Artikelindex

HET ONDERZOEK TEGEN JAN VROEGE EN CLAAS SWEERIS

Het feit dat de zaak tegen Klaas van Wiggen jr. geheel op drijfzand was gebouwd en derhalve gedoemd was op zeker moment te mislukken, was voor de Tielse justitie klaarblijkelijk geen bezwaar begin januari 1916 andermaal de assistentie van inspecteur Van Slobbe en de rechercheurs Kuiper en Hommes - laatstgenoemde thans niet als 'tuinman' - in te roepen. Directe aanleiding daartoe was een bij de officier van justitie in Tiel binnengekomen rapport van de jachtopziener C.C. Kool waarin de 63-jarige Jan Vroege, woonachtig in Amsterdam, als de vermoedelijke dader van de Culemborgse moord werd aangewezen. De informatie die Kool had opgedaan was afkomstig van Floor Sweeris [de vader van de toen in het geheel nog niet als verdachte in beeld zijnde Claas Sweeris, JAB].

Floor Sweeris beweerde dat Jan Vroege destijds aan hem het voorstel had gedaan bij de Van Wiggens, 'die veel geld in huis hadden', in te breken. Vroege, die ter plaatse goed bekend zou zijn, had bovendien aan Sweeris sr. verteld dat de diefstal gemakkelijk zou zijn te plegen 'omdat de bewoners door het losmaken van het vee spoedig naar buiten waren te lokken'. Floris Sweeris, die vroeger veel samen met Vroege had gestroopt, had echter geweigerd. Kort na dit voorstel had Vroege enige tijd in de gevangenis gezeten wegens abortus [Jan Vroege had de bijnaam 'Jan de dokter', JAB]. Begin 1923 was hij uit de gevangenis ontslagen. Toen in december 1913 de moord op de Van Wiggens was gepleegd, had Floris Sweeris direct aan Jan Vroege gedacht, die toen nog in het Trichtse Veld woonde. Sweeris had zijn verhaal niet eerder willen vertellen daar Vroege meer van hem wist, maar hij had gehoord dat deze strafbare feiten verjaard waren. Bovendien, beweerde Floor Sweeris, was hij ook 'door den godsdienst' tot ander inzicht gekomen. Vroege was enige tijd na de moord naar Amsterdam verhuisd en daar getrouwd met een tweeëntwintig jaar jongere vrouw, die volgens Sweeris een verleden als prostituee had.

Claas, laat me los

Toen de Amsterdamse rechercheurs in januari 1926 aan hun nieuwe opdracht in de Culemborgse moordzaak begonnen, en zich daarbij op Jan Vroege concentreerden, geraakten zij al spoedig 'op het spoor van een abortusgeval'. Vroege werd voor deze zaak gearresteerd en in voorlopige hechtenis genomen. Vervolgens doken de rechercheurs wat dieper in de achtergronden van de familie Sweeris, waarbij men op zeker moment ook op Claas Sweeris terechtkwam. Een in Delft wonende zuster van Claas en haar echtgenoot legden de verklaring af dat Claas Sweeris kort voor de moord had verteld 'dringend' ƒ 800,00 nodig te hebben omdat anders zijn huis zou worden verkocht. Een week na de moord was Claas weer bij zijn zuster op visite geweest, 'geheel in het nieuw gestoken ontdaan van zijn knevel'. Toen zij nieuwsgierig naar een en ander informeerde had Claas 'ontwijkende antwoorden' gegeven. Daar kwam nog wat anders bij. Zijn zuster had hem ook gevraagd of hij iets van de Culemborgse moord wist, 'omdat hij uit die buurt kwam'. Claas had daarop gezegd 'wel te weten wie de daders waren'. Daarna was hij, 'vermoedelijk door haar in het nauw gedreven', niet meer bij zijn zuster op bezoek geweest. Van alle ongeveer vijftien door de Amsterdamse rechercheurs gehoorde getuigen bleven er uiteindelijk twee over, die zeer belastende verklaringen tegen Claas Sweeris aflegden. De eerste was een zekere Melis de Smale, die in het huis van bewaring zat, verdacht van een inbraak. De rechercheurs waren erachter gekomen dat deze figuur Claas Sweeris goed kende omdat hij in 1922 enige maanden voor hem had gewerkt. De twee hadden echter ruzie gekregen omdat Claas Sweeris Smale ervan had beschuldigd het loon van een eveneens bij Sweeris werkende metselaar te hebben verduisterd. Daarop was Smale de laan uitgevlogen.

Met De Smale 'werd aanvankelijk niet over de tegen Claas verkregen aanwijzingen gesproken, doch hem slechts gevraagd, hetgeen hij van hem te vertellen wist', aldus het (latere) rapport van inspecteur Van Slobbe. De rechercheurs die hoopten van Melis de Smale wat nuttige informatie over Claas Sweeris te krijgen, werden daarin geenszins teleurgesteld. Sterker nog, de onthullingen moeten de Amsterdamse dienders als muziek in de oren geklonken hebben. Claas Sweeris had De Smale een keer verteld dat er bij de Van Wiggens aan de Achterweg in Culemborg veel geld te halen was. Bij het bekend worden van de moord - De Smale zelf was toen gedetineerd - had hij onmiddellijk aan Claas Sweeris gedacht. Naderhand had hij met Claas ruzie gekregen over de bekentenis die De Smale had afgelegd over een inbraak die zij samen zouden hebben gepleegd. Toen het tijdens die ruzie tot handtastelijkheden was gekomen, had hij tegen Claas gezegd: 'Claas, laat me los, anders breng ik de moordzaak te Culemborg uit.' Claas had hem losgelaten en hem vervolgens met een revolver gedreigd 'indien hij zijn mond niet zou houden'. Claas Sweeris werd op 15 maart 1926 gearresteerd. Bij huiszoeking vonden de rechercheurs in een afgesloten kist 'een biljet van ƒ 300,00, zeven biljetten van ƒ 10,00, twee ongeladen revolvers, 4 polissen van verzekeringen en een liedje getiteld "De dubbele moord in Culemborg" op de wijze van "De Arme Javaan".' Claas Sweeris, die iedere betrokkenheid bij de Culemborgse moord ontkende, werd in Tiel in voorlopige hechtenis genomen. Jan Vroege, die nog steeds wegens de abortuskwestie gedetineerd was, ontkende eveneens iedere betrokkenheid bij de moord.