even ver. Wij nebben reeds uitvoerig melding gemaakt van de stemming der bevolking. Wie gedacht mocht hebben dat deze mentaliteit van haat en verdenking alleen bij het minst ontwikkelde deel viel waar te nemen, vergist zich. Ook aan "notabelen" uit het stadje was deze gezindheid niet vreemd. Een sterk en schandelijk bewijs daarvoor is het feit, dat toen bekend was geworden dat reeds j.l. dinsdag de arrestatie van verdachte kon plaats hebben, een der wethouders met zijn dames op het balkon van de sociëteit had plaats genomen, teneinde van die plaats de arrestatie en overbrenging naar het politiebureau gade te slaan... De meer ontwikkelde bourgeoisie beschouwde deze dieptreurige zaak dus blijkbaar als een publieke vermakelijkheid. Bah!'

Een beetje huiverig

Otto de Beus gaat intussen onverminderd verder met zijn verhalen in De Arbeid. Daarin geeft hij met enige regelmaat enerzijds Haveman een trap na, terwijl hij anderzijds zijn gifpijlen vooral richt op commissaris Blok. Op 2 augustus 1924 schrijft De Beus naar aanleiding van de zelfmoord van Haveman: 'Zijn (H's) plotselinge welstand dateert van na den dubbelen moord - als dat toevallig door andere oorzaken is gekomen, waarom heeft hij dat dan niet verklaard aan zijn speciale vriend, den heer commissaris Blok?' In datzelfde artikel wordt een uitspraak aangehaald die Blok voor de dood van Haveman heeft gedaan tegenover het dagblad De Telegraaf. Die kwam hierop neer dat Blok van mening was dat het onderzoek in de moordzaak alleen met kracht kon worden voortgezet 'wanneer de Rijkspolitie, die het onderzoek instelt, de plaatselijke niet tegenwerkt, een verschijnsel, dat bij landelijke misdrijven menigmaal te constateren valt'. Blok had in dat interview tevens gezegd dat wat de Culemborgse zaak betreft, verwacht kon worden dat Haveman binnen 'niet al te korten tijd' op vrije voeten zal worden gesteld. De reactie van De Beus in De Arbeid luidt: 'Weet de heer Blok heusch niet hoe de Rijkspolitie over zijn leiding denkt? Indien H. zich niet van het leven zou hebben beroofd, dan zou hij volgens De Telegraaf op vrije voeten zijn gesteld. Hoe weet de Commissaris dat? Is dat niet een beetje verdacht?'
Het nummer van 9 augustus 1924 is andermaal tegen Blok gericht. 'Sedert de heer Blok hier de leiding heeft is heel wat geschied dat om opheldering schreeuwt. Inbraken, diefstallen die niet en nooit werden opgehelderd en tenslotte een roofmoord op twee oude menschen. In de avond van den moord hebben twee getuigen gezien dat Haveman tussen negen uur en halftien een café binnenkwam. Hij zag er toen vreemd uit, was bleek en zat zijn kleren te bekijken. Zonder dat hem iets werd gevraagd, zei hij "een beetje huiverig" te zijn en den heelen dag thuis te hebben gezeten. Die getuigen hadden het gevoel of Haveman iets bijzonders had uitgevoerd. Zij denken nog vaak aan zijn gezicht. (...) De verklaringen van den heer Blok dat Haveman dien avond bij zijn vrouw en kinderen zou zijn geweest, is geheel in strijd met deze drie getuigen [in het artikel noemt De Beus nog een getuige, JAB]. Waarom heeft Blok toen hij hoorde dat Middelkoop in een zenuwachtigen toestand in een of ander café kwam, die wel laten arresteren en Haveman niet? De aanwijzingen tegen Haveman waren veel sterker dan tegen Middelkoop. Juist door het laten loopen en door de dikke vriendschap van en met Haveman heeft de Commissaris op zijn geweten, dat het Publiek zoo driest tegen Haveman is opgetreden. Ja, nog sterker, waarom werd de vriendschap tusschen den heer Blok en Haveman vanaf dat oogenblik sterker en welke reden had de heer Blok om aan een door wangedrag weggejaagden rechercheur inlichtingen te vragen, hoe, door wien en op welke wijze die moord zou kunnen zijn gepleegd? Wij zullen het bloedige tafereel niet meer voor de oogen onzer lezers laten ontrollen maar willen toch probeeren aan te toonen, dat de heer Blok meer van de zaak weet.'

N.B. In de eerder aangehaalde nota van het ministerie van Justitie wordt dit verhaal sterk genuanceerd. Twee van de getuigen verklaren niets over het door Haveman bekijken van zijn kleding. De derde getuige had 'niet aan iets bijzonder ergs' gedacht. 'Hij meende dat H. weer met vrouwen was uitgeweest.' Met betrekking tot het laatste gedeelte (het door Blok vragen van inlichtingen aan Haveman enz.) verklaart mr. Oosting tegenover de rechter-commissaris: 'Haveman is op het Parket gekomen en heeft gezegd, dat als aan hem het onderzoek was opgedragen, hij de daders reeds lang zou hebben gevonden. Hij gaf er zijn spijt over te kennen dat de C.v.P. Blok van zijn aangeboden hulp niet gediend was geweest.'

Ook maar een touwtje opzoeken

De artikelenreeks tegen Haveman en Blok krijgt in De Arbeid van 23 augustus 1924 een luguber klinkende climax: 'Omwonende boeren vertellen dat de commissaris vroeger reeds uiting had gegeven aan zijn "voorgevoel" dat er wel een moord zou kunnen plaats hebben,' aldus De Beus. Hij vervolgt: 'Hij liet daarom die hoeve extra bewaken en op gezette tijden hield de politie een oog in het zeil. Door de vriendschap met den heer Blok, wist Haveman, hoe en wanneer die bewaking plaats had. Bedenkt nu, dat de heer Blok zoo goed als zeker wist, dat er bij van Wiggen "iets" zou gebeuren!! Wij vragen nu aan een ieder die over een gezond stel hersens heeft te beschikken of den commissaris niet de hoofdschuldige is. Heeft hij den moordenaar niet in de gelegenheid gesteld om die misdaad te begaan en toen het verschrikkelijke feit eenmaal was gebeurd, heeft hij toen Haveman niet door dik en dun verdedigd? Wij hebben drie getuigen, die onafhankelijk van elkaar bij den commissaris de aandacht op Haveman hadden gevestigd. De hoofdschuldige is wel dood, maar de commissaris leeft nog en hij is iemand die meer van de moordzaak weet. Niemand, noch het publiek noch de Justitie zal aannemen, dat de heer Blok niet wist wat Haveman heeft gedaan. De comedie die de commissaris van politie in deze moordzaak heeft gespeeld grenst aan het misdadige.' (...) 'Wij gaan nog verder en zullen den heer Blok beschuldigen, dat hij opzettelijk het onderzoek in deze moordzaak heeft belemmerd en met opzet het dwaalspoor heeft gevolgd, dat de moordenaar hem heeft aangewezen. Dit wordt dus een krasse beschuldiging, die wij volgende week zullen uitspreken en dan zullen wij zien of de heer Blok een aanklacht tegen ons zal indienen. Doet hij dat niet dan zullen wij hem een raad geven. Wij gaven aan Haveman ook een raad: of bekennen of zelfmoord. Het resultaat is bekend. De heer Blok heeft te kiezen tusschen: onmiddellijk ontslag vragen - bekennen wat hij met Haveman heeft uitgehaald of ook maar een touwtje opzoeken. Andere wegen zijn er niet.'

Veel, zeer veel stof op te jagen

Op 2 december 1924 schrijft commissaris Blok aan de minister van Justitie het volgende:
'Sedert een vijftal maanden ben ik het slachtoffer eener onwaardige lastercampagne van de zijde der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en voornamelijk geuit in de couranten Het Volk en De Arbeid dier partijen. Ofschoon mij door meerdere justitie autoriteiten is medegedeeld dat ik in deze vrij uit ga, geef ik uwe excellentie nogmaals de oprechte verzekering dat ik in deze treurige moordzaak steeds als een fatsoenlijk ambtenaar heb gehandeld en door mij geen enkele handeling is verricht in strijd met mijn ambtseerbegrip en fatsoen. Met een volkomen gerust geweten, zie ik dan ook den uitslag van het onderzoek in verband met bedoelde lastercampagne ingesteld tegemoet (...).' 'Nu door uwe excellentie in verband met de j.1. gerichte schriftelijke vragen het laatste woord in deze aangelegenheid gesproken zal worden, veroorloof ik mij een beroep te doen op de steeds mij betoonde welwillendheid van de zijde van uwe excellentie ondervonden en zich in mijn huiselijk en familieleven gedurende dien treurigen tijd te verplaatsen en den toekomst van mijn tachtigjarigen vader te willen indenken, aan wien zelfs bedoelde couranten werden toegezonden en die steeds onder deze laffe plagerijen lijdt. Ik vlei mij dan ook met de oprechte wensch dat met het oog op het vorenstaande door uwe excellentie in zijn antwoord aan bedoelde campagne en treurige gevolgen een einde worden gemaakt. Met de meeste gevoelens van erkentelijkheid en hoogachting heb ik de eer te zijn van uwe excellentie, de dienstwillige dienaar.'

Naar aanleiding van de door Blok bedoelde Kamervragen adviseerde de Tielse officier van justitie aan de minister om geen vervolging tegen De Beus in te stellen: '(...) omdat deze met zijn schrijverij het openbaar belang heeft willen dienen en bij hem volstrekt niet het doel om te beleedigen heeft voorgezeten. Ik zou daarom meenen dat geen nader gevolg aan de zaak moet worden gegeven. Ook uit een practisch oogpunt schijnt mij dit het meest gewenscht aangezien, wordt de zaak vervolgd, Mr. Mendels naar ik ben ingelicht, de verdediging op zich zal nemen, en dan zal naar ik vrees van de geboden gelegenheid om veel, zeer veel stof op te jagen, een maar al te dankbaar gebruik worden gemaakt. Dit schijnt mij, na al wat er reeds is voorgevallen, zeer ongewenscht.
Dit nogal opportunistische standpunt van de Tielse Justitie werd door de minister van Justitie gedeeld: De Beus wordt voor zijn artikelen niet vervolgd! Het Volk van 24 december 1924: 'Het heeft waarlijk niet aan de onomwonden en overduidelijke uiteenzetting van partijgenoot De Beus gelegen, dat hij niet in staat is gesteld om in het algemeen belang de door hem verkondigde waarheden betreffende het politiebeleid te Culemborg door getuigen onder eede te laten bevestigen. Hierbij zou het beleid van den commissaris door een discussie over en weer, onder bijstand van een verdediger, zijn vastgesteld. De mededeling van de minister beteekent dat het onderzoek der Tielse justitie zoo overtuigend materiaal opleverde, dat een openbare behandeling van het geval overbodig geacht moest worden en dat de zuiverheid van de bedoelingen van De Beus boven de aanvankelijke verdenking verheven bleek. Wij wenschen in de eerste plaats onzen partijgenoot De Beus geluk met deze afloop. Zijn doel is blijkbaar bereikt. Dat de Commissaris onder deze omstandigheden gehandhaafd zou kunnen blijven, lijkt ons ondenkbaar. Het wil ons voorkomen dat de ten aanzien van hem te nemen maatregelen niet zozeer wachten op de opheldering van den moord als wel op het vinden van een geschikte regeling, die den heer Blok niet bovenmatig zwaar treft. Intussen wachten wij met belangstelling op het definitief oordeel der justitie-autoriteiten omtrent de gedragingen en houding van den Commissaris in Culemborg in deze geruchtmakende zaak en op het eindoordeel, dat in dezen over hem zal worden geveld - daarop heeft het publiek, de bevolking van Culemborg in eerste plaats, recht.'


EEN EERTIJDSE DEAL MET JUSTITIE

Wie in de veronderstelling mocht verkeren dat begrippen als 'kroongetuige' en 'deals met criminelen' in de huidige tijd zijn geboren, vergist zich. Reeds in 1924 sloot de justitie in Tiel in de Culemborgse roofmoord een deal met een zich als kroongetuige opwerpende crimineel. Het verschil met het heden zit slechts hierin dat aanduidingen als bijvoorbeeld 'deal' toen nog niet werden gebezigd. Inhoudelijk deed de 'justitiële belofte' van toen niet onder voor hetgeen vandaag op dat gebied wel wordt gepresteerd. Ziehier de tekst van de in 1924 gesloten deal met de in het Haagse huis van bewaring gedetineerde inbreker, een zekere De Roos.

'De Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank te Tiel, belooft aan: Bernardus, Nicolaas, Johannes de Roos, geboren te [den] Helder 18 december 1876, volkomen straffeloosheid voor wat hij in de zaak Culemborg ten opzichte der vermoorde Van Wiggens mededeelt en voor de door gemelden De Roos gepleegde heling van van dien moord afkomstige gelden, alsmede voor elk door gemelden De Roos gepleegd misdrijf verband houdend niet de voornoemde moordzaak. Indien hij, De Roos, aan hem, Officier van Justitie, zoodanige inlichtingen omtrent (de daders van) voornoemd misdrijf geeft, dat daarop veroordeeling de daders volgt (bij eventuele vrijspraak wegens mogelijke fouten in de dagvaarding moet toch de belooning worden uitgekeerd), waarborgt hij, Officier van Justitie, aan gemelden De Roos in ieder geval eene belooning van achthonderd vijftig gulden en belooft aan voornoemde De Roos om bij de Regeer ing alle pogingen aan te wenden, opdat de belooning aan voornoemden De Roos tot tweeduizend gulden worde verhoogd. Parket, Tiel, den 12 September 1924. De Officier van Justitie voornoemd.

N.B. Om duidelijk te krijgen wat ƒ850,00 respectievelijk ƒ 2.000,00 in 1924 betekende: In Berkel en Rodenrijs werd in dat jaar een gemeenteveldwachter gevraagd. Aangeboden werd een jaarsalaris van ƒ 1.400,00 tot ƒ 1.900,00 (ƒ40,00 extra voor schoenen en kindertoeslag vanaf het derde kind beneden 18 jaar: ƒ 50,00 per jaar.

Het verhaal dat De Roos aan twee Haagse rechercheurs had gedaan, kwam erop neer dat de moord op de Van Wiggens zou zijn gepleegd door twee mannen uit Den Haag, genaamd D. de Haas (een souteneur) en A.J. van Bergen. Ex-rechercheur Haveman zou de man geweest zijn die het tweetal van de nodige informatie had voorzien omtrent de financiële positie van de Van Wiggens. Volgens het verhaal van De Roos was het niet de bedoeling geweest om de Van Wiggens te doden, maar Toon van Wiggen had een van de indringers aangevallen, waarna de zaak uit de hand was gelopen. De beide mannen waren na het misdrijf per motor gevlucht. De totale buit zou ƒ 18.000,00 hebben bedragen. Hiervan hadden Haveman, die tijdens de moord op de uitkijk had gestaan, en een andere Culemborger die bij de zaak betrokken was geweest, maar die De Roos niet van naam kende, samen ƒ 2.700,00 gekregen. De Roos had voor zijn aandeel -meewerken aan de voorbereidingen en de andere deelnemers aansporen om 'deze slag eindelijk eens te slaan' - ƒ 1.200,00 gekregen. Hij was niet zelf bij het plegen van het misdrijf aanwezig geweest, omdat hij toen in het ziekenhuis had gelegen. Achteraf ontevreden over het bedrag dat hij had gekregen, wilde hij De Haas en Van Bergen chanteren. Hij was erin geslaagd uiterst belastende brieven van dat tweetal in handen te krijgen, die volgens De Roos 'tegen hen voor een groot deel bewijs kunnen zijn'. Uit de stukken blijkt verder dat de Haagse rechercheurs de tekst van de voorgestelde deal in opdracht van mr. Oosting in viervoud en met een mondelinge toelichting ter goedkeuring op het departement van Justitie hebben afgeleverd. De minister van Justitie

schrijft op 13 september 1924 aan de procureur-generaal te Arnhem: '(...) Het komt mij voor dat die verklaring |naar huidige begrippen een 'deal', JAB] zoals die door subst. Officier van Justitie mr. Oosting werd gesteld (de bereids daarop geplaatste handtekeningen zijn veiligheidshalve door mij doorgehaald) bezwaarlijk kan worden afgegeven. De daarin vervatte toezegging omtrent straffeloosheid kan niet door den Officier van Justitie worden gedaan, omdat de Procureur-generaal eventueel nog het instellen eener vervolging zoude kunnen gelasten. Evenmin kan zulk een toezegging van Ued.A. uitgaan, omdat een opdracht tot vervolging door mij zou kunnen worden gegeven, terwijl eindelijk een zoodanige toezegging mijnerzijds hare beteekenis zou kunnen verliezen, indien de Rechtbank c.q. het Gerechtshof ambtshalve last tot het instellen van een vervolging zouden geven. Wellicht ten overvloede wijs ik er nog op, dat bovendien als voorwaarde een onherroepelijke veroordeling der daders zoude moeten worden geëist. Ik moge u in verband met het bovenstaande verzoeken deze aangelegenheid, die naar werd bericht reeds onder uwe aandacht werd gebracht, nauwkeurig te willen overwegen, en mij alsdan ter zake te dienen van advies. Wellicht kan worden nagegaan of niet op een andere en betere wijze toch hetzelfde doel kan worden bereikt. Met het oog op het ernstig belang van dezen zaak ben ik tot bespreking, indien dit door Ued. Achtbare mocht worden gewenscht, wel bereid.'

Al te scrupuleus

In zijn uitvoerige brief aan de minister van Justitie d.d. 19 september 1924 geeft de advocaat-generaal in Arnhem, mr. Cnopius, zijn visie over de justitiële deal met De Roos.

Hij schrijft onder meer: 'Een kleine 14 dagen geleden werd het Parket alhier door mr. Oosting te Tiel per telefoon opgeroepen met de mededeeling, dat de bewuste De Roos bij hem was en dat mr. Oosting en hij gaarne met ons Parket wilden overleggen over toezeggingen van geldelijke belooning en straffeloosheid. Daar de uitgeloofde geldelijke belooning, naar ik meende te weten, buiten ons Parket om was behandeld, meende ik mij daarbuiten te moeten houden. Achterna, is mij omtrent dit gedeelte der kwestie nog het navolgende gebleken. (...) Voorts heeft mr. Oosting zich nog garant gesteld, dat hij zijn best zou doen dat door de Regeering aan De Roos f 2.000,00 zouden worden uitgekeerd, hetgeen mij voorkomt in deze tijden van bezinning eveneens een dwaze toezegging te zijn. Voorzover het telefoongesprek met mr. Oosting over de straffeloosheid liep, gaf ik als mijne meening te kennen dat De Roos aan door hem toegezegde straffeloosheid niet veel had, terwijl ook, wanneer ik gelijke toezeggingen zou doen, er altijd hoogere machten waren die tot strafoplegging zouden kunnen noodzaken. Hierop werd mij verzocht om dienzelfden avond eens met De Roos te praten, daar deze toch onder geleide op zijn doorreis naar Groningen was, om daar met een advocaat te overleggen, of hij al of niet volledige mededeelingen aan de Justitie kon doen.' Uit het vervolg van zijn brief blijkt dat mr. Cnopius inderdaad diezelfde avond op zijn Parket een uitvoerig onderhoud heeft gehad met De Roos en de twee Haagse rechercheurs die hem begeleidden.**** 'Bij dit onderhoud verkreeg ik in de eerste plaats de overtuiging dat De Roos werkelijk in de zaak betrokken was geweest, en dat wij niet te doen hadden met een gevangene, die "een verzetje" wenschte en daarom wat verzonnen had, om op transport te worden gesteld.' Na uiteengezet te hebben wat De Roos hem omtrent de toedracht van het misdrijf zoal had verteld, vervolgt mr. Cnopius: '(...) waarbij echter in 't oog moet gehouden worden, dat De Roos een uitgeslapen sujet is, net zooveel los laat als hij kwijt wil wezen en op sommige punten zeer goed leugens kan vertellen. (...) Ik zeide hem dat ik er niet aan dacht, om evenals mr. Oosting verklaringen te onderteekenen, maar dat het hem genoeg moest zijn, als ik hem iets beloofde, nog wel in tegenwoordigheid van 2 rechercheurs. Dat wat mij betreft - indien zijne mededeelingen werkelijk zeer gewichtig waren - ik hem die heling van ƒ 1200 wel cadeau wilde doen, maar dat ik voor de rest niet verder kon gaan, indien ik niet eerst de zekerheid had, dat hij niet de eerste en groote aanleiding voor het gebeurde was geweest.'

Uit de brief blijkt dat het gesprek uiteindelijk zonder resultaat is gebleven en dat daarin ook geen verandering is gekomen nadat De Roos zijn advocaat in Groningen had geraadpleegd. Toch koesterde mr. Cnopius klaarblijkelijk nog enige hoop voor de toekomst. Hij besluit zijn betoog namelijk als volgt. 'Ik vraag mij dus af - hoezeer dergelijke toezeggingen in principe ook af te keuren zijn - of wij in casu, afgezien van de wijze waarop en de bewoordingen waaronder, al te scrupuleus mogen zijn. Het blijft m.i. ook met deze uitlatingen van De Roos in vollen omvang, een groot vraagstuk of wij tot behoorlijke veroordelingen zullen kunnen komen. Men vergete n.1. niet dat de zaak zoolang geleden is, dat alle sporen verdwenen en niet meer te achterhalen zijn en dat wij zullen moeten vonnis wijzen alleen op getuigenmateri-aal dat niet eerste klasse en betrouwbaar zal wezen. Echter zou het een groote geruststelling voor de publieke opinie in den lande zijn - vooral na het geschrijf in de couranten - indien ten minste officieel zou kunnen vastgesteld worden, hoe de zaak zich heeft toegedragen en waar de daders schuilen.'

N.B. Om ook hier een lang verhaal verder kort te houden. De justitiële deal is als een nachtkaars uitgegaan. Van daadwerkelijke betrokkenheid bij de Culemborgse moordzaak heb ik van De Roos, noch van Van Bergen of De Haas iets in de stukken gevonden. Ik kan mij overigens niet aan de indruk onttrekken dat zowel de Haagse recherche als de justitie in Tiel zich door De Roos bij de neus heeft laten nemen.

Gevaarlijke dingen te doen

Het onderzoek naar de daders liep bijna één jaar toen op 11 december 1924 opnieuw twee verdachten werden gearresteerd. Het waren de Culemborgers Auke Opdam en Leendert van der Linden, die beiden bevriend zouden zijn geweest met ex-rechercheur Haveman. De arrestatie werd verricht door rijksrechercheurs en geschiedde nadat de mannen door de burgemeester, overigens geheel buiten commissaris Blok om, ten stadhuize waren ontboden. Deze nieuwe arrestatie kreeg in de pers uiteraard de nodige aandacht, met het gevolg dat het ministerie van Justitie met spoed bij advocaat-generaal mr. Cnopius in Arnhem aan de bel trok om nadere informatie. Per brief d.d. 12 december 1924 deelt de procureur-generaal aan de ministervan Justitie mede dat hij 'officieel' nog van niets weet '(...) zoodat ik nog niet kan mededelen in hoeverre door deze stap kans bestaat tot resultaat in dit ernstig misdrijf. Ik kan echter slechts dit dienaangaande berichten. Enkele weken geleden deelde mij de rijksrechercheur Heyting mede dat hij in overleg met de Rechter-commissaris thans bezig was aan het uitwerken der verdenking tegen zekeren Opdam en Van der Linden, Culemborgers van het zelfde soort als Pikkie van Vuuren. De gronden van verdenking beperkten zich als ik mij goed herinner, tot verwijtingen in dronkenschap opgedaan, aangaande het feit van alles van de moord af te weten en tot de m.i. zeer bedenkelijke omstandigheid dat Opdam thans nog kon verklaren wat hij dezen dag van de moord van uur tot uur gedaan had. Ik wees er Heyting op dat, tenzij dergelijke verdachten zouden bekennen, hetgeen van dergelijke personen zoolang na het gepleegde feit zeker maar niet zoo dadelijk te verwachten was, ook de aanhouding van Opdam en Van der Linden niet tot eenig resultaat zou kunnen leiden. Daarom vertrouwde ik om in deze zaak waarin al zooveel minder aanbevelenswaardige handelingen waren verricht, geen ingrijpende maatregelen te nemen voor men goede grond onder de voeten zou hebben. Vandaar dat ik belangstellend naar de vermoedelijk verkregen nadere gegevens zit uit te zien en deze zoodra ik ze verkregen heb aan uwe excellentie zal doen toezenden.' Mr. Cnopius kon reeds de volgende dag, 13 december 1924, aan de minister melden dat verdachten op vrije voeren waren gesteld. Er was niets tegen de beide mannen gebleken. Interessant is de kanttekening van 17 december 1924 van de minister van Justitie op het departementale dossier van deze kwestie: 'Als de autoriteiten uit en om Culemborg nu eindelijk eens ophielden met gevaarlijke dingen te doen. Nu weer deze aanhouding van twee personen. Dat er voldoende grond was voor een dergelijke ingrijpende maatregel blijkt uit niets. Na twee dagen worden de verdachten weer vrijgelaten. In alle bescheidenheid vraag ik mij af, welke van de justitiële autoriteiten die rechtstreeks bij de zaak waren betrokken, nog werkelijk voldoende competent is te achten en of het geheel verwonderlijk is, dat een commissaris van politie die zelf geen groote kracht is, onder zulke leiding het hoofd verliest.'


DE BURGEMEESTER, DE COMMISSARIS EN DE JUSTITIE

Verziekte verhoudingen

Hoe de procureur-generaal over zowel burgemeester D.F.J. van Walsem van Culemborg als over commissaris Blok dacht, kan alleen al voldoende worden afgeleid uit diens brief van 18 december 1924 aan de commissaris van de Koningin in Gelderland, Jhr. F. van Citters. Daarin schrijft de procureur-generaal namelijk: '(...) dat naar mij voorkomt de positie van den Commissaris van politie te Culemborg inderdaad onhoudbaar is geworden.

Hoewel ik den Commissaris voor een braaf en fatsoenlijk en over 't algemeen betrouwbaar man houd, acht ik hem ongeschikt om aan 't hoofd van een politiecorps te staan en zeker in een kleine plaats als Culemborg. Uit hoofde van zijn persoonlijkheid is hij daar zeker niet de rechte man op de rechte plaats. (...) Ook mengt de Burgemeester zich blijkbaar met voorbijgang van den Commissaris in politiezaken, wat het prestige van dezen zoals vanzelfsprekend, nog meer afbreuk doet. Ik heb den Burgemeester in overweging gegeven om op dit oogenblik in den politioneelen toestand in Culemborg geen verandering te brengen en zich te onthouden van alles wat het reeds zóó geschokte gezag van den Commissaris zou kunnen schaden.' De procureur-generaal geeft voorts in deze brief enerzijds aan dat er 'in beginsel' niets is tegen opheffing van het Commissariaat, anderzijds ziet hij daartegen grote bezwaren 'daar ik den Burgemeester niet geschikt acht de werkzaamheden van de Commissaris te vervullen, terwijl ik zeer ernstig betwijfel of hij in staat zal zijn gezag over en de discipline in het politiecorps te handhaven'. Blok werd op 27 februari 1918 benoemd als commissaris van politie te Culemborg. Daarvoor was hij inspecteur geweest bij de Haagse politie. De aanvankelijk goede verhoudingen tussen hem en de burgemeester van Culemborg verslechterden na de moord op de Van Wiggens in een rap tempo. Illustratief voor de verziekte verhoudingen is hetgeen Blok daarover in zijn brief van 18 augustus 1924 aan de officier van justitie in Tiel schrijft. 'Het is niet de eerste keer dat ik omtrent de laffe plagerijen van de Burgemeester mij bij u ernstig heb beklaagd. Steeds hebben de plagerijen welke ten laatste werkelijk onhoudbaar worden, des avonds plaats. Dan weigert hij mij mijn eerst gegeven en goed gevonden verlof, dan laat hij mij als ik thuis ben aan het middagmaal voor onnodige bespreking op het bureau komen. Hij kleineert mij zelfs tegenover mijn onderhebbend personeel door b.v. op de hierbij gevoegde dienststaat van het politie personeel eigenhandig te schrijven: "CvP bureau-dienst 7 uur". Zonder mijn voorkennis stuurt hij een agent naar de kerk, die zeide dienst te hebben, waarop de BM hem te kennen gaf: ga maar naar de kerk, de CvP zit toch op het bureau. De Burgemeester zei ook dat hij Bergen Henegouwen weer agent zou maken. Verder gelastte hij mij mijn kabinet te ontruimen, de deur steeds open te laten, hem den sleutel te geven, opdat hij er steeds in kon komen.'

God zal Culemborg van den aardbodem verdelgen

Aan de reeks van roerige gebeurtenissen zoals die zich gedurende het eerste jaar na de moord in Culemborg hadden voorgedaan, werd op de valreep nog één toegevoegd. Het ging om een demonstratie, die de toch al verziekte onderlinge verhoudingen tussen de burgemeester, de commissaris van politie en de procureur-generaal nog meer op scherp zette.

Na een oproep in de plaatselijke pers verzamelden zich op zondag 21 december 1924 rond het middaguur op de Varkensmarkt in Culemborg zo'n duizend deelnemers aan een demonstratieve herdenkingstocht ter nagedachtenis van de vermoorde Van Wiggens. De demonstranten voerden een krans met linten mee met het opschrift: 'Van de Culemborgse bevolking aan Gerrigje en Toon van Wiggen'. Een van de deelnemers aan de demonstratie was Pikkie van Vuuren. Otto de Beus, die ook meeliep, deelde op het kerkhof aan de verzamelde menigte mee dat er op verzoek van de burgemeester niet gesproken zou worden. Na de kranslegging liep de stoet terug naar de Varkensmarkt. Op de route daarheen werd bij het huis van commissaris Blok een ogenblik stil gehouden. Het zijlaantje waarin de commissaris woonde, was door agenten en rijksveldwachters geheel afgezet. Op de Varkensmarkt sprak een van de organisatoren, Anton Bron, de mensen als volgt toe: 'Medeburgers, wij hebben nu allen op een plechtige en kalme wijze ons protest geuit tegen den heer Blok, den Commissaris te Culemborg. Moge dit protest doordringen tot de Regeering, opdat wij spoedig van den onbekwamen ambtenaar verlost zijn. Wij zullen ons nu voorlopig rustig houden, doch binnen niet al te langen tijd komen wij terug met andere middelen. Gaat nu rustig naar huis.' 'In volmaakte orde ging men hierop uiteen,' aldus Het Volk van 22 december 1924. De Beus schreef een paar dagen na deze demonstratie in De Arbeid: 'Hij [commissaris van politie Blok, JAB] liep met zijn stokje een beetje voorover gebogen, moest bij het publiek den indruk vestigen dat hij inderdaad ziek was, toen de demonstratie voor zijn huis trok. In werkelijkheid was het anders. Zijn barbier vertelt het volgende: "De heer Blok liep met gebalde vuisten door z'n huis, razendsnel en tierend: God zal Culemborg van den aardbodem verdelgen. Alle sigarenmakers zullen ziek worden." Iedereen wist dat hij niet ziek maar krankjorum was.' Een Amsterdams filmbedrijf maakte van de demonstratie een uitgebreide reportage, inclusief de kranslegging op het kerkhof, de tocht langs de boerderij, het stilhouden bij de woning van commissaris Blok en het ontbinden van de stoet op de Varkensmarkt. De film werd met Kerstmis vertoond in bioscoop Van Gelder in Culemborg, 'zonder dat de Burgemeester de vertooning daarvan verbiedt', schrijft commissaris Blok later aan de minister van Justitie.

Wat blijft er nu over van de hooghouding van het gezag?

De procureur-generaal in Arnhem, mr. H.J. van Lulofs Umbgrove, laat er geen twijfel over bestaan wat hij van de demonstratie in Culemborg vindt. In een buitengewoon scherpe brief d.d. 8 januari 1925 veegt hij de vloer aan met de burgemeester: 'Dat hier Uwerzijds een handeling verricht zou zijn uitsluitend met het doel den Commissaris van politie onmogelijk te maken, ik ben er van overtuigd dat dit niet het geval is. Maar overigens kan ik uw beleid in deze en de wijze waarop U het gezag heeft gehandhaafd, allerminst prijzen. Toen U mij vroeg of ik bezwaar had, dat verschillende corporaties op 21 december j.1. een krans mochten leggen op de graven van de Van Wiggens, heb ik U het in Uw schrijven aangehaalde telegram gezonden, in de meening verkeerende dat die kranslegging zou geschieden door één of twee afgevaardigden dier corporaties, dat daarnaast dus slechts door ongeveer een tiental personen zou worden deelgenomen en dat in elk geval geen straatdemonstratie of optocht zou plaats hebben 't geen immers door u geweigerd was. Een kranslegging alleen kan bezwaarlijk worden geweigerd. Het is mij nu gebleken, dat inderdaad toch een demonstratie en optocht door de straten door U is toegelaten en dat de stoet, wat zeker daaraan een zéér demonstratief karakter gaf, langs de woning van den Commissaris van Politie is getrokken, daar zelfs halt gehouden heeft, wat voor dezen uiterst krenkend was. Het plan om een demonstratieve optocht te houden, moet U bekend geweest zijn, zooals trouwens blijkt uit het feit dat U tevoren politiemaatregelen hebt genomen en de Politie tusschen het publiek heeft geloopen, terwijl in strijd met uw verbod "een stoet" zooals U zelf schrijft, door de stad getrokken is, zoowel vóór als na de kranslegging. Waar U geweigerd hadt het houden van een optocht en demonstratie toe te laten en U dit tenslotte toch duldt, daar vraag ik U: wat blijft er nu over van de hooghouding van het gezag. Is dit geweest in Uwe handen of in de handen van de besturen der vakvereenigingen.

Zonder twijfel in handen van de laatsten, terwijl U volkomen lijdelijk gebleven zijt tegen de flagrante overtreding van het door U zelf gegeven verbod. Als dit nu hooghouden van het gezag beteekent, dan begrijp ik er niets meer van. Zeker het is mij maar al te goed bekend dat er tegenwoordig maar al te veel Burgemeesters zijn, die het gezag slechts handhaven omdat zij het niet durven tegenover sociaaldemocratische vakvereenigingen, wier gezag zij ondergaan, in plaats hen hun gezag te doen ondergaan, maar hier is dan toch wel op zéér duidelijke wijze gebleken dat men tegen Uwen verklaarden wil zijn wil heeft doorgezet en dat U daartegen niets heeft gedaan.'

Zijn optreden tegen den rooden politiebond

'Uw optreden mag dan volgens de courant tactisch geweest zijn, voor het gezag was het zonder twijfel fnuikend. U hadt waar U wist dat Uw verbod zou worden overtreden, daartegen Uwe maatregelen moeten nemen en zoo noodig den stoet die zich in strijd met Uw verbod door de stad bewoog met geweld uit elkaar moeten jagen, waarvoor ik U, wanneer het U aan de noodige manschappen zou hebben ontbroken, Rijkspolitie, desnoods bereden Marechaussees ter beschikking zou hebben gesteld. Thans is er niets geschied en heeft U zelfs niet gepoogd te verhinderen dat mede in strijd met Uw uitdrukkelijk verbod toch een toespraak gehouden is. In alle opzichten heeft het gezag het droevig afgelegd. U weet zeer goed hoe ik over den Commissaris van Politie denk en over de zeer ernstige fout die door hem in de moordzaak begaan is, alsmede over zijne ongeschiktheid ook in andere opzichten betoond, maar dat kan geen reden zijn voor U als hoofd der Politie toe te laten, dat hij in zijn gezag op dergelijke wijze wordt gehoond. De Regeering zal tenslotte te beslissen hebben wat er met den Commissaris geschieden moet, maar u begrijpt wel dat men het haar zéér moeilijk maakt, omdat zij toch bezwaarlijk voor dergelijke demonstraties uit den weg kan gaan, zijnde deze niet het gevolg van een gekrenkt rechtsgevoel, maar de oorzaak van den haat waarmede men dezen ambtenaar vervolgt, gelegen is in zijn optreden tegen den zg. rooden politiebond. Dat de van Wiggens vermoord zijn, kan den vijanden van den Commissaris natuurlijk absoluut niets schelen. Aan Uw eerlijke bedoelingen wil ik geenszins twijfelen en ik wil ook gaarne toegeven, dat de wijze van optreden van den Commissaris jegens U niet altijd correct en behoorlijk is geweest, maar dat deze zich gegriefd acht omdat U een dergelijke tegen hem ondernomen demonstratie niet belet, is ook wel te begrijpen. Zoolang hij in zijn ambt gehandhaafd blijft, heeft U als hoofd der Politie er tegen te waken, dat hij niet door straatbetooging als nu te Culemborg heeft plaats gehad wordt gehoond en zijn gezag wordt aangerand door de volksmenigte, die gelukkig, want zoover zijn wij in Nederland nog niet, hier niets te beslissen heeft. Tenslotte moge ik U nog doen opmerken, dat kenschetsend voor de averechtse gezagsbegrippen die te Culemborg schijnen te heerschen is de zinsnede in het rapport van den Inspecteur van Politie Dortland, dat hij aan een deel van het politiepersoneel heeft opgedragen zich "in burger" te kleeden, daar het zien van de uniform, mogelijk aanstoot zou geven tot ongeregeldheden. Dit is wel zéér teekenend. De procureur-generaal, fd. Directeur van Politie.'

Physieke toestand en geschokt zenuwgestel

Het is de commissaris van de Koningin in Gelderland, Jhr. Van Citters, die in een brief van 14 januari 1925 uitvoerig ingaat op hetgeen de procureur-generaal hem enkele weken eerder heeft geschreven met betrekking tot de burgemeester van Culemborg en commissaris Blok. Na te hebben opgemerkt dat de burgmeester bij sommige gelegenheden 'inderdaad de grenzen van tact en beleid eenigermate te buiten is gegaan', wijst Jhr. Van Citters erop dat 'de rechtvaardigheid' vereist dat 'ten volle rekening wordt gehouden met zéér moeilijke omstandigheden' waarvoor de burgemeester het laatste jaar is komen te staan.

Hij noemt in dat verband 'de beroering die het mislukte onderzoek in de bekende moordzaak' onder de bevolking van Culemborg teweeg heeft gebracht, de 'volslagen onbekwaamheid' van Blok die daarbij aan het licht is gekomen, en voorts 'de gedesorganiseerde toestand van het politiecorps', dat alle vertrouwen in commissaris Blok heeft verloren. Jhr. Van Citters acht het begrijpelijk dat onder die omstandigheden de burgemeester 'zich hier en daar een woord heeft laten ontvallen of zich tot eene handeling heeft laten verleiden' welke beter achterwege had kunnen blijven. Ook heeft hij er begrip voor dat de burgemeester een enkele maal 'en dat niet op ernstige wijze' in de vervulling van zijn taak tekort is geschoten. 'Slechts een zéér superieure persoonlijkheid zou zich m.i. uit dergelijke omstandigheden, zonder ook maar in het geringste te falen, hebben kunnen uitredden.' In zijn brief gaat Jhr. Van Citters ook uitvoerig in op de gebeurtenissen in Culemborg tijdens de demonstratie van 21 december. Hij schrijft onder meer: 'Het is echter te betreuren, dat, nadat de kranslegging in goede orde was afgeloopen en de menigte zich stadwaarts had begeven, van de pui van het Raadhuis door een der aanwezigen eenige woorden tot de menigte zijn gesproken. De Burgemeester zegt deze overtreding van zijne voorwaarden tot zijn spijt niet te hebben kunnen voorkomen, vooreerst doordat het spreken zeer kort duurde en het feit geschied was, voordat de politie kon ingrijpen.' Opmerkelijk en vooral illustratief voor de tijd waarin het zich allemaal afspeelde: 'Bedenkelijker dan dit voorval, dat geene verdere gevolgen had en dat inderdaad door de genoemde omstandigheden kan zijn veroorzaakt, acht ik het, dat, toen naderhand in de bioscoop te CULEMBORG eene film van de gebeurtenissen op 21 December werd vertoond, de Burgemeester niet heeft verhinderd, dat ook het gedeelte van de film hetwelk betrekking had op bovengenoemde aanspraak voor het Raadhuis, mede aan het publiek werd vertoond. Van het standpunt van den Burgemeester, dat de kranslegging op zich zelf geene met de openbare orde strijdige handeling opleverde, was er geen aanleiding de geheele filmvertooning te verbieden, doch m.i. had hij uit de film moeten verwijderen, datgene, wat herinnerde aan eene inbreuk op de van zijnentwege gegeven politie-voorschriften. De Burgemeester, hierover door mij onderhouden, betuigde zijn leedwezen, dat hij daaraan niet had gedacht.' Aan het slot van zijn brief betoogt Jhr. Van Citters dat hij er weinig vertrouwen in heeft dat de 'verstoorde samenwerking' tussen de burgemeester en commissaris Blok 'na alles wat is voorgevallen, ooit weer zal kunnen worden hersteld'. Voorts vraagt hij zich af of de 'physieke toestand en geschokt zenuwgestel niet voldoende termen opleveren' om Blok op grond daarvan te ontslaan. Aan de 'vrijwel onhoudbare toestand op het gebied der politie' in Culemborg 'moet' naar de overtuiging van Jhr. Van Citters een einde komen. 'Moge in het nieuwe jaar, zoo spoedig mogelijk orde gebracht worden in den politionelen chaos,' zo schreef de Nieuwe Culemborgse Courant op de laatste dag van het jaar 1924. Niets zal de komende jaren helaas blijken minder waar te zijn.

Weerzinwekkende vertoning

Precies één jaar na de demonstratie werd de bevolking van Culemborg andermaal opgeroepen om, nu op zondag 20 december 1925, aan de vermoorde Van Wiggens 'een stillen eerbiedigen groet te brengen'. Het Nieuwsblad van Culemborg hierover d.d. 16 december van dat jaar: 'Het is duidelijk dat deze zogenaamde stille groet aan de twee jaar geleden vermoorden maar bijzaak is en dat de hoofdzaak is de bedoeling weer eens opnieuw een luidruchtig relletje tegen den Commissaris van politie op touw te zetten.' In dit artikel wordt de voorgenomen demonstratie een 'holle vertoning' genoemd. Voorts merkt de krant op dat om het geheel 'nog wat schijn van betekenis te geven, de keuze van het uur der bijeenkomst heel slim' is geweest: 'Om 12 uur immers gaat juist de katholieke kerk uit en zullen de kerkgangers zich vanzelf onder de betoogers vermengen en allicht meelopen omdat er wat te doen is, zoodat de schijn van een indrukwekkende stoet notabene nog verkregen kan worden.' Ten slotte spreekt de krant onbegrip uit voor het feit dat de burgemeester de demonstratie niet heeft verboden. Dat laatste blijkt achteraf toch niet juist te zijn. Op zeer nadrukkelijk aandringen van de commissaris van de Koningin heeft de burgemeester van Culemborg op het laatste moment de voorgenomen demonstratie alsnog verboden. Een opgelucht Nieuwsblad van Culemborg op 23 december 1925: 'De comedie is zondag niet doorgegaan. Wij zijn verschoond gebleven van de weerzinwekkende vertoning, dat een stille groet aan twee ongelukkig vermoorde mensen misbruikt zou worden tot iets, wat wij niet anders dan een revolutionaire daad kunnen noemen. Een demonstratie tegen een ambtenaar, die de regeering handhaaft en dus een demonstratie tegen de Regeering. Het verheugt ons dat de fout van verleden jaar zoo'n revolutionaire daad toe te staan, dit jaar tenminste niet herhaald is.'


DE ACTIVITEITEN VAN DE AMSTERDAMSE CENTRALE RECHERCHE

Ook de Amsterdamse recherche heeft vanaf ongeveer medio 1924 tot in de tweede helft van 1926 een belangrijke rol gespeeld bij het onderzoek naar de daders van de Culemborgse roofmoord. Het ging daarbij om twee los van elkaar staande en op verschillende vermeende daders gerichte onderzoeken. Het eerste onderzoek, dat in juli 1924 op een informele basis was begonnen, resulteerde in april 1925 in de arrestatie van de Culemborger Klaas van Wiggen jr., een neef van de vermoorde Van Wiggens. Het tweede onderzoek begon omstreeks januari 1926 en richtte zich op twee, niet in Culemborg wonende verdachten, Jan Vroege en Claas Sweeris. Deze mannen werden medio april 1926 gearresteerd en in 1927-'28 berecht. Ik zal de gang van zaken in beide onderzoeken in chronologische volgorde belichten.


HET ONDERZOEK TEGEN KLAAS VAN WIGGEN JR.

In juli 1924 kreeg de Amsterdamse Centrale Recherche van 'terzijde' een tip dat de moord in Culemborg gepleegd zou zijn door 'een neef' van de vermoorde Van Wiggens. Deze neef zou in onmin met de slachtoffers hebben geleefd en zodoende zijn onterfd. Hij zou de nodige informatie hebben gekregen van een knecht die bij of in de nabijheid van de Van Wiggens werkzaam was geweest. Deze knecht zou tevens de persoon zijn die enkele dagen voor de moord het vee in de stal van de Van Wiggens had losgemaakt. Vóór de moord zou de bewuste neef steeds geld hebben geleend van zekere Hoytema uit Culemborg, maar nu zou hij zich plotseling 'goed kunnen redden'. Later had de Amsterdamse recherche van dezelfde 'terzijde' vernomen dat die op zijn/haar beurt de informatie had verkregen van Johanna van Kalkeren, die nu woonachtig was in Amsterdam, maar die geruime tijd in Culemborg zou hebben gewoond. Mejuffrouw Van Kalkeren zou het niet zo nauw nemen met de zeden, en in haar Amsterdamse woning geregeld heren ontvangen uit onder meer Culemborg. 'Dit alles sterkte ons in het vermoeden, dat zij wel meer van den moord zou kunnen weten, althans gehoord,' aldus het desbetreffende proces-verbaal. De Amsterdamse recherche besloot een gesprek met haar aan te gaan. Zij werd naar het hoofdbureau ontboden 'onder het motief inlichtingen te geven omtrent een Duitse vrouw, die bij haar gewoond had'. Juffrouw Van Kalkeren bleek nog familie in Culemborg te hebben, en had de Van Wiggens heel goed gekend. Over de moord beweerde zij niets te kunnen zeggen. Enige tijd later had rechercheur Kuiper een gesprek met haar in haar woning, waarbij de rechercheur andermaal de moord ter sprake bracht. Bij die gelegenheid had juffrouw Van Kalkeren tegen Kuiper gezegd dat de politie in Culemborg maar eens bij de familie moest zoeken. Bij weer een volgende gelegenheid, en wel na de arrestatie van Haveman, had Van Kalkeren zich tegenover de Amsterdamse rechercheur uitgelaten in termen van: 'Nu hebben zij de rechercheur aangehouden en die is geheel onschuldig, die suffers; ik weet dat er menschen in Culemborg wonen, die op het punt hebben gestaan om de politie te waarschuwen dat ze de verkeerde hadden.' De vrouw bleef er overigens bij niets van de moord af te weten. Hierna, waarschijnlijk in augustus 1924, had rechercheur Kuiper een gesprek met de Culemborgse arts Hocke Hoogenboom en met de directrice van het Algemeen Ziekenhuis daar, mevrouw Prinsen. Kuiper kreeg van deze getuigen te horen dat Gerrigje van Wiggen, toen zij na de overval in het ziekenhuis werd behandeld, onder meer had geroepen 'Klaas, Klaas'. De Amsterdamse recherche had al deze informatie reeds op 13 augustus 1924 ter kennis gebracht van de justitie in Tiel, maar had daar toen te horen gekregen dat een en ander op dat moment niet paste 'in de richting van het onderzoek welke werd uitgewerkt'.

Toon, jaag ze weg met je mes

Hoe het precies in elkaar zat met de uitroep van Gerrigje 'Klaas, Klaas' en hoe de naam van Klaas van Wiggen jr. voor het eerst was opgedoken, kan het beste worden afgeleid uit een door commissaris Blok opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 oktober 1924-Mevrouw Prinsen verklaart dan tegenover Blok:

(...) Onderweg naar het ziekenhuis met de brancard waarin vrouw van Wiggen lag, kwam ik vrouw Verrips huilende en jammerende tegen. Zij vroeg mij ter plaatse haar tante te mogen zien, hetgeen ik weigerde en haar naar het ziekenhuis verwees. (...) Ik herinner mij nog dat op woensdag 26 December 1923 des morgens toen vrouw van Wiggen nog leefde, haar nicht, vrouw Verrips voornoemd, in de ziekenhuiskamer werd toegelaten en haar tante zag, die denzelfden dag nog overleed. Deze vrouw Verrips kwam steeds naar haar tante vragen en bij een dezer bezoeken heb ik haar gevraagd of er onder haar bekenden of familie ook een zekere Klaas was omdat het de aandacht getrokken had dat vrouw van Wiggen toen zij in het ziekenhuis lag en zij behandeld werd zij op verwijtende toon, doch duidelijk verstaanbaar, Klaas, Klaas zeide. Zij maakte tijdens deze behandeling afwerende bewegingen. Zij vloekte, trachtte te bijten en te krabbelen, waardoor ik het idee kreeg dat zij nog dacht dat zij door haar aanranders werd mishandeld. Ook zeide zij goed hoorbaar, "Toon jaag ze met hun beiden weg met je mes." Toen ik zulks vrouw Verrips vroeg antwoordde zij zonder zich te bedenken "dan is dat Klaas, die ook een neef van ons is en die het niet goed met die oude menschen kon vinden en met hen overhoop lag, omdat die bang was dat hem de erfenis zoude ontgaan." Ook herinner ik mij dat vrouw Verrips zeide dat die Klaas kort te voren woorden gebezigd had die een bedreiging tegen die oude menschen inhielden. Vrouw Verrips zeide dat die Klaas een neef der oude menschen was en aan den dijk woont. Ik kreeg den indruk door deze mededeelingen dat Klaas aan dat geval niet vreemd zoude kunnen zijn en ik verwachtte zijn aanhouding elken dag. Ik geloof niet dat Klaas aan het ziekenhuis is geweest om zijn tante te bezoeken, doch zeker weet ik het niet. Ik heb over deze verklaring met niemand anders gesproken dan met dokter Hocke Hoogenboom voornoemd en met het verplegend personeel. Ik heb geloof ik, deze verklaring niet ter kennis gebracht van het Parket, toen het destijds in het ziekenhuis was. (...)' Mevrouw Prinsen eindigt haar verklaring met de mededeling dat zij enkele maanden eerder, zij meende in augustus, het verzoek van dokter Hoogenboom kreeg om even bij hem aan zijn woning te komen. Daar bleek toen de Amsterdamse rechercheur Kuiper te zitten, die haar had verteld 'in Amsterdam een draad gevonden' te hebben in relatie tot de Culemborgse moordzaak. Aan Kuiper had zij toen dezelfde verklaring afgelegd.

N.B. Waarom mevrouw Prinsen destijds (december 1923) een en ander niet aan het Tielse parket heeft kenbaar gemaakt, kan uit de stukken niet worden opgemaakt.

Een betrekking als tuinman

De zaak liet de Amsterdamse recherche intussen echter bepaald niet los, hetgeen met name kan worden afgeleid uit een briefkaart die de chef van die Centrale Recherche, commissaris E.J. Pateer, op 4 november 1924 aan 'Amice Blok' schreef:

'Sedert eenige dagen reeds ben ik met verlof, hetwelk duurt tot begin volgende week. Zoodra ik weer aan het bureau kom, zal ik met Kuiper nader bespreken hoe te handelen met die vrouw Kalkeren. Deze heeft hij reeds meermalen gesproken, doch hij komt er niet verder mee. De verklaringen in het pvb [het vermoedelijk hierboven aangehaalde proces-verbaal van Blok, JAB] zijn wel interessant en zoo men zou zeggen wijzen die uitlatingen der betreffende vrouw wel enigszins in de richting dier besproken familieleden. Voorzover ik kan nagaan berust alles echter nog op "conclusies" en op "On dits" [geruchten, JAB] eenig bewijs is er nog niet. Het ware te wenschen dat we nog eens tot goed resultaat konden komen, dan zouden al die vervelende praatjes makers heel raar op den neus kijken. Het is hier echter een bijzonder moeilijk geval aangezien er niets is achtergebleven en de beide slachtoffers geen enkele mededeeling hebben kunnen doen. Enfin, we zullen het mogelijke doen. Ik gaf Kuiper reeds opdracht intusschen enkele kleine voorlopige dingen te onderzoeken voordat ik terugkom. Met collegiale groeten, Pateer'

Begin april 1925 kreeg commissaris Pateer van het Parket in Tiel het officiële verzoek het onderzoek ter hand te nemen. Inspecteur J.F. van Slobbe en rechercheur F.H. Kuiper kregen vervolgens van Pateer de opdracht 'een vanuit Amsterdam aangegeven richting te gaan uitwerken'. In een na afloop van dit onderzoek aan de minister van Justitie gerichte brief van 30 mei 1925 schrijft commissaris Pateer onder meer dat genoemde politiemannen gedurende ongeveer vier weken in Culemborg en omgeving onderzoek hebben gedaan. N.B. Hij vervolgt:'(...) en deed ik bovendien den brigadier-rechercheur E. Hommes een betrekking als tuinman aldaar aanvaarden, opdat deze langs andere dan officieele wegen, een onderzoek zou kunnen instellen, doch had dit laatste geen gewenscht gevolg.'

Dat het wel blijdschap kon zijn

Alvorens het onderzoek in Culemborg aan te vangen werd Johanna van Kalkeren op 4 april 1925 door commissaris Pateer bij proces-verbaal gehoord. Zij verklaarde dat zij naar aanleiding van krantenberichten over de moord in Culemborg wel eens met deze en gene over de zaak had gesproken. Daarbij had zij zich mogelijk ook wel eens laten ontvallen dat het niet onmogelijk was dat een van de familieleden van de Van Wiggens aan de moord schuldig zou kunnen zijn, 'zoals wel meer gebeurt'. 'Nimmer echter kan ik in mijn uitlatingen positief zijn geweest om de eenvoudige reden, dat ik er absoluut niets van weet, noch heb gehoord,' aldus mejuffrouw Van Kalkeren. Gedurende hun onderzoek in Culemborg richtten de Amsterdamse rechercheurs al hun aandacht op Culemborgers die iets zinnigs zouden kunnen verklaren over de in een boerderij aan 'de Waard' bij de Lekdijk wonende Klaas van Wiggen sr. en diens drie zonen Klaas, Jan en Karel. De weiden van de boerderij grenzen aan die van de slachtoffers. Van veilingmeester Hendrik Verrips en diens echtgenote 'vrouw Verrips' over wie getuige Prinsen in haar verklaring van 25 oktober tegen Blok spreekt, vernamen de rechercheurs dat de spanningen tussen de beide families Van Wiggen vooral ook veroorzaakt waren doordat de vermoorde Toon nogal slordig was in afzettingen. Zodoende was het vaak voorgekomen dat het vee overliep naar de aangrenzende weide van Klaas van Wiggen. Ook wisten zij te vertellen dat 'Gerrigje' wel eens had gezegd dat zij 'Klaas zou onterven'. Een andere getuige, Jacob Boskamp, had vlak voor diens dood van een zekere Langenberg gehoord wie de daders waren: Haveman en Klaas van Wiggen. Toen de rechercheurs de weduwe van Langenberg benaderden, bleek die van niets te weten. Verschillende getuigen verklaarden op de avond van zondag 23 december 1923 zoon Jan van Wiggen op de Achterweg te hebben zien lopen. Al met al boden de afgelegde verklaringen weinig houvast. Aan suggestieve uitspraken bestond overigens geen gebrek. Zo verklaarde een getuige die 'vooralsnog onbekend' wenste te blijven 'dat zijns inziens niemand anders dan Klaas van Wiggen jr. de dader van de moord kan zijn'. Waarom hij dat dan dacht, vermeldt het verhaal niet. Een andere getuige, die al evenzeer de wens te kennen had gegeven 'onbekend' te blijven, had van derden vernomen dat 'die er niet vreemd van zouden opzien, indien zij vernamen dat Klaas jr. meer van de moord zou afweten'.

Weer een andere getuige, J. Schaik 'bij wie de familie Van Wiggen al jaren klompen koopt', wist de rechercheurs te vertellen dat hij al direct na de moord verdenking had gekregen op Klaas van Wiggen jr.: 'Nu ik verneem dat de vermoorde vrouw voor haar sterven het woord "Klaas" geroepen heeft, kan dit slechts mijn verdenking bevestigen.' Ook twee politiemannen van het Culemborgse korps legden tegenover hun Amsterdamse collega's een verklaring af die Klaas van Wiggen jr. als verdachte in beeld bracht. Zo zei rechercheur Van Bergen Henegouwen dat hem op de dag van de moord tijdens het onderzoek op de plaats delict was opgevallen 'dat Klaas van Wiggen jr. en sr. erg zenuwachtig waren en deden, zonder dat ik daarvoor een verklaring kon vinden'. De rechercheur voegde er aan toe dat hij over een en ander had gesproken met Verrips, die daar eveneens aanwezig was, 'en deze meende dat het wel blijdschap kon zijn, omreden zij nu heel onverwachts nog het grootste deel van de nalatenschap zouden krijgen'. 'Ook den agent Van Vliet is hunne zenuwachtigheid opgevallen. Bedoelde agent bevestigde zulks,' aldus het Amsterdamse proces-verbaal. N.B.

Amsterdammers op het goede spoor

Per saldo bleef Nicolaas 'Klaas' van Wiggen jr. voor de Amsterdamse rechercheurs klaarblijkelijk toch een potentiële verdachte. Op 28 april 1925 brachten zij een bezoek aan de boerderij van de familie Van Wiggen 'ten einde een indruk te krijgen'. In hun proces-verbaal vermeldden zij in dat verband dat zij verzocht had om met Klaas alleen te mogen spreken, maar dat hun dat slechts enkele ogenblikken werd toegestaan, waarna de rest van de familie luidruchtig de kamer binnen was gekomen. 'Jullie verdenken toch zeker mijn zoon niet,' had de moeder van Klaas geroepen.

Het proces-verbaal vervolgt: 'De houding van Klaas jr. kwam ons zeer vreemd voor; hij staarde slechts voor zich uit en antwoordde met moeite. Wanneer hij scheen te voelen dat wij in zijn richting dachten, verklaarde hij met veel nadruk toch een alibi te hebben. Toen ik daarbij te verstaan gaf, dat een alibi slechts reden van bestaan heeft, indien vaststaat op welk tijdstip de moord heeft plaats gehad en ik betwijfelde of het tijdstip tussen 6 en 8 uur n.m. wel juist was, kreeg ik met veel stemverheffing van de geheele familie te horen, dat dit toch door den professor uit Leiden was uitgemaakt. Verder dreven zij het steeds de richting van Haveman uit. Aan Marinus en Toon Boogerd, die vlak naast de Van Wiggens wonen en met deze omgaan, verzochten wij te willen nagaan, welke indruk ons bezoek aldaar had achtergelaten en hetgeen zich eventueel in verband daarmede zou kunnen voordoen.', zo eindigt dit proces-verbaal van 3 mei 1925.

Tijdens een daags tevoren gevoerd overleg met de officier van justitie en de rechter-commissaris werd besloten Klaas van Wiggen jr. op 5 mei 1925 te arresteren. 'Om onnoodig vertoon te vermijden' lieten de Amsterdammers hun Culemborgse collega rechercheur Van Bergen Henegouwen Klaas jr. ontbieden naar de Achterweg. Nadat de rechercheurs daar ongeveer anderhalf uur tevergeefs hadden gewacht, stuurden zij Van Bergen Henegouwen opnieuw naar de boerderij om te vragen waar hij bleef. 'Hij komt niet, wij zijn geen knechtjes van die kerels, zij wel van ons, als zij wat van hem willen, moeten zij maar komen,' zo luidde de boodschap die de Culemborgse rechercheur even later deponeerde bij zijn Amsterdamse collega's die op de Achterweg wachtten. Die restte nu niets anders dan zelf naar de boerderij te gaan, waar zij een gesprek hadden met de moeder van Klaas jr. Toen die op zeker moment de aan de buitenzijde gesloten schuurdeur opendeed, 'kwam Klaas jr. daaruit te voorschijn en deed hij zeer angstig. Op luide toon gaf zijn moeder vervolgens te kennen dat Klaas niet mee zou gaan. Wij oefenden alstoen eenige druk op haar uit en deden uitkomen dat wij Klaas op het bureau moesten horen (wij oordeelden het beter gezien hun recalcitrante houding, niet tot daadwerkelijke aanhouding over te gaan).' Nadat Klaas jr. had beloofd aan het bureau te zullen verschijnen, vertrokken de rechercheurs om hem vervolgens ergens boven aan de Lekdijk op te wachten. Toen Klaas jr. daar even later per fiets aankwam, hielden zij hem aan. Bij fouillering vonden zij 51½ cent en een exemplaar van De Arbeid van 2 mei 1925. 'Na in kennis gesteld te zijn van de aanhouding ontroerde hij zichtbaar. Ik ben onschuldig, ik heb een alibi,' aldus Klaas jr. tegenover de Amsterdamse rechercheurs. Hij werd op 7 mei 1925 aan de rechter-commissaris in Tiel voorgeleid. In hun proces-verbaal vermeldden de Amsterdamse rechercheurs hun tegenover de officier van justitie geuite mening 'dat bij voorlopige aanhouding [in bewaringstelling, JAB| getracht zou kunnen worden meerdere gegevens te verzamelen, nu het publiek inmiddels te weten zou zijn gekomen, wie als vermoedelijke dader was aangehouden'.

Op het departement van Justitie was men kennelijk nogal optimistisch over het verdere onderzoek, getuige een kanttekening van een hoge ambtenaar op het door commissaris Pateer aan de minister toegezonden begeleidend schrijven bij de afschriften van de opgemaakte processen-verbaal: ik heb de processen verbaal nogmaals goed doorgewerkt. De indruk wil mij niet verlaten, dat de Amsterdammers op het goede spoor waren. Het onderzoek moet uiteraard vollediger worden. Verschillende personen zijn er onder de verhoorden, die wellicht voor een goede rechter-commissaris meer zullen loslaten. Is het niet merkwaardig, dat we over dit onderzoek, de beëindiging en resultaten daarvan door den PG en door Tiel totaal in onwetendheid zijn gelaten?' Een potloodaantekening van de hand van secretaris-generaal dr. Collard op het omslag van het 'Culemborg-dossier' luidt: 'Het Amsterdamse rapport bevat zeer veel, dat verdenking rechtvaardigt; daarom is het heel vreemd dat, voorzover wij weten, de Tielsche RC zo merkwaardig snel de zaak in verband met Kl.v.W. [Klaas van Wiggen, JAB] heeft weten af te wikkelen met negatief resultaat!'

Deze aanhouding stellig ontraden

De advocaat-generaal in Arnhem, mr. Cnopius, laat over de zaak echter een heel ander geluid horen. Op 6 juni 1925 wijst hij de minister van Justitie op het feit dat de Culemborgse politie reeds in oktober 1924 van Michiel Teunis de Zaayer had gehoord omtrent het alibi van Klaas van Wiggen jr. Voorts roept hij in herinnering het verhoor dat commissaris Blok op 25 oktober 1924 had afgenomen van de directrice van het Algemeen Ziekenhuis, mevrouw Prinsen, op basis waarvan Klaas van Wiggen jr. als verdachte is bestempeld. De advocaat-generaal vervolgt: 'Zonder zoover te gaan, dat ik zou durven volhouden, dat op Nicolaas van Wiggen of op een ander lid uit diens gezin niet de verdenking kan blijven rusten de dader van de moord te zijn, kan ik toch moeilijk medegaan met de blijkbaar zeer ernstige verdenking, die Uwe excellentie in die richting thans schijnt te hebben. De geheele verdenking tegen Nicolaas berust, behalve op losse praatjes en vrij lichtvaardige gevolgtrekkingen, in hoofdzaak op de woorden "Klaas, Klaas". Zeer zeker kunnen die door het slachtoffer uitgesproken woorden eenige vingerwijzing in de richting van een vermoedelijken dader geven, maar daarnaast wordt bij deze verdenking steeds - al of niet opzettelijk - vergeten, dat dit zelfde slachtoffer op een ander oogenblik heeft gezegd "ik ken de smeerlappen niet".' Mr. Cnopius wijst er nadrukkelijk op dat het beter ware geweest wanneer men meer aandacht had besteed aan het op basis van 'verschillende omstandigheden' vastgestelde tijdstip waarop de overval op de Van Wiggens was gepleegd, zulks in verband met het alibi van Klaas van Wiggen jr. Ook verwijst de advocaat-generaal in ditzelfde verband naar het feit dat Pikkie van Vuuren in 1924 bijna een half jaar in voorarrest had gezeten, terwijl hij, indien het tijdstip waarop het feit was gepleegd klopt, 'een deugdelijk alibi had gehad'. 'Ik heb het dus als een groote fout, en als een gemis aan behoorlijk inzicht beschouwd, dat men Nicolaas van Wiggen is gaan aanhouden, op niet meer bewijs (of eigenlijk vermoeden) dan men blijkens de hierbij gaande processen-verbaal had. Te meer was dit onhandig, nu men reeds een paar malen iemand had aangehouden als de dader van den moord in Culemborg, dien men ook weer had los moeten laten.' Hij vervolgt: '(...) ja zelfs kreeg ik bij het gesprek met de rechercheurs den indruk, dat degenen, die hier de leiding en uitvoering hebben gehad, de geheele zaak met alle bijzonderheden niet behoorlijk in gedachten hebben gehad.' Mr. Cnopius wijst erop dat het in het onderzoek 'tactvoller' zou zijn geweest wanneer men Klaas van Wiggen jr. in de waan had gelaten van diens alibi en men vervolgens om hem heen had gerechercheerd, om zodoende eventueel vat te krijgen op zijn uitgaven en die van zijn familie. Bovendien had men dan ook de mogelijkheid van een onjuist alibi moeten onderzoeken. Wanneer op die wijze de verdenking tegen hem zou zijn toegenomen en men een en ander 'positief' jegens hem kon tegenwerpen, had men naar de inzichten van de advocaat-generaal de actie tegen hem moeten beginnen. Hij besluit: 'Nu kan ik de strafvervolging gelijk deze gevoerd is tegen Nicolaas van Wiggen niet anders beschouwen dan een der vele onhandigheden die in de "Culemborgse moordzaak" door de Tielsche Justitie or met goedkeuring daarvan, zijn verricht. Was mijn oordeel destijds gevraagd, zoo had ik deze aanhouding stellig ernstig ontraden.' De procureur-generaal laat de minister ook nog weten dat de rechter-commissaris hem 'juist heden' heeft geschreven voorlopig niets meer in de zaak Klaas van Wiggen jr. te kunnen verrichten. Klaas van Wiggen jr. werd al spoedig na zijn arrestatie en verhoor door de rechter-commissaris in vrijheid gesteld. Ook deze fase van het onderzoek eindigde voor de politie bij af.


HET ONDERZOEK TEGEN JAN VROEGE EN CLAAS SWEERIS

Het feit dat de zaak tegen Klaas van Wiggen jr. geheel op drijfzand was gebouwd en derhalve gedoemd was op zeker moment te mislukken, was voor de Tielse justitie klaarblijkelijk geen bezwaar begin januari 1916 andermaal de assistentie van inspecteur Van Slobbe en de rechercheurs Kuiper en Hommes - laatstgenoemde thans niet als 'tuinman' - in te roepen. Directe aanleiding daartoe was een bij de officier van justitie in Tiel binnengekomen rapport van de jachtopziener C.C. Kool waarin de 63-jarige Jan Vroege, woonachtig in Amsterdam, als de vermoedelijke dader van de Culemborgse moord werd aangewezen. De informatie die Kool had opgedaan was afkomstig van Floor Sweeris [de vader van de toen in het geheel nog niet als verdachte in beeld zijnde Claas Sweeris, JAB].

Floor Sweeris beweerde dat Jan Vroege destijds aan hem het voorstel had gedaan bij de Van Wiggens, 'die veel geld in huis hadden', in te breken. Vroege, die ter plaatse goed bekend zou zijn, had bovendien aan Sweeris sr. verteld dat de diefstal gemakkelijk zou zijn te plegen 'omdat de bewoners door het losmaken van het vee spoedig naar buiten waren te lokken'. Floris Sweeris, die vroeger veel samen met Vroege had gestroopt, had echter geweigerd. Kort na dit voorstel had Vroege enige tijd in de gevangenis gezeten wegens abortus [Jan Vroege had de bijnaam 'Jan de dokter', JAB]. Begin 1923 was hij uit de gevangenis ontslagen. Toen in december 1913 de moord op de Van Wiggens was gepleegd, had Floris Sweeris direct aan Jan Vroege gedacht, die toen nog in het Trichtse Veld woonde. Sweeris had zijn verhaal niet eerder willen vertellen daar Vroege meer van hem wist, maar hij had gehoord dat deze strafbare feiten verjaard waren. Bovendien, beweerde Floor Sweeris, was hij ook 'door den godsdienst' tot ander inzicht gekomen. Vroege was enige tijd na de moord naar Amsterdam verhuisd en daar getrouwd met een tweeëntwintig jaar jongere vrouw, die volgens Sweeris een verleden als prostituee had.

Claas, laat me los

Toen de Amsterdamse rechercheurs in januari 1926 aan hun nieuwe opdracht in de Culemborgse moordzaak begonnen, en zich daarbij op Jan Vroege concentreerden, geraakten zij al spoedig 'op het spoor van een abortusgeval'. Vroege werd voor deze zaak gearresteerd en in voorlopige hechtenis genomen. Vervolgens doken de rechercheurs wat dieper in de achtergronden van de familie Sweeris, waarbij men op zeker moment ook op Claas Sweeris terechtkwam. Een in Delft wonende zuster van Claas en haar echtgenoot legden de verklaring af dat Claas Sweeris kort voor de moord had verteld 'dringend' ƒ 800,00 nodig te hebben omdat anders zijn huis zou worden verkocht. Een week na de moord was Claas weer bij zijn zuster op visite geweest, 'geheel in het nieuw gestoken ontdaan van zijn knevel'. Toen zij nieuwsgierig naar een en ander informeerde had Claas 'ontwijkende antwoorden' gegeven. Daar kwam nog wat anders bij. Zijn zuster had hem ook gevraagd of hij iets van de Culemborgse moord wist, 'omdat hij uit die buurt kwam'. Claas had daarop gezegd 'wel te weten wie de daders waren'. Daarna was hij, 'vermoedelijk door haar in het nauw gedreven', niet meer bij zijn zuster op bezoek geweest. Van alle ongeveer vijftien door de Amsterdamse rechercheurs gehoorde getuigen bleven er uiteindelijk twee over, die zeer belastende verklaringen tegen Claas Sweeris aflegden. De eerste was een zekere Melis de Smale, die in het huis van bewaring zat, verdacht van een inbraak. De rechercheurs waren erachter gekomen dat deze figuur Claas Sweeris goed kende omdat hij in 1922 enige maanden voor hem had gewerkt. De twee hadden echter ruzie gekregen omdat Claas Sweeris Smale ervan had beschuldigd het loon van een eveneens bij Sweeris werkende metselaar te hebben verduisterd. Daarop was Smale de laan uitgevlogen.

Met De Smale 'werd aanvankelijk niet over de tegen Claas verkregen aanwijzingen gesproken, doch hem slechts gevraagd, hetgeen hij van hem te vertellen wist', aldus het (latere) rapport van inspecteur Van Slobbe. De rechercheurs die hoopten van Melis de Smale wat nuttige informatie over Claas Sweeris te krijgen, werden daarin geenszins teleurgesteld. Sterker nog, de onthullingen moeten de Amsterdamse dienders als muziek in de oren geklonken hebben. Claas Sweeris had De Smale een keer verteld dat er bij de Van Wiggens aan de Achterweg in Culemborg veel geld te halen was. Bij het bekend worden van de moord - De Smale zelf was toen gedetineerd - had hij onmiddellijk aan Claas Sweeris gedacht. Naderhand had hij met Claas ruzie gekregen over de bekentenis die De Smale had afgelegd over een inbraak die zij samen zouden hebben gepleegd. Toen het tijdens die ruzie tot handtastelijkheden was gekomen, had hij tegen Claas gezegd: 'Claas, laat me los, anders breng ik de moordzaak te Culemborg uit.' Claas had hem losgelaten en hem vervolgens met een revolver gedreigd 'indien hij zijn mond niet zou houden'. Claas Sweeris werd op 15 maart 1926 gearresteerd. Bij huiszoeking vonden de rechercheurs in een afgesloten kist 'een biljet van ƒ 300,00, zeven biljetten van ƒ 10,00, twee ongeladen revolvers, 4 polissen van verzekeringen en een liedje getiteld "De dubbele moord in Culemborg" op de wijze van "De Arme Javaan".' Claas Sweeris, die iedere betrokkenheid bij de Culemborgse moord ontkende, werd in Tiel in voorlopige hechtenis genomen. Jan Vroege, die nog steeds wegens de abortuskwestie gedetineerd was, ontkende eveneens iedere betrokkenheid bij de moord.


PAPIER MET BLOEDVLEKKEN

Bij hun onderzoek in Culemborg naar de relaties en achtergronden van zowel Jan Vroege als Claas Sweeris benaderden de Amsterdamse rechercheurs ook enkele leden van de niet al te gunstig bekend staande familie Collé. Uit hun mond tekenden zij wonderlijke verhalen op die betrekking hadden op ex-rechercheur Haveman. Zo vertelde Collé jr. dat hij, 'toen het openbaar gerucht zich tegen Haveman keerde' eens tegen hem had gezegd: 'Ze komen je vandaag of morgen halen.' Daarop had Haveman gereageerd met de woorden: 'Als ze me halen dan moeten ze er nog een paar bij nemen.' Collé jr. had ook nog een andere mededeling voor de rechercheurs. Op de maandag waarop de moord was ontdekt, was hij 's avonds rond acht uur samen met zijn meisje bij Havekamp thuis op bezoek gegaan. Het was hem opgevallen dat Haveman de hele avond had gezeten 'op een stuk papier, waarop bloedvlekken zaten'. Toen zijn meisje dat later tegenover de politie had verklaard, had de echtgenote van Haveman haar dat zeer kwalijk genomen. Jan Collé was er eens getuige van geweest dat Haveman een 'zenuwtoeval' had gekregen en had uitgeroepen: 'Jan, Jan 't loopt mis.' Zijn vrouw had hem toen door elkaar geschud onder de uitroep: 'Wat ga je nu doen?' Verder was er de verklaring van een getuige die bijna twee jaar na de moord ten huize van mevrouw Haveman, die inmiddels naar Assen was verhuisd, tijdens de reparatie aan een klok daarin een biljet van ƒ 100,00 had gevonden. Dat was hem 'bijzonder vreemd' voorgekomen, 'aangezien vrouw Haveman zich altijd zeer arm voordeed en van ondersteuning moest leven'. Ten slotte was er ook nog de verklaring van 'een persoon' uit Assen, die 'beslist onbekend' wenst te blijven en die, nadat de arrestatie van Vroege en Sweeris bekend was geworden, mevrouw Haveman had horen uitroepen: 'Nu hebben ze den goeden, nu zullen ze zien dat mijn man niet de hoofdschuldige is.' Wat daar verder van zij, na de arrestatie van Claas Sweeris bleek het voorde Amsterdamse rechercheurs 'noodzakelijk de vrouw van Haveman aan een streng verhoor te doen onderwerpen, daar thans wel duidelijk en niet in het minst door de verklaringen van de Collé's was komen vast te staan, dat zij in deze zaak belangrijke verklaringen zou kunnen geven', aldus noteerde inspecteur Van Slobbe later in zijn rapport aan de procureur-generaal in Arnhem.

tekst van het liedje dat door de Amsterdamse rechercheurs bij Claas Sweris is aangetroffen

De oude baas

Op 25 maart 1926 werd mevrouw Haveman onder begeleiding van de Amsterdamse rechercheurs in Tiel voor de rechter-commissaris, mr. W.J. Hofdijk, geleid. Toen zij ontkende iets van de moord op de Van Wiggens af te weten, werd dat door de rechter-commissaris klaarblijkelijk gezien als een weigering om op de gestelde vragen te antwoorden. Het gevolg was dat mevrouw Haveman op grond van artikel 221 van het Wetboek van Strafvordering in gijzeling werd gesteld. Nadat ze enkele dagen in het huis van bewaring had doorgebracht, legde ze op 1 april de volgende verklaring af. Ik heb den indruk dat Blok vóór den moord op de van Wiggens geweten heeft dat er daar zou worden ingebroken, omdat er anders - terwijl er telkens bij de woning van de van Wiggens werd gepost - ook op den avond van den moord daar wel zou zijn gepost. Haveman heeft gezegd dat de van Wiggens met een spade waren neergeslagen. Voor dat Haveman dien avond ging inbreken en ik hem waarschuwde niet te gaan, zeggende "als ze er nog eens langs kwamen - daarmee doelende op de politie - zeide Haveman, dat die dien avond niet zouden komen, want dat Blok ervan wist.' 'Ik moet nadere bijzonderheden weten, anders gaat u niet weg,' luidde de reactie van rechter-commissaris mr. Hofdijk op deze verklaring.

De volgende dag, 2 april 1926, verklaarde mevrouw Haveman, nu in aanwezigheid van Jan Vroege en Claas Sweeris: In 1923, in de zomer en ook in den herfst, hebben Haveman, Sweeris en Vroege, welke beide laatste ik hier aanwezig zie, bij mij aan huis meermalen besprekingen gehouden in mijn tegenwoordigheid om te gaan inbreken bij Thomas en Gerrigje van Wiggen. Den laatsten keer dat zij zulk eenen bespreking hielden, was omstreeks de tweede helft van December 1923 en werd toen afgesproken dat zij met zijn drie-en den volgenden Donderdag zouden gaan inbreken bij van Wiggen; later heeft Haveman mij meegedeeld, dat het dien Donderdag mislukt was. Den Zondag na dien Donderdag, dit was op 23 December 1923 deelde mijn man, nadat ik even van huis was geweest, mij mede dat hij tijdens mijne afwezigheid met Jan Vroege, Claas Sweeris en "de oude baas" had afgesproken, dat zij dien avond bij de van Wiggens zouden gaan inbreken. Ik trachtte mijn man nog te weerhouden doch te ongeveer 9½ uur is hij weggegaan. Dien nacht kwam Haveman na twaalven thuis en zag ik den volgenden dag dat hij een pakje bankpapier wegbergde. Hij zeide dat dat geld afkomstig was van de van Wiggens, dat er ± 20.000 gulden gestolen was, en dat zij het met zijn vieren hadden gedaan. Haveman zeide met "den ouden baas" op den uitkijk te hebben gestaan en dat Sweeris en Vroege den moord hadden gepleegd. Omstreeks den tweeden Zondag na den moord deelde Haveman mij mede, dat hij dien avond bij Blok was geweest en met hem over den moord had gesproken. (...) Ik heb den indruk gekregen dat met "de oude baas" Blok is bedoeld, doch met zooveel woorden heeft Haveman mij dit niet gezegd (...).' Daarmee leek er eindelijk een doorbraak te zijn in het onderzoek naar de daders van de Culemborgse roofmoord.

Begeleid door drie rechercheurs

De korte verklaring die mevrouw Haveman op 1 april had afgelegd, zou een sensationeel vervolg krijgen. Nog diezelfde avond nam rechter-commissaris mr. Hofdijk telefonisch contact op met inspecteur Van Slobbe, aan wie hij opdracht gaf commissaris Blok de volgende morgen tijdig mede te delen dat hij hem die dag, 2 april, te elf uur in zijn kabinet wenste te spreken '(...) zulks in verband met de grooten spoed, welke vereischt was, daar de als getuige gegijzelde weduwe Haveman, die hare verklaring bereids had afgelegd, niet in vrijheid gesteld kon worden alvorens zij met dien commissaris geconfronteerd was. De commissaris was onmiddellijk bereid aan dat verzoek te voldoen en is geheel vrijwillig met voornoemde inspecteur en de beide rechercheurs die in zijn gezelschap waren, naar Tiel gekomen', aldus mr. Hofdijk in een brief van 15 april 1926 aan de procureur-generaal.

N.B. Waarom de rechter-commissaris niet gewoon rechtstreeks met commissaris Blok heeft gebeld met het verzoek de volgende dag naar Tiel te komen, blijft onduidelijk. Mede gezien de kwantitatief niet geringe begeleiding op zijn treinreis naar Tiel door de Amsterdamse rechercheurs - die hem overigens ook van huis hadden afgehaald - kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hier sprake was van een vorm van intimidatie.

Alvorens zich die tweede april met commissaris Blok bezig te houden, verhoorde rechter-commissaris mr. Hofdijk Melis de Smale. Zijn verklaring was kort maar krachtig:

'Ik ben samen met Claas Sweeris vóór mijn arrestatie op 5 Mei 1923 driemaal ten huize van Haveman geweest. Wij spraken daar erover om te gaan inbreken bij de Van Wiggens te Culemborg aan den Achterweg. Haveman gaf bij die gelegenheid te kennen dat wij voor de politie niet bang behoefden te zijn, want dat hij op zeer goeden voet stond met den commissaris Blok en dat hij, Haveman, er reeds met Blok over had gesproken en dat die wist dat er iets zou gaan gebeuren; dat hij Haveman, den dienst van de politie had te regelen, zoals hij dat wilde.'

Bij aankomst in het gerechtsgebouw in Tiel wordt commissaris Blok tot zijn niet geringe verbazing en ergernis door de Amsterdamse rechercheurs gefouilleerd. Rechter-commissaris mr. Hofdijk daarover in eerder genoemde brief: 'Voor het verhoor heb ik de inspecteur Van Slobbe verzocht zich in de getuigenkamer te overtuigen of de commissaris een revolver bij zich had en zoo ja, hem die af te nemen, zulks uit voorzichtigheid teneinde eene eventueele poging tot zelfmoord te voorkomen. De aanwijzingen toch welke tegen den commissaris waren verkregen, waren voor hem zeer bezwarend en de ervaringen met wijlen Haveman opgedaan, gebood ook op dit punt de vereiste voorzorgsmaatregelen in acht te nemen.' Hierna wordt Blok door de rechter-commissaris geconfronteerd met mevrouw Haveman. In aanwezigheid van de commissaris verklaart de vrouw nog eens dat zij destijds - uit vrees voor de politie - had geprobeerd haar man ervan te weerhouden bij de Van Wiggens te gaan inbreken. Haveman had echter gezegd: '(...) dat ik daarvoor niet bang behoefde te zijn, omdat de commissaris ervan afwist en alles zoo geregeld was dat er bij de woning van de van Wiggens geen politie zou zijn. Haveman deelde mij ook mede dat hij volkomen op de hoogte was van de posten die de politie bezette.'

Niet meer licht in deze zaak

Nadat commissaris Blok is geconfronteerd met de overige uitlatingen van mevrouw Haveman en die van Melis de Smale, vraagt de rechter-commissaris wat hij hierop te zeggen heeft. De hevig aangeslagen Blok weet niet hoe hij het heeft. Zijn verklaring komt erop neer dat hij niet weet wie de daders van de moord en de inbraak zijn, dat hij voor 23 december 1923 niet geweten heeft dat er bij de Van Wiggens zou worden ingebroken en dat het onwaar is dat Haveman zich tegenover hem heeft uitgelaten over een voorgenomen inbraak bij de Van Wiggens. Jan Vroege kende hij van aanzien, omdat die hem wel eens was aangewezen als 'de bekende aborteur'. Claas Sweeris had hij eenmaal op het politiebureau gezien toen deze 'kwam vragen naar een fietslantaarn die hem ontstolen was'. De commissaris besluit zijn verklaring van 2 april 1926 als volgt: 'Na al hetgeen ik thans vernomen heb van de getuigen Smidt |mevrouw Haveman] en De Smale, ben ik tot de overtuiging gekomen dat Haveman mij heeft belogen en bedrogen en dat ik hem tot op dit ogenblik steeds verkeerd heb beoordeeld. Ik geef thans toe, dat de verhouding die er tusschen Haveman en mij bestaan heeft verkeerd is geweest en dat ik dom geweest ben en de dupe ben geworden van de leugens van Haveman. Ik ben nu overtuigd van kwaader trouw van Haveman.' Nadat Blok op de desbetreffende vraag van de rechter-commissaris nog heeft geantwoord dat hij 'niet meer licht in deze zaak' kan verschaffen, wordt hij nog diezelfde dag door de rechter-commissaris - die ook ten aanzien van Blok een en ander kennelijk opvat als een weigering op vragen te antwoorden -in gijzeling gesteld. Die gijzeling zou in totaal negen dagen duren.

Optreden justitie betreurenswaardig

De gijzeling van commissaris Blok zorgde begrijpelijkerwijs niet alleen in Culemborg maar in heel Nederland voor de nodige opschudding. In de pers werd deze aanvankelijk uitgelegd als 'arrestatie' van de commissaris. Die berichten waren niet zo verwonderlijk. Het was menig Culemborger niet ontgaan dat commissaris Blok op de ochtend van 2 april onder begeleiding van de drie Amsterdamse rechercheurs per trein naar Tiel was gereisd, waarbij het evenzeer was opgevallen dat Blok blijkbaar geen treinkaartje hoefde te kopen. Dat Blok die dag niet uit Tiel was teruggekeerd, was in Culemborg ook niet onbekend gebleven. 'Deze wijze van handelen moest bij het publiek, in verband met zijn niet terugkeeren uit Tiel, wel den indruk wekken, dat hij gearresteerd was,' schreef de procureur-generaal in Arnhem later aan de minister van Justitie.

Pamflet voor sfeerbeeld

In het stadje Tiel was het niet onopgemerkt gebleven dat de commissaris bepaald niet in zijn eentje liep, wanneer hij zich voor verhoor door de rechter-commissaris van het huis van bewaring naar het gerechtsgebouw begaf. De rechter-commissaris, mr. Hofdijk, schreef later, na een klacht van Blok, aan de procureur-generaal: 'De commissaris is nimmer tusschen 3 Rijksveldwachers uit het Huis van Bewaring naar het Paleis van Justitie alhier overgebracht. Zijne overbrenging geschiedde steeds door 1 Rijksveld-wachter waarachter echter enkele malen 2 andere Rijksveldwachters op eenige afstand volgden indien hij van het Huis van Bewaring naar het Paleis van Justitie werd teruggebracht, welke maatregel noodzakelijk was ter beveiliging van den commissaris vermits zich dan eenige honderden personen voor het Paleis van Justitie verzameld hadden, die met het transport meeliepen, waarbij de mogelijkheid van molestatie niet uitgesloten was, waartegen derhalve op bovenomschreven wijze gewaakt moest worden.' Naar aanleiding van de klacht van commissaris Blok aan de minister van Justitie met betrekking tot de wettelijke gronden waarop hij in gijzeling was genomen, schreef de procureur-generaal in Arnhem op 19 april 1926 aan de minister onder meer het volgende: 'Het vermoeden (...) dat door den Rechter-commissaris en de Rechtbank te Tiel artikel 221, Wetboek van Strafvordering verkeerd is toegepast, blijkt juist te zijn geweest, terwijl ook de substituut-officier van Justitie Mr. Oosting van dat artikel een verkeerde opvatting blijkt te hebben. Immers geheel ten onrechte leest men in het requisitoir, de beschikking van den Rechter-commissaris en die van de Rechtbank (...) dat getuige Blok zonder wettigen grond geweigerd heeft op de hem door den Rechter-commissaris gestelde vragen te antwoorden. Integendeel blijkt duidelijk, dat de Commissaris van Politie op alle hem gestelde vragen heeft geantwoord, zij het dan ook niet op de wijze die den Rechter-commissaris bevredigde. Maar het behoeft wel geen nader betoog dat, (...) de bepaling van artikel 221, Wetboek van Strafvordering, slechts geldt voor den getuige die weigerachtig is om te antwoorden, niet op den leugenachtigen of onwaarheid sprekenden getuige, veelmin op den getuige die een verklaring aflegt, die niet strookt met de zienswijze van den Rechter-commissaris. Waar de getuige op alle aan hem gestelde vragen Heeft geantwoord, is het onjuist zooals de Rechtbank besliste, dat hij geacht moet worden te hebben geweigerd op de aan hem gestelde vragen te antwoorden. Ik acht de wijze waarop de Tielsche Justitie in deze opgetreden is betreurenswaardig. (...) Meende de Rechter-commissaris inderdaad dat de aanwijzingen tegen den Commissaris verkregen, zóó bezwarend waren, dan had Z.E.A. hem als verdachte moeten beschouwen, maar niet moeten trachten hem door het dwangmiddel van gijzeling bekentenissen te ontlokken.' Met betrekking tot mevrouw Haveman schrijft de procureur-generaal dat hij bij zijn mening blijft dat men met haar 'die men ook eerst door gijzeling tot hare verklaring gebracht heeft', voorzichtig moet zijn, 'terwijl men aan wat de getuige Smale verteld heeft niet te veel gewicht kan hechten'.

Gij kunt mij op dit graf vastbinden

Naar aanleiding van de gijzeling van Blok moesten rechter-commissaris mr. Hofdijk en diens werkwijze het in de pers nog wel eens ontgelden. Zo wordt in het Nieuwsblad van Culemborg van 19 juli 1926 melding gemaakt van het bezoek dat deze rechtercommissaris 'onlangs' aan Culemborg bracht 'in tegenwoordigheid van de bekende Heeren van de Amsterdamsche recherche, terwijl zij met zich voerden den verdachte V.' [Vroege, JAB]. 'Eerst werd een bezoek gebracht aan de vroegere woning van den overleden rechercheur H. [Haveman, JAB] en daarop toog men... naar de Algemene Begraafplaats. Nieuwsgierigen werden buiten het hek gehouden, niettemin heeft men toch kunnen zien, wat zich op den doodenakker afspeelde. De Rechter-commissaris liet den verdachte V. naar het graf der vermoorde oude lieden brengen en vertoonde hem de portretten der beide slachtoffers. Getracht werd toen op deze "moderne" wijze den verdachte tot bekentenis te brengen. Staande bij het graf moet V. toen hebben gezegd: "Gij kunt mij op dit graf vastbinden, ik weet van de zaak niets af".' Een man die kort na de vrijlating van commissaris Blok in de krant nog weer eens danig van zich liet horen, was Otto de Beus. In een tweetal ingezonden artikelen in de Nieuwe Culemborgse Courant van respectievelijk zaterdag 15 en 22 mei 1926 haalde hij ongekend fel uit naar Blok, die prompt aangifte deed van belediging. Op 16 september moest De Beus zich voor de Tielse rechtbank verantwoorden. Twee feiten waren hem ten laste gelegd. Het eerste had betrekking op het ingezonden artikel van 15 mei. Dat artikel zou volgens de dagvaarding door De Beus zijn geschreven met het oogmerk Blok te beledigen en hem er van te beschuldigen dat hij opzettelijk de daders van de in december 1923 op de Van Wiggens gepleegde moord 'straffeloosheid heeft willen verzekeren'. Het oogmerk van het stuk van 22 mei zou zijn geweest commissaris Blok te beledigen en hem ervan te beschuldigen een 'misdadiger en een leugenaar' te zijn, die na het plegen van de moord op de Van Wiggens te Culemborg 'stiekem' met rechercheur Haveman is omgegaan. Voorts dat het door de 'zwakke en verkeerde leiding' van Blok mogelijk is geweest dat tal van misdrijven te Culemborg zijn gepleegd - waaronder ook de moord op de Van Wiggens - 'zonder dat die ooit tot klaarheid zijn gebracht'. Op 30 september 1926 werd Otto de Beus door de rechtbank in Tiel tweemaal ter zake van 'smaadschrift' veroordeeld tot tweemaal een geldboete van ƒ 50,00. Commissaris Blok kreeg van de Rechtbank een schadevergoeding toegemeten van ƒ 150,00.

Borrelpraat

Dat de verhouding tussen commissaris Blok en de Amsterdamse dienders er na zijn ontslag uit de gijzeling niet direct beter op was geworden, kan worden afgeleid uit zijn aan de minister van Justitie gezonden rapport d.d. 5 mei 1926. Daarin geeft Blok weer wat een zekere Willem van Antwerpen wonende in de Kloostersteeg in Culemborg twee dagen eerder tegenover hem heeft verklaard.

Gedurende de maanden maart en april 1926 vertoefden de Amsterdamse rechercheurs Kuiper en Hommes in Culemborg. Van Antwerpen had op een dag in maart in café Van den Boogaard aan de Zandstraat kennisgemaakt met Hommes. De rechercheur had hem bij die gelegenheid gevraagd wat hij van de moordzaak wist. 'Hij tracteerde mij direct op een borrel, doch ik zeide hem: ik geeft je geen inlichtingen onder het gebruik van drank, want ik zag dat Hommes zelf ook een borrel dronk.' Toen hij even later het café verliet had Hommes hem gevraagd bij een volgende gelegenheid in dat café terug te komen. Dat laatste was enige tijd later op een ochtend rond halfelf het geval geweest. Hommes was toen in gezelschap van rechercheur Kuiper. Aan een apart tafeltje hadden zij gedrieën de moordzaak besproken. Tegen twaalf uur had Van Antwerpen het café langs de achteruitgang verlaten, 'omdat ik meer jenever had gedronken, waar Hommes mij op had getracteerd, dan ik op kon. Hommes zelf dronk ook toen meerdere borrels. Wat Kuiper dronk weet ik niet daar ik alleen op Hommes lette, die het woord deed. Hommes betaalde de vertering.' De volgende ontmoeting met Hommes had, ook in de ochtenduren, plaats in café De Jong aan de Stationsweg in Culemborg. Van Antwerpen herinnerde zich drie borrels van Hommes te hebben gekregen, de rechercheur zelf had er twee genomen. Een volgend gesprek was enkele dagen later gevoerd in een café aan de Kloostersteeg. Ook daar was weer het een en ander gedronken, waarna Van Antwerpen op verzoek van rechercheur Hommes meegegaan was naar café De Jong aan de Stationsweg. Een van al die caféhouders had nog de opmerking gemaakt: 'Nou, die Amsterdammer, die kan ook drinken hoor.' ik heb wel begrepen dat Hommes veel geld had om aldus steeds te tracteren,' aldus Van Antwerpen. Wat er tijdens die 'borrelpraatjes' zoal besproken is met betrekking tot de moordzaak kan uit het rapport van Blok niet worden opgemaakt. Maar gezien het slot van zijn rapport, ging het hem daar ook niet zozeer om. Blok vermeldt namelijk dat hem ter kennis was gebracht dat de Amsterdamse rechercheurs tijdens het onderzoek regelmatig andere 'zogenaamde kroegen' bezochten. Het onderzoek door de rijksrechercheurs Hartkamp en Heyting vond volgens Blok plaats 'zonder kroegbezoek', terwijl de verhoren steeds in de Raadszaal of in een der kamers van het Gemeentelijk Distributiecentrum werden gehouden.


HET SLOTBEDRIJF - RECHTBANK TIEL

Onder enorme publieke belangstelling stonden Jan Vroege en Claas Sweeris uiteindelijk op 16 mei 1927 voor de rechtbank in Tiel, die werd voorgezeten door mr. A.G.A. Ridder van Rappard. Rechters waren mr. D. Kaars Sypesteijn en mr. E.J.W. Top. Als officier van justitie trad op mr. G.J. van Everdingen. Raadsman voor Vroege was mr. H.J.W. van Esveld, mr. Van Nes trad als zodanig op voor Sweeris. Beide verdachten was primair moord ten laste gelegd. Zoals zij tijdens hun hele detentie hadden gedaan, bleven de mannen erbij dat ze op de bewuste avond van zondag 23 december 1923 niet in Culemborg zijn geweest. De officier van justitie leunde bij de bewijsvoering in de eerste plaats op de verklaring van mevrouw Haveman en in aansluiting daarop op die van Melis de Smale. Ten aanzien van mevrouw Haveman wees de officier erop dat haar verklaring 'van het grootste belang' geacht moest worden.

dubbele moord culemborg-4.jpg

Hij voegde daaraan toe dat hij haar gehele houding 'zóó betrouwbaar' vond en voorts haar gehele persoonlijkheid getuigend van een 'waarachtige ernst om de waarheid en niets dan de waarheid te zeggen', dat hij geen ogenblik twijfelde aan de echtheid van haar woorden, die klopten met die van anderen, 'voornamelijk met die van getuige De Smale'. Mr. Van Everdingen achtte moord bewezen en eiste tegen beiden levenslange gevangenisstraf. De verdediging kwalificeerde getuige Melis de Smale als een 'onbetrouwbaar individu'. 'Hij is een dwaze fantast of een doortrapte schurk,' zei mr. Van Esveld. Ten aanzien van mevrouw Haveman stelde de raadsman zich op het standpunt dat zij zich 'om aan gijzeling te ontkomen, omdat zij wel besefte dat men vermoedde dat zij meer wist, had laten verleiden tot verklaringen, waarbij wijlen haar man een nog betrekkelijk behoorlijke rol speelde, omdat hij maar enkel op den uitkijk had gestaan'. Vroeger had zij immers op 'het leven van haar kinderen gezworen' dat haar man niets met de zaak te maken had. Ten slotte stelde de verdediging zich op het standpunt dat 'geen atoom van bewijs' was geleverd en dat bijgevolg slechts vrijspraak kon volgen. Dat bleek een misrekening. Reeds op zaterdag 21 mei 1926 werd vonnis gewezen. Moord werd niet bewezen geacht. Wel achtte de rechtbank de verdachten schuldig aan diefstal onder verzwarende omstandigheden ['dood tengevolge hebbende']. Vroege en Sweeris werden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 jaar. 'Ziehier een troep gewetenlooze schurken, die mij onschuldig in de gevangenis duwen,' riep Claas Sweeris uit toen hij uit de rechtszaal werd geleid. Jan Vroege hield zich rustig en gaf geen commentaar.

GERECHTSHOF ARNHEM

De behandeling voor het gerechtshof te Arnhem speelde zich af in twee fasen. De eerste vond plaats op 28, 29 en 30 september 1927. De tweede in februari 1928. Als voorzitter van het Hot trad op mr. P.C. Klaasesz, als raadsheren mr. C. Star Busmann en mr.dr. J.A.G. baron de Vos van Steenwijk. Advocaat-generaal mr. A.A Cnopius vertegenwoordigde het Openbaar Ministerie. Inmiddels waren ook twee nieuwe verdedigers aangetreden, name-lijk mr. H.H. Roobol uit Arnhem en Jhr.mr. M. van der Goes van Naters uit Nijmegen. In tegenstelling tot de rechtbank in Tiel, die slechts een dag aan de zaak had besteed, ging het Arnhemse Hof intensief in op met name de getuigenverklaringen van mevrouw Haveman en Melis de Smale. Evenals de officier van justitie bij de rechtbank in Tiel had gedaan, onderbouwde advocaat-generaal mr. Cnopius zijn bewijsvoering namelijk primair op de verklaringen van deze beide 'kroongetuigen'. In dat opzicht kwam de advocaat-generaal bedrogen uit. Het fundament van zijn bewijsvoering bleek op drijfzand gebouwd, toen mevrouw Haveman voor het Hof verscheen. Ging het de eerste dag van de behandeling van de zaak nog redelijk naar de wens van mr. Cnopius, op de tweede dag liep het geheel mis. Mede door de felle aanvallen van de beide verdedigers Roobol en Van der Goes van Naters sprak mevrouw Haveman zich herhaaldelijk tegen of kwam zij terug op haar vorige verklaringen. Alhoewel de advocaat-generaal aanvankelijk toch nog het nodige vertrouwen leek te hebben in het waarheidsgehalte van hetgeen de eveneens onder hevig vuur van de verdediging liggende Melis de Smale voor het Hof verkondigde, meende hij op de derde dag van de zitting dat een aantal dingen onopgehelderd waren en het OM zodoende nog niet in staat was een eis te stellen. Mr. Cnopius verzocht het Hof daarom tot aanhouding van de zaak en terugverwijzing naar de rechter-commissaris. Het Hof ging daarmee akkoord en gelastte een deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van mevrouw Haveman en Melis de Smale.

Al dat geknoei en geïntrigeer

In de periode gelegen tussen schorsing van de zaak op 30 september 1928 en de heropening op 2 februari 1929, deden zich twee spectaculaire gebeurtenissen voor. Daaraan vooraf ging echter een opmerkelijke brief van advocaat-generaal mr. Cnopius aan de minister van Justitie, die klaarblijkelijk om tekst en uitleg had verzocht in verband met de schorsing van de zaak. De advocaat-generaal schreef onder meer: '(...) Wanneer Vroege en Sweeris veroordeeld zullen kunnen worden, gaat dit in hoofdzaak en bijna alleen op hetgeen juffrouw Haveman en de Smale ter hunner belasting in deze hebben verklaard; al wat daar verder als bewijsmiddelen bijkomt is daarnaast de moeite van beoordeeling niet waard; men moet dus voor een veroordeeling er vast op kunnen vertrouwen, dat hetgeen deze beide getuigen indertijd hebben verklaard, indien zij dit ter terechtzitting zouden volhouden (de Smale deed dit reeds en juffr. Haveman deed dit den eersten dag en zeide den 2den dag dat zij twijfelde), door hen naar waarheid wordt verklaard; vandaar dat noodzakelijk is hunne betrouwbaarheid in dit opzicht te onderzoeken. (...)' Ook het optreden van de beide raadslieden naar de pers toe zat mr. Cnopius kennelijk goed dwars, zo leid ik althans af uit het volgende citaat. 'Ondergeteekende [mr. Cnopius, JAB| bemoeit zich nooit met de pers en de verslaggevers; de advocaten des te meer en zeker bij deze behandeling. Jhr. Van der Goes van Naters heeft zoo nu en dan met verheffing van stem, als een der vele getuigen, die door hem en zijn confrère waren voorgebracht, iets verklaard wat hem te pas kwam, in de richting van de perstafel met autoriteit geroepen: "dit acht ik zeer gewichtig". (...) Mr. Roobol had een andere tactiek, die stond n.l. vlak voor de perstafel en gaf eenvoudig aan de verslaggevers op, wat zij vooral op moesten schrijven. Verder hebben beiden, en vooral mr. Roobol, voor de opening, in de pauze en na de sluiting zich steeds tot de verslaggevers gericht en hen naar hun inzicht bewerkt. (...) Het is een ontmoedigend gevoel om al dat geknoei en geïntrigeer rustig zijn gang te moeten laten gaan, omdat aan advocaten nu eenmaal alles geoorloofd is.'

In de kerk van ons God

De eerste verrassende gebeurtenis vond plaats op 28 december, ruim een maand voor de voortzetting van de behandeling voor het gerechtshof in Arnhem. Op die dag werd Claas Sweeris, na 21 maanden voorarrest, plotseling in vrijheid gesteld. Aanleiding daartoe was het feit dat Melis de Smale zijn hele verklaring tegen Sweeris bij de rechter-commissaris had ingetrokken. In een door hem vanuit de gevangenis aan Sweeris geschreven brief, gedateerd 27 december 1927, legt De Smale uitvoerig uit hoe en waarom hij plotseling tot omkeer is gekomen. Hij schrijft:

'Bij deze neem ik de vrijheid om u eengen woorden te schrijven, Daar het niet mogelijk is om met u een oogenblik persoonlijk te spreken, daar ik ook zelf verblijf in één kamertje, als u. Echter hoewel dit onmogelijk is, toch is het mogelijk u per brief te bereiken en een ogenblik met u te spreken. Maar daar ik mij niet gaarne in een brief over dingen uitlaat, die een ander niet hoeft te weten, dingen die ons persoonlijk aangaan. Daarom zal ik ook maar zeggen waarover ik u per brief even spreken wil. Als dat ik de aanklacht tegen u uitgegeven herroepen heb. Daar het mijn plicht was de waarheid niet langer te verzwijgen tegenover u. En daar ik de laatste drie maanden veel over u en uw huisgezin na gedacht heb, daar ik u en uw huisgezin steeds dag of nacht in mijn gedachten heb gehad, heeft het mij tot nadenken gebracht. En toen heb ik gewaar geworden al dat mijn haat, die ik tegen u had u niet alleen getroffen heeft, maar u vrouw en kinderen het meest. Dat heeft mij doen besluiten als dat ik de aanklacht tegen u herroepen heb. Daar ik altijd verblind geweest ben zoo lang als u al geleden hebt. Mijn haat tegen je was te groot, dat ik het eerder gekent had om het te herroepen. Daar op de Kerstdagen van 1927 de herinnering aan mijn Moeder wat zij mij altijd voorgehouden heeft om gehoorzaamheid en waarheidsliefde in het oog te houden. Toen is het me duidelijk geworden als dat ik niet langer wachten moog als ik nog iets goed te maken had dan was het in de eerste plaats tegen u. Daar ik net iets hoorde te morgen in de kerk van ons God, die de leugen haat, eischt van ons dat wij de waarheid spreken, welke de gevolgen daarvan ook mogen zijn. Dat heeft mij vast doen besluiten om de valschen verklaringen die ik tegen u uitgegeven hadt, in te trekken, van die moordgeschiedenis en de inbraak van Geldermalsen. Je zult je nog wel herinneren, wat je van me uit ging strooien te Buren. En als je het je niet meer herinneren kunt zal ik het je nog wel is schrijven en persoonlijk zeggen. Verder hoop ik, je spoedig in vrijheid gesteld te zien. Nu verder hoop ik als dat je het ook vergeven en vergeten kunt wat er tusschen ons is voorgevallen is het dan ook beter er niet langer over te spreken. Mocht het zijn, dat je nog bericht terug wil sturen, mijn adres is Veenhuizen 1 no.7a 6176l. Melis de Smale.'

N.B. De inbraak in Geldermalsen waar De Smale over schrijft, betreft een door hemzelf gepleegde kraak in de suikerfabriek aldaar. De Smale had Sweeris er destijds tegenover de Amsterdamse rechercheurs valselijk van beticht mededader te zijn geweest.

Die had ik uit de krant

De tweede verrassende ontwikkeling diende zich aan op 2 februari 1928, toen de behandeling van de Culemborgse moord voor het Arnhemse gerechtshof werd voortgezet: mevrouw Haveman trok al haar verklaringen in. Als getuige-deskundige werd door het Hof gehoord dr. Schnitzler, die een verklaring aflegde omtrent de betrouwbaarheid van mevrouw Haveman. Volgens dr. Schnitzler maakt zij niet 'den indruk van een zieke of een imbeciele, wanneer zij wil kan zij precies zeggen, wat zij meent, maar in deze zaak is haar geloofwaardigheid zeer gering'. Op een vraag van de verdediging of mevrouw Haveman geloofwaardig is wanneer zij haar verklaring zonder pressie aflegt, antwoordt dr. Schnitzler 'dan haar geloofwaardigheid wel te kunnen aannemen'. Op uitdrukkelijk verzoek van Claas Sweeris leest de griffier hierna het destijds door rechter-commissaris mr. Hofdijk opgemaakte proces-verbaal voor van het verhoor van mevrouw Haveman. Daarin komt onder meer de volgende passage voor: 'Waarbij ik [rechter-commissaris] haar er op wees, dat zij niet naar Assen [woonplaats mevrouw Haveman, JAB] terug zou gaan, voor zij de volledige waarheid had verklaard, dat zij thans voor 12 dagen gegijzeld was, doch dat zulks telkens van 12 tot 12 dagen verlengd kan worden bij wijze van spreken tot levenslang toe.' Wanneer vervolgens mevrouw Haveman door het Hof wordt gehoord, verzoekt de president haar 'nu eens te doen alsof zij nog nimmer in deze zaak gehoord was'. Wat haar antwoord zou zijn wanneer haar nu wordt gevraagd wat zij omtrent de zaak kon vertellen, wil de president weten.
Mevrouw Haveman: 'Dat ik er niets van weet.'
President: 'Wat weet u omtrent de beide verdachten?'
Mevrouw Haveman: 'Ik weet niets ten nadeel van die menschen.'
President: 'Maar u heeft omtrent deze zaak verscheidene bijzonderheden verteld. Hoe kwam u daaraan?'
Mevrouw Haveman: 'Die had ik uit de krant.'
President: Neen, al die dingen welke u verteld hebt stonden niet in de krant.'

Mevrouw Haveman kan daar geen concreet antwoord op geven. Wel zegt zij dat zij destijds haar verklaring bij de rechter-commissaris zo had afgelegd om uit de gijzeling te komen. Zij was daar verder voortdurend voor bevreesd geweest. Ook Melis de Smale herhaalt dat alles wat hij ten nadele van Claas Sweeris heeft verklaard, onwaar was.

De advocaat-generaal gaf in zijn requisitoir aan dat hij tijdens de eerste fase van de zitting in september 1927 weliswaar had getwijfeld aan de verklaring van mevrouw Haveman, maar dat hij toen had geloofd dat De Smale de waarheid had gesproken. 'Toen was evenwel nog geen reden om aan de waarheidsliefde van deze getuige te twijfelen en het zal hem wel een zwaren strijd gekost hebben, om zijn verklaringen in te trekken.' De advocaat-generaal wijst het Hof erop dat het vonnis van de Tielse rechtbank is gebaseerd op de getuigenverklaringen van mevrouw Haveman en Melis de Smale: 'Nu deze zijn vervallen, zal tot vrijspraak geconcludeerd moeten worden.' De verdediging hield het kort. Mr. Roobol achtte een pleidooi 'niet noodzakelijk, zeker niet na het requisitoir' van de advocaat-generaal. Wel liet mr. Roobol zich tegenover het Hof nog ontvallen dat 'indien hij twee weken tot ambtenaar van het OM zou worden benoemd, hij wel de moordenaar zou aanwijzen'. De verdediger van Sweeris, Jhr. Van der Goes van Naters, noemde het requisitoir 'een pleidooi'. Hij haalde een 'karakteristieke' uitspraak aan van Claas Sweeris, waarin deze hem eens had gezegd 'dat zijn verblijf in de gevangenis en dat van Vroege nog van eenig nut zou zijn, als er maar een einde kwam aan al die narigheid, waarmee hij bedoelde, de fouten die de justitie beging'. Het Arnhemse gerechtshof deed op 16 februari 1928 uitspraak: vrijspraak voor Claas Sweeris en Jan Vroege.

Dat liet mij destijds vrij onverschillig

Inspecteur Van Slobbe omschreef in zijn rapport aan de procureur-generaal in Arnhem van 28 oktober 1927 de plaatselijke sfeer rondom de Culemborgse moordzaak als volgt:

'De publieke opinie was vergiftigd door geklets en geschrijf; de artikelen van De Beus hadden hiertoe niet weinig bijgedragen. De moordzaak was gemaakt tot een basis voor politieken strijd! Er ontstonden groepen voor en tegen den Burgemeester; voor en tegen den Commissaris; de S.D.A.P. trok in al haar felheid tegen Vrijheidsbond en Katholieken te velde. (...) Mijns inziens is zelden in een strafzaak zoo getracht de publieke opinie te doen medespreken als in de Culemborgse moordzaak.'

Mede naar aanleiding van de behandeling van de meineedzaak voor de Tielse rechtbank schreef advocaat-generaal mr. Cnopius op 11 maart 1929 aan de minister van Justitie onder meer:'(...) alleen behoef ik mij daar niets van aan te trekken, want de Amsterdamsche recherche is geheel buiten het Parket te Arnhem om in deze zaak gehaald - gelijk trouwens in de Culemborgse moordzaak veel buiten mijn tegenwoordig Parket is omgegaan en beslist - maar de geheele vervolging Sweeris en Vroege is m.i. wel te beschouwen als een door die Recherche in zekeren zin klaar gemaakte zaak. Het is natuurlijk gemakkelijk daaromtrent achteraf zijne overtuiging te geven, maar ik kan Uwe excellentie verzekeren, dat toen ik de appelzaak Sweeris en Vroege kreeg, en kennis maakte met het onderzoek dier recherche, waarin de bouwstoffen voor de gegronde verdenking tegen deze beide daders waren verzameld ik mij vastklampte aan de positieve getuigen verklaringen van De Smale en Juffrouw Haveman, die toen nog niet door mij konden verdacht worden, al was die door Juffrouw Haveman op wat eigenaardige wijze afgelegd; maar dat ik voor het overige de waarde der in dat onderzoek naar voren gebrachte omstandigheden niet hoog achtte en hier en daar niet geheel vertrouwde, doch dat liet mij destijds vrij onverschillig, want 2 getuigen hadden positieve verklaringen afgelegd. (...)'

Een aardige tegemoetkoming

Via zijn raadsman diende Claas Sweeris in april 1928 bij het ministerie van Justitie een eis tot schadevergoeding in wegens onterechte detentie over een periode van 21 maanden. De oorspronkelijk door hem geëiste schadevergoeding bedroeg ƒ 5.858,14. De officier van justitie kwam in zijn advies aan de procureur-generaal in Arnhem tot een bedrag van ƒ 2.647,73. Een hoge ambtenaar van justitie adviseerde: 'Ik zou daarom beleefd in overweging willen geven aan Sweeris een bedrag van rond ƒ 2,000,00 uit te betalen hetgeen toch al een aardige tegemoetkoming van een man als S. is.' Na het nodige gepingel stelde de minister van Justitie het uiteindelijke bedrag vast op ƒ 1.500,00! Ineen brief d.d. 15 oktober 1928 ondernam mr. Van der Goes van Naters bij de minister nog een poging tot verhoging van dit bedrag. De raadsman gaf in zijn brief eerst aan dat zijn cliënt Sweeris 'met groote dankbaarheid' kennis heeft genomen van de beslissing om hem ƒ 1.500,00 schadevergoeding toe te kennen. Vervolgens motiveerde hij zijn verzoek tot verhoging van het toegekende bedrag door het presenteren van een bepaald kostenplaatje. 'Ter wille van zijn vrouw en kinderen acht cliënt zich dan ook verplicht, uwe excellentie te verzoeken, wel te willen overwegen of genoemd bedrag nog kan worden verhoogd, terwijl hij - wanneer dit uwe excellentie niet mogelijk mocht zijn - vertrouwt dat uwe excellentie het hem niet euvel zal duiden, wanneer hij zich in dat geval eveneens met een verzoek richt tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal.'

N.B. Op deze brief is op het departement de potloodaantekening (met rode paraaf) gesteld: 'Dat gaat niet, dan moet hij de ƒ 1.500,00 teruggeven!'

De procureur-generaal in Arnhem schreef tenslotte aan de minister van Justitie:

'Ik vat in dit geval het geven van een schadevergoeding op als een vrijwillige onverplichte daad van het Departement van Justitie en ik zou mij kunnen voorstellen dat uwe excellentie zich plaatste op het standpunt dat u dan ook het bedrag van ƒ 1.500,00 beschouwde als een algeheele kwijting van een morele verplichting, en daarom wilde waarborgen tegen verdere aanvallen tot verhooging van dit bedrag, al zouden wij van den aanvang af ten volle overtuigd zijn dat dergelijke pogingen nimmer zullen kunnen slagen. Mitsdien is het op grond van die overbrenging beter thans verder geen moeilijkheden te maken en dit aan Jr. v.d. Goes v. Naters over te laten.' De reactie van de raadsman luidde: 'Na gepleegd overleg met C. Sweeris deel ik u mede dat eenig voorbehoud bij in ontvangstname der ƒ 1.500,00 niet zal worden gemaakt. Door de omstandigheden is Sweeris gedwongen, zelfs waar zijn schade in het geheel niet aan hem maar wellicht wel aan anderen is te wijten, met ieder bedrag wel genoegen te nemen.'

N.B. Voor Jan Vroege lag de situatie geheel anders. Hij was namelijk al gedetineerd en zat een veroordeling uit van drie jaar wegens een abortuszaak. Vroege kreeg uiteindelijk een aanzienlijke vermindering van zijn straftijd van drie jaar.


EPILOOG

Op 8 november 1928 eiste officier van justitie mr. Everdingen voor de Tielse rechtbank tegen Melis de Smale wegens meineed maar liefst vier jaar gevangenisstraf. De eis tegen mevrouw Haveman luidde zes maanden. De rechtbank was in haar vonnis van 22 november 1928 aanzienlijk milder: Melis de Smale werd veroordeeld tot één jaar en zes maanden, terwijl mevrouw Haveman werd vrijgesproken. In hoger beroep werd zij op 22 oktober 1929 echter veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Daarmee was het doek over de Culemborgse moordzaak definitief gevallen, zonder dat de échte daders ooit terecht hebben gestaan.

De Nieuwe Arnhemse Courant van 29 oktober 1929 schreef in een commentaar: 'Het is met de justitie dezer dagen gesteld als met de New-Yorkse Beurs. Men heeft teveel crediet gegeven en de periode ontgoocheling is aangebroken. Eerst had zij de debacle van de Culemborgse moordzaak te verwerken, en daarna de zaak van Giessen-Nieuwkerk, nog voor de openbare meening zich van den schok had kunnen herstellen. En er lopen nu al geruchten, dat er in Leeuwarden nog meer onschuldig veroordeelden zitten.'