Artikelindex

HET ONDERZOEK TEGEN KLAAS VAN WIGGEN JR.

In juli 1924 kreeg de Amsterdamse Centrale Recherche van 'terzijde' een tip dat de moord in Culemborg gepleegd zou zijn door 'een neef' van de vermoorde Van Wiggens. Deze neef zou in onmin met de slachtoffers hebben geleefd en zodoende zijn onterfd. Hij zou de nodige informatie hebben gekregen van een knecht die bij of in de nabijheid van de Van Wiggens werkzaam was geweest. Deze knecht zou tevens de persoon zijn die enkele dagen voor de moord het vee in de stal van de Van Wiggens had losgemaakt. Vóór de moord zou de bewuste neef steeds geld hebben geleend van zekere Hoytema uit Culemborg, maar nu zou hij zich plotseling 'goed kunnen redden'. Later had de Amsterdamse recherche van dezelfde 'terzijde' vernomen dat die op zijn/haar beurt de informatie had verkregen van Johanna van Kalkeren, die nu woonachtig was in Amsterdam, maar die geruime tijd in Culemborg zou hebben gewoond. Mejuffrouw Van Kalkeren zou het niet zo nauw nemen met de zeden, en in haar Amsterdamse woning geregeld heren ontvangen uit onder meer Culemborg. 'Dit alles sterkte ons in het vermoeden, dat zij wel meer van den moord zou kunnen weten, althans gehoord,' aldus het desbetreffende proces-verbaal. De Amsterdamse recherche besloot een gesprek met haar aan te gaan. Zij werd naar het hoofdbureau ontboden 'onder het motief inlichtingen te geven omtrent een Duitse vrouw, die bij haar gewoond had'. Juffrouw Van Kalkeren bleek nog familie in Culemborg te hebben, en had de Van Wiggens heel goed gekend. Over de moord beweerde zij niets te kunnen zeggen. Enige tijd later had rechercheur Kuiper een gesprek met haar in haar woning, waarbij de rechercheur andermaal de moord ter sprake bracht. Bij die gelegenheid had juffrouw Van Kalkeren tegen Kuiper gezegd dat de politie in Culemborg maar eens bij de familie moest zoeken. Bij weer een volgende gelegenheid, en wel na de arrestatie van Haveman, had Van Kalkeren zich tegenover de Amsterdamse rechercheur uitgelaten in termen van: 'Nu hebben zij de rechercheur aangehouden en die is geheel onschuldig, die suffers; ik weet dat er menschen in Culemborg wonen, die op het punt hebben gestaan om de politie te waarschuwen dat ze de verkeerde hadden.' De vrouw bleef er overigens bij niets van de moord af te weten. Hierna, waarschijnlijk in augustus 1924, had rechercheur Kuiper een gesprek met de Culemborgse arts Hocke Hoogenboom en met de directrice van het Algemeen Ziekenhuis daar, mevrouw Prinsen. Kuiper kreeg van deze getuigen te horen dat Gerrigje van Wiggen, toen zij na de overval in het ziekenhuis werd behandeld, onder meer had geroepen 'Klaas, Klaas'. De Amsterdamse recherche had al deze informatie reeds op 13 augustus 1924 ter kennis gebracht van de justitie in Tiel, maar had daar toen te horen gekregen dat een en ander op dat moment niet paste 'in de richting van het onderzoek welke werd uitgewerkt'.

Toon, jaag ze weg met je mes

Hoe het precies in elkaar zat met de uitroep van Gerrigje 'Klaas, Klaas' en hoe de naam van Klaas van Wiggen jr. voor het eerst was opgedoken, kan het beste worden afgeleid uit een door commissaris Blok opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 oktober 1924-Mevrouw Prinsen verklaart dan tegenover Blok:

(...) Onderweg naar het ziekenhuis met de brancard waarin vrouw van Wiggen lag, kwam ik vrouw Verrips huilende en jammerende tegen. Zij vroeg mij ter plaatse haar tante te mogen zien, hetgeen ik weigerde en haar naar het ziekenhuis verwees. (...) Ik herinner mij nog dat op woensdag 26 December 1923 des morgens toen vrouw van Wiggen nog leefde, haar nicht, vrouw Verrips voornoemd, in de ziekenhuiskamer werd toegelaten en haar tante zag, die denzelfden dag nog overleed. Deze vrouw Verrips kwam steeds naar haar tante vragen en bij een dezer bezoeken heb ik haar gevraagd of er onder haar bekenden of familie ook een zekere Klaas was omdat het de aandacht getrokken had dat vrouw van Wiggen toen zij in het ziekenhuis lag en zij behandeld werd zij op verwijtende toon, doch duidelijk verstaanbaar, Klaas, Klaas zeide. Zij maakte tijdens deze behandeling afwerende bewegingen. Zij vloekte, trachtte te bijten en te krabbelen, waardoor ik het idee kreeg dat zij nog dacht dat zij door haar aanranders werd mishandeld. Ook zeide zij goed hoorbaar, "Toon jaag ze met hun beiden weg met je mes." Toen ik zulks vrouw Verrips vroeg antwoordde zij zonder zich te bedenken "dan is dat Klaas, die ook een neef van ons is en die het niet goed met die oude menschen kon vinden en met hen overhoop lag, omdat die bang was dat hem de erfenis zoude ontgaan." Ook herinner ik mij dat vrouw Verrips zeide dat die Klaas kort te voren woorden gebezigd had die een bedreiging tegen die oude menschen inhielden. Vrouw Verrips zeide dat die Klaas een neef der oude menschen was en aan den dijk woont. Ik kreeg den indruk door deze mededeelingen dat Klaas aan dat geval niet vreemd zoude kunnen zijn en ik verwachtte zijn aanhouding elken dag. Ik geloof niet dat Klaas aan het ziekenhuis is geweest om zijn tante te bezoeken, doch zeker weet ik het niet. Ik heb over deze verklaring met niemand anders gesproken dan met dokter Hocke Hoogenboom voornoemd en met het verplegend personeel. Ik heb geloof ik, deze verklaring niet ter kennis gebracht van het Parket, toen het destijds in het ziekenhuis was. (...)' Mevrouw Prinsen eindigt haar verklaring met de mededeling dat zij enkele maanden eerder, zij meende in augustus, het verzoek van dokter Hoogenboom kreeg om even bij hem aan zijn woning te komen. Daar bleek toen de Amsterdamse rechercheur Kuiper te zitten, die haar had verteld 'in Amsterdam een draad gevonden' te hebben in relatie tot de Culemborgse moordzaak. Aan Kuiper had zij toen dezelfde verklaring afgelegd.

N.B. Waarom mevrouw Prinsen destijds (december 1923) een en ander niet aan het Tielse parket heeft kenbaar gemaakt, kan uit de stukken niet worden opgemaakt.

Een betrekking als tuinman

De zaak liet de Amsterdamse recherche intussen echter bepaald niet los, hetgeen met name kan worden afgeleid uit een briefkaart die de chef van die Centrale Recherche, commissaris E.J. Pateer, op 4 november 1924 aan 'Amice Blok' schreef:

'Sedert eenige dagen reeds ben ik met verlof, hetwelk duurt tot begin volgende week. Zoodra ik weer aan het bureau kom, zal ik met Kuiper nader bespreken hoe te handelen met die vrouw Kalkeren. Deze heeft hij reeds meermalen gesproken, doch hij komt er niet verder mee. De verklaringen in het pvb [het vermoedelijk hierboven aangehaalde proces-verbaal van Blok, JAB] zijn wel interessant en zoo men zou zeggen wijzen die uitlatingen der betreffende vrouw wel enigszins in de richting dier besproken familieleden. Voorzover ik kan nagaan berust alles echter nog op "conclusies" en op "On dits" [geruchten, JAB] eenig bewijs is er nog niet. Het ware te wenschen dat we nog eens tot goed resultaat konden komen, dan zouden al die vervelende praatjes makers heel raar op den neus kijken. Het is hier echter een bijzonder moeilijk geval aangezien er niets is achtergebleven en de beide slachtoffers geen enkele mededeeling hebben kunnen doen. Enfin, we zullen het mogelijke doen. Ik gaf Kuiper reeds opdracht intusschen enkele kleine voorlopige dingen te onderzoeken voordat ik terugkom. Met collegiale groeten, Pateer'

Begin april 1925 kreeg commissaris Pateer van het Parket in Tiel het officiële verzoek het onderzoek ter hand te nemen. Inspecteur J.F. van Slobbe en rechercheur F.H. Kuiper kregen vervolgens van Pateer de opdracht 'een vanuit Amsterdam aangegeven richting te gaan uitwerken'. In een na afloop van dit onderzoek aan de minister van Justitie gerichte brief van 30 mei 1925 schrijft commissaris Pateer onder meer dat genoemde politiemannen gedurende ongeveer vier weken in Culemborg en omgeving onderzoek hebben gedaan. N.B. Hij vervolgt:'(...) en deed ik bovendien den brigadier-rechercheur E. Hommes een betrekking als tuinman aldaar aanvaarden, opdat deze langs andere dan officieele wegen, een onderzoek zou kunnen instellen, doch had dit laatste geen gewenscht gevolg.'

Dat het wel blijdschap kon zijn

Alvorens het onderzoek in Culemborg aan te vangen werd Johanna van Kalkeren op 4 april 1925 door commissaris Pateer bij proces-verbaal gehoord. Zij verklaarde dat zij naar aanleiding van krantenberichten over de moord in Culemborg wel eens met deze en gene over de zaak had gesproken. Daarbij had zij zich mogelijk ook wel eens laten ontvallen dat het niet onmogelijk was dat een van de familieleden van de Van Wiggens aan de moord schuldig zou kunnen zijn, 'zoals wel meer gebeurt'. 'Nimmer echter kan ik in mijn uitlatingen positief zijn geweest om de eenvoudige reden, dat ik er absoluut niets van weet, noch heb gehoord,' aldus mejuffrouw Van Kalkeren. Gedurende hun onderzoek in Culemborg richtten de Amsterdamse rechercheurs al hun aandacht op Culemborgers die iets zinnigs zouden kunnen verklaren over de in een boerderij aan 'de Waard' bij de Lekdijk wonende Klaas van Wiggen sr. en diens drie zonen Klaas, Jan en Karel. De weiden van de boerderij grenzen aan die van de slachtoffers. Van veilingmeester Hendrik Verrips en diens echtgenote 'vrouw Verrips' over wie getuige Prinsen in haar verklaring van 25 oktober tegen Blok spreekt, vernamen de rechercheurs dat de spanningen tussen de beide families Van Wiggen vooral ook veroorzaakt waren doordat de vermoorde Toon nogal slordig was in afzettingen. Zodoende was het vaak voorgekomen dat het vee overliep naar de aangrenzende weide van Klaas van Wiggen. Ook wisten zij te vertellen dat 'Gerrigje' wel eens had gezegd dat zij 'Klaas zou onterven'. Een andere getuige, Jacob Boskamp, had vlak voor diens dood van een zekere Langenberg gehoord wie de daders waren: Haveman en Klaas van Wiggen. Toen de rechercheurs de weduwe van Langenberg benaderden, bleek die van niets te weten. Verschillende getuigen verklaarden op de avond van zondag 23 december 1923 zoon Jan van Wiggen op de Achterweg te hebben zien lopen. Al met al boden de afgelegde verklaringen weinig houvast. Aan suggestieve uitspraken bestond overigens geen gebrek. Zo verklaarde een getuige die 'vooralsnog onbekend' wenste te blijven 'dat zijns inziens niemand anders dan Klaas van Wiggen jr. de dader van de moord kan zijn'. Waarom hij dat dan dacht, vermeldt het verhaal niet. Een andere getuige, die al evenzeer de wens te kennen had gegeven 'onbekend' te blijven, had van derden vernomen dat 'die er niet vreemd van zouden opzien, indien zij vernamen dat Klaas jr. meer van de moord zou afweten'.

Weer een andere getuige, J. Schaik 'bij wie de familie Van Wiggen al jaren klompen koopt', wist de rechercheurs te vertellen dat hij al direct na de moord verdenking had gekregen op Klaas van Wiggen jr.: 'Nu ik verneem dat de vermoorde vrouw voor haar sterven het woord "Klaas" geroepen heeft, kan dit slechts mijn verdenking bevestigen.' Ook twee politiemannen van het Culemborgse korps legden tegenover hun Amsterdamse collega's een verklaring af die Klaas van Wiggen jr. als verdachte in beeld bracht. Zo zei rechercheur Van Bergen Henegouwen dat hem op de dag van de moord tijdens het onderzoek op de plaats delict was opgevallen 'dat Klaas van Wiggen jr. en sr. erg zenuwachtig waren en deden, zonder dat ik daarvoor een verklaring kon vinden'. De rechercheur voegde er aan toe dat hij over een en ander had gesproken met Verrips, die daar eveneens aanwezig was, 'en deze meende dat het wel blijdschap kon zijn, omreden zij nu heel onverwachts nog het grootste deel van de nalatenschap zouden krijgen'. 'Ook den agent Van Vliet is hunne zenuwachtigheid opgevallen. Bedoelde agent bevestigde zulks,' aldus het Amsterdamse proces-verbaal. N.B.

Amsterdammers op het goede spoor

Per saldo bleef Nicolaas 'Klaas' van Wiggen jr. voor de Amsterdamse rechercheurs klaarblijkelijk toch een potentiële verdachte. Op 28 april 1925 brachten zij een bezoek aan de boerderij van de familie Van Wiggen 'ten einde een indruk te krijgen'. In hun proces-verbaal vermeldden zij in dat verband dat zij verzocht had om met Klaas alleen te mogen spreken, maar dat hun dat slechts enkele ogenblikken werd toegestaan, waarna de rest van de familie luidruchtig de kamer binnen was gekomen. 'Jullie verdenken toch zeker mijn zoon niet,' had de moeder van Klaas geroepen.

Het proces-verbaal vervolgt: 'De houding van Klaas jr. kwam ons zeer vreemd voor; hij staarde slechts voor zich uit en antwoordde met moeite. Wanneer hij scheen te voelen dat wij in zijn richting dachten, verklaarde hij met veel nadruk toch een alibi te hebben. Toen ik daarbij te verstaan gaf, dat een alibi slechts reden van bestaan heeft, indien vaststaat op welk tijdstip de moord heeft plaats gehad en ik betwijfelde of het tijdstip tussen 6 en 8 uur n.m. wel juist was, kreeg ik met veel stemverheffing van de geheele familie te horen, dat dit toch door den professor uit Leiden was uitgemaakt. Verder dreven zij het steeds de richting van Haveman uit. Aan Marinus en Toon Boogerd, die vlak naast de Van Wiggens wonen en met deze omgaan, verzochten wij te willen nagaan, welke indruk ons bezoek aldaar had achtergelaten en hetgeen zich eventueel in verband daarmede zou kunnen voordoen.', zo eindigt dit proces-verbaal van 3 mei 1925.

Tijdens een daags tevoren gevoerd overleg met de officier van justitie en de rechter-commissaris werd besloten Klaas van Wiggen jr. op 5 mei 1925 te arresteren. 'Om onnoodig vertoon te vermijden' lieten de Amsterdammers hun Culemborgse collega rechercheur Van Bergen Henegouwen Klaas jr. ontbieden naar de Achterweg. Nadat de rechercheurs daar ongeveer anderhalf uur tevergeefs hadden gewacht, stuurden zij Van Bergen Henegouwen opnieuw naar de boerderij om te vragen waar hij bleef. 'Hij komt niet, wij zijn geen knechtjes van die kerels, zij wel van ons, als zij wat van hem willen, moeten zij maar komen,' zo luidde de boodschap die de Culemborgse rechercheur even later deponeerde bij zijn Amsterdamse collega's die op de Achterweg wachtten. Die restte nu niets anders dan zelf naar de boerderij te gaan, waar zij een gesprek hadden met de moeder van Klaas jr. Toen die op zeker moment de aan de buitenzijde gesloten schuurdeur opendeed, 'kwam Klaas jr. daaruit te voorschijn en deed hij zeer angstig. Op luide toon gaf zijn moeder vervolgens te kennen dat Klaas niet mee zou gaan. Wij oefenden alstoen eenige druk op haar uit en deden uitkomen dat wij Klaas op het bureau moesten horen (wij oordeelden het beter gezien hun recalcitrante houding, niet tot daadwerkelijke aanhouding over te gaan).' Nadat Klaas jr. had beloofd aan het bureau te zullen verschijnen, vertrokken de rechercheurs om hem vervolgens ergens boven aan de Lekdijk op te wachten. Toen Klaas jr. daar even later per fiets aankwam, hielden zij hem aan. Bij fouillering vonden zij 51½ cent en een exemplaar van De Arbeid van 2 mei 1925. 'Na in kennis gesteld te zijn van de aanhouding ontroerde hij zichtbaar. Ik ben onschuldig, ik heb een alibi,' aldus Klaas jr. tegenover de Amsterdamse rechercheurs. Hij werd op 7 mei 1925 aan de rechter-commissaris in Tiel voorgeleid. In hun proces-verbaal vermeldden de Amsterdamse rechercheurs hun tegenover de officier van justitie geuite mening 'dat bij voorlopige aanhouding [in bewaringstelling, JAB| getracht zou kunnen worden meerdere gegevens te verzamelen, nu het publiek inmiddels te weten zou zijn gekomen, wie als vermoedelijke dader was aangehouden'.

Op het departement van Justitie was men kennelijk nogal optimistisch over het verdere onderzoek, getuige een kanttekening van een hoge ambtenaar op het door commissaris Pateer aan de minister toegezonden begeleidend schrijven bij de afschriften van de opgemaakte processen-verbaal: ik heb de processen verbaal nogmaals goed doorgewerkt. De indruk wil mij niet verlaten, dat de Amsterdammers op het goede spoor waren. Het onderzoek moet uiteraard vollediger worden. Verschillende personen zijn er onder de verhoorden, die wellicht voor een goede rechter-commissaris meer zullen loslaten. Is het niet merkwaardig, dat we over dit onderzoek, de beëindiging en resultaten daarvan door den PG en door Tiel totaal in onwetendheid zijn gelaten?' Een potloodaantekening van de hand van secretaris-generaal dr. Collard op het omslag van het 'Culemborg-dossier' luidt: 'Het Amsterdamse rapport bevat zeer veel, dat verdenking rechtvaardigt; daarom is het heel vreemd dat, voorzover wij weten, de Tielsche RC zo merkwaardig snel de zaak in verband met Kl.v.W. [Klaas van Wiggen, JAB] heeft weten af te wikkelen met negatief resultaat!'

Deze aanhouding stellig ontraden

De advocaat-generaal in Arnhem, mr. Cnopius, laat over de zaak echter een heel ander geluid horen. Op 6 juni 1925 wijst hij de minister van Justitie op het feit dat de Culemborgse politie reeds in oktober 1924 van Michiel Teunis de Zaayer had gehoord omtrent het alibi van Klaas van Wiggen jr. Voorts roept hij in herinnering het verhoor dat commissaris Blok op 25 oktober 1924 had afgenomen van de directrice van het Algemeen Ziekenhuis, mevrouw Prinsen, op basis waarvan Klaas van Wiggen jr. als verdachte is bestempeld. De advocaat-generaal vervolgt: 'Zonder zoover te gaan, dat ik zou durven volhouden, dat op Nicolaas van Wiggen of op een ander lid uit diens gezin niet de verdenking kan blijven rusten de dader van de moord te zijn, kan ik toch moeilijk medegaan met de blijkbaar zeer ernstige verdenking, die Uwe excellentie in die richting thans schijnt te hebben. De geheele verdenking tegen Nicolaas berust, behalve op losse praatjes en vrij lichtvaardige gevolgtrekkingen, in hoofdzaak op de woorden "Klaas, Klaas". Zeer zeker kunnen die door het slachtoffer uitgesproken woorden eenige vingerwijzing in de richting van een vermoedelijken dader geven, maar daarnaast wordt bij deze verdenking steeds - al of niet opzettelijk - vergeten, dat dit zelfde slachtoffer op een ander oogenblik heeft gezegd "ik ken de smeerlappen niet".' Mr. Cnopius wijst er nadrukkelijk op dat het beter ware geweest wanneer men meer aandacht had besteed aan het op basis van 'verschillende omstandigheden' vastgestelde tijdstip waarop de overval op de Van Wiggens was gepleegd, zulks in verband met het alibi van Klaas van Wiggen jr. Ook verwijst de advocaat-generaal in ditzelfde verband naar het feit dat Pikkie van Vuuren in 1924 bijna een half jaar in voorarrest had gezeten, terwijl hij, indien het tijdstip waarop het feit was gepleegd klopt, 'een deugdelijk alibi had gehad'. 'Ik heb het dus als een groote fout, en als een gemis aan behoorlijk inzicht beschouwd, dat men Nicolaas van Wiggen is gaan aanhouden, op niet meer bewijs (of eigenlijk vermoeden) dan men blijkens de hierbij gaande processen-verbaal had. Te meer was dit onhandig, nu men reeds een paar malen iemand had aangehouden als de dader van den moord in Culemborg, dien men ook weer had los moeten laten.' Hij vervolgt: '(...) ja zelfs kreeg ik bij het gesprek met de rechercheurs den indruk, dat degenen, die hier de leiding en uitvoering hebben gehad, de geheele zaak met alle bijzonderheden niet behoorlijk in gedachten hebben gehad.' Mr. Cnopius wijst erop dat het in het onderzoek 'tactvoller' zou zijn geweest wanneer men Klaas van Wiggen jr. in de waan had gelaten van diens alibi en men vervolgens om hem heen had gerechercheerd, om zodoende eventueel vat te krijgen op zijn uitgaven en die van zijn familie. Bovendien had men dan ook de mogelijkheid van een onjuist alibi moeten onderzoeken. Wanneer op die wijze de verdenking tegen hem zou zijn toegenomen en men een en ander 'positief' jegens hem kon tegenwerpen, had men naar de inzichten van de advocaat-generaal de actie tegen hem moeten beginnen. Hij besluit: 'Nu kan ik de strafvervolging gelijk deze gevoerd is tegen Nicolaas van Wiggen niet anders beschouwen dan een der vele onhandigheden die in de "Culemborgse moordzaak" door de Tielsche Justitie or met goedkeuring daarvan, zijn verricht. Was mijn oordeel destijds gevraagd, zoo had ik deze aanhouding stellig ernstig ontraden.' De procureur-generaal laat de minister ook nog weten dat de rechter-commissaris hem 'juist heden' heeft geschreven voorlopig niets meer in de zaak Klaas van Wiggen jr. te kunnen verrichten. Klaas van Wiggen jr. werd al spoedig na zijn arrestatie en verhoor door de rechter-commissaris in vrijheid gesteld. Ook deze fase van het onderzoek eindigde voor de politie bij af.