Skip to content Skip to sidebar Skip to footer

Van de heerlijkheid Wertherbroek

Naar aanleiding van de viering van 600 jaar stadsrechten van Werth, bijgewoond door leden van het bestuur van Voet,  publiceren we onderstaande tekst uit de annalen van de heerlijkheid Wertherbroek opnieuw.

Tot de bezittingen die de heren van Culemborg ook over onze landsgrenzen hadden, behoorde eeuwen lang het Duitse Werth en Wertherbroek. Deze gecombineerde heerlijkheid was in de veertiende eeuw door huwelijk van heer Hubert van Culemborg met Jutta van der Lek aan de heren van Culemborg gekomen. In het begin van de achttiende eeuw werden beide heerlijkheden verkocht.

Werth ligt vlak over de grens, aan de Oude IJssel, ten zuidoosten van Isselburg en Anholt; Wertherbroek ligt drie kilometer ten zuiden daarvan. Werth behoort thans tot de gemeente Isselburg, Wertherbroek daarentegen valt onder een andere gemeente, de gemeente Hamminkeln. In 1976 knoopte de gemeente Isselburg na drie en een halve eeuw weer banden aan met de stad Culemborg. Te gedenken was toen dat heer Hubert van Culemborg in 1426 stadsrechten aan Werth had gegeven.

In het onderstaande artikel trekt de heer Heinz Weyer, ‘buitenlid’ van ons genootschap te Wesel, een draad door zeven eeuwen geschiedenis van ‘het broek van Werth’. Het artikel is eerder verschenen in het ‘Jahrbuch 1996’ van de ‘Kreis Wesel’. (red.)

ZEVEN EEUWEN BROEKLAND
Het gebied dat we later de heerlijkheid Wertherbroek zijn gaan noemen, behoorde oudtijds tot het ‘Land Aspel. Dit ‘Land’ was geen aaneengesloten gebied, maar bestond uit een uitgebreid goederencomplex dat toebehoorde aan de heren op de burcht Aspel.

In de tijd dat Anno aartsbisschop van Keulen was (1056-1075), heeft Vrouwe Irmentrud, zij was de laatste dochter van graaf Godizo van Aspel – dit goederencomplex, met de kapittelkerk te Rees, aan het aartsbisdom Keulen geschonken. Sdertdien waren de bisschoppen van Keulen de geestelijke én wereldlijke heren over de Aspelse goederen.

Wertherbroek vinden we in deze tijd nog niet genoemd. Dat gebeurt pas twee eeuwen later. Voor het eerst wordt het dan vermeld in een oorkonde waarin de Keulse aartsbisschop Siegfried heer Hendrik van der Lek beleent met “een deel van het broekland dat voor zijn (Hendriks) Burcht te Werth ligt, en dat aan de bisschop toebehoort’. Hendrik kreeg toestemming dit moerassige land te ontginnen. Het land kreeg hij als erfelijk leen. Zo’n leen verbond een leenman, die immers ook lenen van andere heren kon hebben, in geval van een conflict tussen die heren allereerst die leenheer te dienen aan wie hij zich door zo’n leen verbonden had.

De genoemde oorkonde is van 3 april 1296 en bevindt zich in het Rijksarchief in Gelderland te Arnhem – in het Archief van de heren en graven van Culemborg – nog wel een afschrift van. Dit afschrift werd rond 1535 gemaakt.

EIGEN KERK
Ridder Hendrik van der Lek was een Hollandse edelman. In de Krimpenerwaard, rond Lekkerkerk, lag de heerlijkheid waarnaar hij zich noemde. Hoe hij in het bezit van het slot Werth (‘castrum suum tun Weerde’) is gekomen, is niet helemaal duidelijk. In de lokale geschiedschrijving wordt enkele keren het vermoeden geuit dat Hendrik dit door een huwelijk met de erfdochter van de heer van Werth heeft verkregen. Hiertegen pleit echter dat Hendrik in 1271 met Jutta von Borselen getrouwd blijkt te zijn; in mei 1296 blijkt hij gehuwd met Heilwich van Bentheim. Mogelijk is evenwel dat Hendriks vader die ook Hendrik heette – met een dochter van Werth huwde. Hier is echter niets zeker. Tot de rechten die Hendrik bezat, behoorden naast een belangrijke Rijntol te Schmitthausen onder andere een marktgeld (de ‘schmale Zoll) dat te Bocholt werd geheven.

Over de eigenlijke ontginning van het moerassige broekland vertellen de bronnen ons niets. Het lijkt ons denkbaar dat Hendrik, die in 1305 voor het laatst in de bronnen voorkomt, of zijn zoon Peter, daartoe opdracht heeft gegeven aan Hollandse ontginningswerkers, die daarin immers zeer bedreven waren. Rond deze tijd waren ze ook op andere plaatsen in de omgeving actief. Heer Peter zorgde ervoor dat zijn ‘dorp in het broek’ enkele belangrijke rechten kreeg. Ze waren medebepalend voor de verdere ontwikkeling van Wertherbroek.

Zo twistte hij, in ieder geval sinds 1313, met het kapittel te Rees over de tienden die daaraan uit het Wertherbroek betaald moesten worden. Tot een vergelijk kwam het op 15/16 april 1318. Heer Peter verplichtte zich toen om jaarlijks op St. Maarten (11 november), wegens de grove en smalle tienden, honderd mud haver bij de korénschuur van de kerk te Rees af te leveren. Omdat de afstand tot de moederkerk in Haldern groot was en de wegen slecht waren, kreeg hij als tegenprestatie toestemming om te Wertherbroek een kerk te stichten ter ere van Maria. Deze Maria-kerk kreeg tevens het recht van dopen en begraven en tot het bedienen der andere sacramenten. Heer Peter en zijn opvolgers kregen verder het recht de pastoor voor te dragen. De kerk te Rees hield echter het benoemingsrecht.

Dit èn de plicht van de inwoners van Wertherbroek om te Haldern aan het ‘Sendgericht’ (een jaarlijks rondtrekkende bisschoppelijke rechtbank) deel te nemen maken het overigens niet aannemelijk dat Wertherbroek in deze vroege periode al een volledig zelfstandige parochie was.

GEKOPPELD AAN WERTH
Drie jaar later, op 18 augustus 1321, beleende de Keulse aartsbisschop Hendrik heer Peter van der Lek en maakte hem tot zijn burgman op de burcht Aspel. Het is in deze oorkonde dat we een aantal voor de geschiedenis van Wertherbroek belangrijke zaken kunnen lezen. Voor het eerst worden daarin de grenzen van het Broek duidelijk omschreven:

“het Broek en de landerijen die in een gebied liggen dat in de lengte aan de ene zijde Segedike (d.i. Seewall op de grens met Loikum) genoemd wordt en aan de andere zijde Caltuort (de Kahlfurter Heide is nog steeds een begrip), en dat insgelijks, in de breedte ligt tussen aan de ene kant een berg die Wittenhorst genoemd wordt (bij Haldern), en aan de andere kant de Oude Ijssel (nu de kleine Issel)…”

In de komende eeuwen zouden er nog diverse onenigheden ontstaan over de grenzen van het broek, niet alleen tussen de hoge heren maar ook tussen kleine lieden.

Verder blijkt uit de beleningsoorkonde ook dat de heer van der Lek een bijzonder voorrecht kreeg. Hij ontving “de hoge en lage rechtspraak, ook waar die ons en onze kerk aangaat. Onderworpen aan de hoge rechtspraak waren die misdrijven waarop als straf de dood of een lijfstraf stond (zoals moord, doodslag, lijfschade, verkrachting, brandstichting, diefstal en beroving) alsmede civiele zaken van een hogere aard (die raakten aan persoonlijke vrijheid en grondbezit). Tot de lage rechtspraak behoorden de overige overtredingen, die met lagere straffen bestraft werden, en twisten over schulden of roerende goederen. Ook dit rechtsprivilege was nadien nog vele malen onderwerp van geschil. Van belang voor de toekomst van Wertherbroek was tenslotte de passage over de leenopvolging:

“…, dat hem in de bovengenoemde rechten en plichten zal volgen zijn legitieme erfgenaam, de heer van der Lek die dan bezitter der burcht Werde is, die bij Aspel ligt, en niemand anders; onverlet latende de rechten der kerk op haar tienden uit de genoemde landerijen en broekgebieden”.

Hier werd Wertherbroek dus ten nauwste met Werth verbonden: de belening met Wertherbroek was voortaan gekoppeld aan het bezit van Werth. Men zou dit wel het begin van de heerlijkheid Werth’ kunnen noemen. Immers, bij latere beleningen treden de leenmannen veelal nog slechts op als heren van Werth; de belening met Wertherbroek is dan zonder expliciete vermelding inbegrepen.

Deze combinatie van lenen is opmerkelijk. Immers de bisschop van Munster was de leenheer voor het Westfaalse Werth. Dit betekende dus dat de aartsbisschop van Keulen zich bij de belening met Wertherbroek, dat een Rijnlands leen was, afhankelijk maakte van de beslissing van een andere kerkvorst. De heren van Werth (en Wertherbroek) lieten het bestuur over de beide plaatsen later over aan één persoon (de drost of ambtman), maar dit deed niets af aan het feit dat Werth tot het Munsterse territorium en Wertherbroek tot het bisdom Keulen, later tot het hertogdom Kleef behoorde.

RECHTER EN HEYMRADEN
Opvolger van Peter van der Lek was zijn zoon Hendrik. Deze moet – op zijn laatst in 1342 – kinderloos zijn overleden. Hubert van Culemborg werd nu de nieuwe heer van Werth en Wertherbroek. Hij was gehuwd met Jutta van der Lek, een dochter van heer Peter. De heren van Culemborg vormden een invloedrijk geslacht dat zijn machtspositie onder meer door goede huwelijken nog verder wist uit te bouwen. Hoe geducht deze nieuwkomers waren, blijkt onder andere uit een oorkonde van 3 oktober 1344. Hierin liet de machtige graaf van Kleef de heer van Culemborg en zijn zoon de plechtige belofte doen dat zij hem elke schade zouden vergoeden die hem door de Culemborgers of door “uns ghesinde of yeman die uns thogehoert van den huys ten Weerde of uten broke van den Weerde mit hore tobehoringe” zou worden toegebracht.

Een eerste duidelijke aanwijzing dat er in Wertherbroek rechtspraak werd uitgeoefend, vinden we in een oorkonde uit het jaar 1366, die werd uitgereikt door niet bij name genoemde Rechter en Heymraden (schepenen) in Wertherbroek. Het stuk zelf gaat over een erfrente uit een stuk grond in het Wertherbroek die aan het klooster Marienthal wordt geschonken. Aan het document hangt een zegel. Op het zegel staat een burcht met drie torens. Dit zegel vinden we ook op latere documenten. Te eniger tijd heeft dit zegel de functie van een schepenzegel gekregen, want de rechter gebruikte, aantoonbaar vanaf 1531, een eigen zegel dat hij mede aan de oorkonden hing.

Het randschrift van het oorspronkelijke zegel luidt: SIGILLUM PALUDIS DE WERDE (d.i. zegel van het broek van Werth). De zegelafbeelding zelf kon tot nu toe niet bevredigend verklaard worden; er zijn namelijk geen aanwijzingen dat er in Wertherbroek ooit een burcht gestaan heeft.

Reeds negen jaren eerder, in 1357, komen we als getuige in een oorkonde al een Dietrich von Wilgenhaven tegen. Deze is ‘in Weyderbruke iudex (=rechter). Het is zeer waarschijnlijk dat al in deze vroege fase van de gecombineerd Rijnlands-Westfaalse heerlijkheid Werth bestuur en rechtspraak (door ambtman en rechter) door één en dezelfde persoon werden uitgeoefend. Al in 1349 komen we namelijk in de stadsrekeningen van Wesel de genoemde Von Wilgenhaven tegen als drost/ambtman van Werth. In later tijd werden deze taken echter door meer personen verricht; zo kwam er als hoge ambtenaar een rentmeester bij die de financiën beheerde.

STADSRECHTEN
Wertherbruch werd ‘Kleefs’ toen de Keulse aartsbisschop Frederik III in 1392 voor een hoog bedrag onder andere Aspel aan graaf Adolf van Kleef verpandde. Wertherbroek hoorde daarbij. Dit betekende dat de belening met Wertherbroek voortaan niet meer door de aartsbisschop, maar door de graaf, sinds 1417 de hertog van Kleef geschiedde. Ondanks pogingen daartoe, lukte het de Keulse kerk nadien niet meer het pand te lossen.

Op 8 april 1426 gaf de toenmalige leenman, heer Johan van Culemborg, – op hun verzoek en wegens door hen verleende trouwe diensten aan zijn onderdanen in Werth én Wertherbroek bepaalde voorrechten die de basis van het stadsrecht van Werth vormden. Het ging daarbij om ongeveer 60 artikelen, die vooral een verordening op het gerecht vormden, maar evenzeer het burgerlijke leven aangingen. Zo werden daarin bijvoorbeeld ook het erfrecht, de weerplicht, de bebouwing, belastingen en inkomsten geregeld. Een middeleeuwse stad in de volle zin des woords kwam hierdoor naar de mening van deskundigen niet tot stand; daarvoor waren de verleende rechten niet volledig genoeg. Belangrijk voor ons is evenwel dat het hierbij om gemeenschappelijke rechten ging die in ieder geval voor Wertherbroek een verdere ontwikkeling gaven aan een reeds bestaande rechtstoestand.

ONDER DE PALLANDTS
Aan de lange rij mannelijke heren van Culemborg kwam een einde met Jasper van Culemborg. Hij overleed op 29 november 1504. Als Vrouwe van Culemborg trad nu zijn kinderloos gebleven dochter Elisabeth aan. Zij stond in hoog aanzien bij koning Philips de Schone en keizer Karel V. Haar tweede echtgenoot, Antony Lalaing, was stadhouder van Holland en Zeeland. In hun tijd was Culemborg een belangrijke plaats. In 1555 verhief Karel V Culemborg tot graafschap. Floris van Pallandt, achterneef en erfopvolger van Vrouwe Elisabeth, werd de eerste graaf. Deze graaf die in hoog aanzien stond, verzette zich in de Nederlandse vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden. Hij moest daarom Culemborg ontvluchten. Verblijf hield hij daarna op zijn bezittingen in Duitsland, waaronder de heerlijkheid Werth.

Door zijn eerste vrouw, een lutherse, veranderde de streng katholiek opgevoede Floris van religieuze gezindheid. In Werth en Wertherbroek kwam het hierdoor tot een beeldenstorm. Uit 1572 is een bezwaarschrift bewaard gebleven waarin de inwoners van Wertherbroek bij hun landsheer, de hertog van Kleef, klagen over de ‘schandelijke verwoestingen’ die de graaf van Culemborg zelf in hun kerk zou hebben aangericht; geen altaar of doopvont was meer heel gelaten. Het feitelijke tijdstip waarop in Wertherbroek de Reformatie zich voltrok, laat zich niet vaststellen. De overgang naar het protestantisme was, zoals in vele plaatsen, een langdurig proces dat zeker niet altijd door de bevolking werd gesteund. Vast staat dat al in 1567 met Johannes Ligarius een lutherse predikant in Wertherbroek actief was. Voor het Kleefse hof, waar de invloed van de katholieke raadsheren groot was, waren de klachten uit Wertherbroek aanleiding de plaats te laten bezetten. De inwoners moesten nu de hertog huldigen. Gevolg was wel dat ze voortaan ook onder de Kleefse belastingen kwamen te vallen, voor die tijd hadden ze slechts aan de Culemborgers moeten betalen. De oorlogs-handelingen tussen Spanjaarden en Nederlanders richtten ook in de heerlijkheid Werth grote schade aan. Keer op keer bezetten troepen soldaten de buurtschappen en werd er geplunderd. De bevolking werd door alle partijen misbruikt en in het nauw gebracht. De heerlijkheid Werth lijkt vanaf 1581 tot het moment dat het door Engelse en Hollandse troepen veroverd werd, doorlopend door de Spanjaarden bezet te zijn geweest. Ooggetuigenverslagen en berichten uit die tijd getuigen ervan dat er veertien jaar lang niemand in Wertherbroek had kunnen wonen.

Pas in 1603 lukte het Floris II opnieuw door de hertog van Kleef met Wertherbroek beleend te worden. De wederopbouw van de verwoeste heerlijkheid zorgde voor enorme kosten. De schade beliep volgens schattingen meer dan 200.000 gulden. Floris heeft zich echter blijvend voor het herstel van zijn heerlijkheid ingezet. De geldmiddelen die hij dáárvoor, voor behoud van neutraliteit én voor vrijwaring van doortrekkende troepen nodig had, probeerde hij – ondanks felle weerstand van de inwoners – voor een deel door nieuwe belastingen te dekken.

GEORG FREDERIK
In 1609 stierf met hertog Johan Willem van Gulik, Kleef en Berg de Kleefse hertogelijke familie uit. Voor wat het hertogdom Kleef betreft was het uiteindelijk de Keurvorst van Brandenburg die in de strijd om de opvolging aan het langste eind trok. Deze vorst ging in 1613 over tot de gereformeerde geloofsbelijdenis.

Na het kinderloos overlijden van Floris II in 1639 kwam Wertherbroek aan een verwante tak van de graven van Waldeck. Van een nieuwe belening kwam het echter pas in 1651, toen graaf Georg Frederik van Waldeck een belangrijke positie ging innemen aan het hof van de ‘Grote Keurvorst’, Friedrich Wilhelm van Brandenburg. Graaf Georg Frederik, die later in Nederlandse dienst trad, nam aan vele veldtochten deel, zoals aan de bevrijding van Wenen op de Turken in 1683. Hij spande zich er voortdurend voor in om verbonden tussen de protestantse staten tot stand te brengen. Georg Frederik werd in de Rijksvorstenstand verheven; in de Nederlanden werd hij veldmaarschalk.

De Waldeckse graaf bemoeide zich echter met meer dan de grote politiek alleen. Hij beijverde zich ook om de zaken in zijn verspreide bezittingen te regelen. Zo bevestigde hij in 1651 de inwoners van Werth en Wertherbroek in hun aloude privileges. Wat later vaardigde hij een verordening uit op de procesvoering en op de landtollen, verbood hij aan rechter en inwoners het plaatsen van meibomen, en trof hij maatregelen ter bescherming van de wildstand en zijn jachtrecht.

Meer dan eens trokken in deze tijd rovende en plunderende huursoldaten door de omgeving van Werth. Verschillende verslagen getuigen van de schade. Een lijst uit 1673 geeft de namen van 73 inwoners van Wertherbroek van wie alleen al aan vee 133 paarden, 430 koeien, zeven kalveren, 255 varkens en 47 biggen waren gestolen. Aan ontvreemd voedsel, kleding, huisraad en veevoer kon daar vaak nog het nodige aan toegevoegd worden.

BETWISTE RECHTEN
Georg Frederik stierf in 1692. Hij liet Werth en Wertherbroek na aan zijn twee jongste dochters Sophia Henriëtte, hertogin van Saksen-Hildburghausen, en Albertine Elisabeth, gravin van Erbach. De beide erfgenamen werden nadien echter keer op keer geconfronteerd met Brandenburgse eisen, eisen die er voorheen zo niet waren geweest.

Wat betreft de eis om bij te dragen in de Brandenburgse belastingen, kwam men uiteindelijk tot een vergelijk: er werd een vaste bijdrage van 700 Reichstaler overeengekomen, die jaarlijks betaald moest worden. Twistappel bleef evenwel de rechtspraak. Van Waldeckse zijde hield men vast aan een recht van Appèl op het Culemborgse Hof, men ging niet akkoord met een hoger beroep op de Kleefse rechtbank. Brandenburg haalde uiteindelijk ook een streep door de oude ‘herendiensten’ die de inwoners van Wertherbroek voornamelijk in het ‘buitenlandse’ deel der heerlijkheid – dus in Werth; daar was immers het slot van de heren van Wertherbroek, moesten vervullen.

Andere twisten betroffen een gemene weide (of meent) die Dierte of Isselbusch heette. De stad Isselburg claimde hier eigendomsrechten; aan de Waldeckse kant poneerde men daarentegen dat de weide geheel binnen de in 1321 genoemde grenzen van het Wertherbroek lag. De kern van het conflict ging ondertussen over meer dan de omvang der weide. Voor de heer van Wertherbroek betekende een groter territorium vooral een groter gebied waar hij belastingen kon heffen. En ook voor de inwoners van Wertherbroek waren de inwoners van Dierte belangrijk. Zij droegen immers hún deel bij aan de op te brengen belasting van 700 Reichstaler. De twist werd in 1694 opgelost: Isselburg kreeg het westelijke deel van de weide (de Dierte); het oostelijke deel (het Isselbusch) bleef bij Wertherbroek.

VERKOOP
Van de beide Waldeckse zusters overleed in 1702 Sophia Henriëtte. Werth en Wertherbroek kwamen nu aan haar zoon, Ernst Frederik van Saksen- Hildburghausen. Deze kleinzoon van Georg Frederik verkocht Werth en Wertherbroek in eerste instantie in 1709 aan de Pruissische veldmaarschalk en rijksgraaf Alexander Hermann van Wartensleben. Achtergrond van de verkoop was Ernst Frederiks wens zich een cavallerieregiment en een charge als generaal-majoor te kunnen verwerven. De graaf van Wartensleben, een vertrouweling van de Pruissische koning, diende daarvoor een deel der benodigde penningen op tafel te leggen én zijn invloed aan het hof aan te wenden. De transactie ging evenwel niet door. De bisschop van Munster, die leenheer voor Werth was, onthield zijn toestemming. De bisschop kocht Werth in oktober 1709 zelf aan, voor een bedrag van 75.000 Taler. Hierdoor kwam een einde aan het eeuwenlange samengaan van Werth en Wertherbroek in de ‘heerlijkheid Werth’.

De onderhandelingen over de verkoop van Wertherbroek duurde nog tot 16 november 1715. Pas toen werd een koopovereenkomst tussen Ernst Frederik n de graaf van Wartensleben gesloten. Wertherbroek werd voor de prijs van in totaal 42.500 Rijkstaler verkocht. Onder de verkoop vielen verschillende bezittingen zoals de goederen Rodehorst en Kaiserhorst, boerderijen, tienden, tijnsen en bieraccijnzen alsook enkele kerkelijke en burgerlijke rechten. Naar de Pruissische koning toe had de graaf van Wartensleben al in 1712 afstand gedaan van de souvereiniteit en het appèlrecht op Culemborg. In ruil daarvoor had hij de verzekering gekregen dat hij de overige oude rechten zou blijven houden. Pas in 1716 kon ook een ander twistpunt, over het bezit van het tussen Werth en Wertherbroek gelegen gebied Middeldonk opgehelderd worden. Niet de bisschop van Munster, maar de graaf van Wartensleben kreeg hiervan het bezit.

In de jaren die volgden, zouden er echter nog voortdurend twisten zijn, met name tussen de graaf en de ‘koning in Pruissen’, vooral over diens heerlijke rechten, het betalen van Brandenburgse lasten en de inkwartiering van troepen. Ook voor de inwoners waren de rechten van de heer en de te betalen belastingen nog regelmatig oorzaak van grote onenigheid met de graaf en zijn ambtenaren.

In 1754 werd Wertherbroek tot een vrij eigen goed gemaakt: Wertherbroek was voortaan geen leen meer. In de nasleep van de Napoleontische verove-ringen, in het begin van de vorige eeuw, hield de heerlijkheid Wertherbroek op te bestaan. De inspanningen van haar bezitter, Carl Alexander Wilhelm von Wartensleben, teneinde zijn rechten hersteld te krijgen bleven hierna zonder succes. In 1843 verkocht hij de hem nog resterende bezittingen en rechten.

Heinz Weyer.

In 1996 vertaald en bewerkt door Bert Blommers en Jos Jacobs.