tekst

En toen was het zover, de onthulling van het Joods monument dat uiteindelijk terecht is gekomen achter de vroegere synagoge aan de Jodenkerkstraat. Ook over die plaats was een heleboel te doen, maar uiteindelijk blijkt het de juiste plaats.

Iedereen die vanaf de Oostersingel de stad binnen komt, en dat zijn zeer veel mensen, ziet het monument staan. Overdag niet te missen, 's avonds mooi aangelicht.

Pierre van der Schaaf hield een toespraak die veel toehoorders heeft geroerd. Wij geven hem hier integraal weer:

Verleden – heden – toekomst

Afgelopen maand 73 jaar geleden eindigde de 2e Wereldoorlog. De Japanners capituleerden enkele maanden nadat Nazi-Duitsland zich in Europa onvoorwaardelijk overgaf. Dat na tot het bittere einde te hebben doorgevochten.

Over het ‘waarom’ en ‘waardoor’ en het ‘hoe’ van dat laatste verschijnen de laatste jaren steeds meer boeken. De conclusie in al die boeken is unaniem: doordat Duitsers, onder druk van het onmenselijke Naziregime, inderdaad doorvochten tot de laatste man, in de laatste fase ook tot het laatste kind of laatste grijsaard, kon het aantal ‘Untermenschen’, waarmee de Nazi’s de Joden bedoelden, dat werd vermoord stijgen tot rond de 6 miljoen. Maar ook de Sinti en de Roma, Jehova’s Getuigen, homosexuelen, mensen met fysieke en geestelijke beperkingen, vrijmetselaars, ‘Bibelforscher’, Esperantisten en Slavische volkeren werden vervolgd met het doel de Nazi-wereld van hen te verlossen.

Het verleden moet een les zijn voor het heden én voor de toekomst, met tegen de achtergrond dat ‘l’histoire se répète’, de geschiedenis herhaalt zich.

Voor de oorlog trachtten Duitse Joden op alle mogelijke manieren uit Duitsland weg te komen. Zij hadden er hun hele vermogen voor over een veilig heenkomen over een grens te vinden. Vaak stuurden zij hun kinderen vooruit en bleven zelf achter. Uiteindelijk in de Nazi-val.
En nu, de geschiedenis herhaalt zich: radeloze vluchtelingen willen, ook om economische redenen, naar het werelddeel Europa waarvan zij denken dat het hen perspectief biedt. Tja, wat doe je als je in eigen land geen toekomst ziet.

Wij laten vluchtelingen sinds enkele jaren eindeloos op zee dobberen. Wij sturen kinderen terug naar een land waarvan ze de taal niet spreken en waaraan ze nauwelijks tot geen herinneringen hebben. Wij wassen daarna onze handen in juridische onschuld.

Inderdaad, de geschiedenis herhaalt zich.

Ik moet denken aan de ‘oude koningin’, Koningin Wilhelmina. Zij had liever niet dat het opvangkamp voor gevluchte Duitse Joden bij haar, achter Het Loo, op de Veluwe terecht kwam. Het latere ‘Durchgangslager’, doorgangskamp werd toen gebouwd bij Westerbork in het verre Drenthe.

Ik moet denken aan de Nederlandse ambtenaren, inclusief de politiemensen en de mensen van de spoorwegen en de trams, die er voor zorgden dat de Duitsers zich nauwelijks hoefden in te spannen om 110.000 Joden in Nederland op te halen.

Door gebrek aan geld of connecties konden zij geen onderduikadres vinden en via Vught, Amersfoort en uiteindelijk Westerbork werden zij afgevoerd naar ‘het oosten’. Dat bleken uiteindelijk de vernietigingskampen te zijn.
Meestal was het een reis van drie dagen en drie nachten, steeds vaker in veewagons zonder voldoende drinken en eten. En zonder licht, lucht en sanitaire voorzieningen. Maar de Deutsche Reichsbahn kreeg wel per reiziger vergoed: 3e klasse. Met voor volwassen vol en voor kinderen gereduceerd tarief. Voor de helderheid: de kaartjes waren ‘enkele reis’.
De toekomst stond dus eigenlijk al vast.

Na aankomst in Auschwitz, Sobibor of een ander vernietigingskamp, kwam het merendeel van hen direct in de gaskamers terecht. Althans zij die daar levend aankwamen. Voordat ze werden verbrand werden hun lichamen eerst nog beroofd van waardevolle spullen zoals hun gouden kiezen.

‘Wir haben es nicht gewusst’, ‘wij wisten het niet’, zeiden de omwonenden na de oorlog tegen de Amerikanen. Als dat zo was moest je stekeblind en zonder reukvermogen zijn geweest. De Amerikanen gaven de omwonenden daarop een eenvoudig lesje: ze werden allemaal naar het KL, ‘Konzentrations Lager’, Concentratie Kamp, gestuurd om zelf te kijken en te ruiken. Dat is het verleden waarover wij weten in het heden.

Het is de vraag wat wij met de kennis van nu doen voor de toekomst.

De toekomst van niet alleen ons, maar vooral van onze kinderen, onze kindskinderen, nee, van de àlle kinderen op deze wereld. Wat doen wij er mee, in hoeverre hebben wij een positieve houding tegenover mensen die het graag beter willen hebben.

Canada, de VS, Australië en Nieuw-Zeeland, om maar een paar landen te noemen, namen na de oorlog vele duizenden uit Nederland op.
Zij vluchtten om economische redenen dan wel uit angst voor het communisme. Die landen gaven hen, ook uit eigen belang, een kans op een beter leven. Velen van hen zijn daar gebleven en hebben daar een toekomst kunnen opbouwen.

Wij zijn hier bij een monument om stil te staan:

-     bij het verleden, ‘wie zonder zonden is werpe de eerste steen’ en ter lering,

-     bij het heden: reflecteren om te zien hoe wij het eigenlijk doen en

-     bij de toekomst: wat voor wereld willen wij nalaten aan onze kinderen en kindskinderen. Nee, aan àlle kinderen op deze wereld.

‘Wel vergeven maar niet vergeten’ was de les van de rector tijdens de 4 mei herdenking in het Hervormd Lyceum in Amsterdam, begin jaren ‘50.

Dat vergeven was lastig in de omgeving waarin wij toen opgroeiden: moeders wilden nog altijd hun fiets terug en verschillende vaders hadden een redelijke tik opgelopen door wat zij hadden meegemaakt.
En de stilste klasgenoten onder ons hadden, zo bleek later, geen grootouders, geen ooms en tantes en geen neven en nichten meer.

Vergeven? Langzamerhand sleet het haatgevoel, want dat heerste in die tijd toch.

Ruim 20 jaar na de oorlog ging ik als eerste van ons gezin, voor mijn opleiding, de grens over naar de landen van de Nazi’s, Duitsland en Oostenrijk.

Wij zijn nu ruim een halve eeuw verder en er is veel veranderd.

Het was een Duitse kunstenaar, Günther Demnig die in 1992 het initiatief nam herinneringen aan ook niet-Joodse slachtoffers in het straatbeeld vast te leggen. Door Stolpersteine, struikelstenen. Inmiddels al meer dan 68.000. Nog miljoenen te gaan overigens.

Wij spraken een oud-lid van de BDM, de Nazi Bund Deutscher Mädel, die zag hoe Joodse buurmeisjes en klasgenootjes werden weggevoerd om nooit meer terug te keren. Na de oorlog bezocht zij scholen in en rond Worms om de leerlingen het ‘dit nooit weer’ bij te brengen.

Zij is inmiddels overleden maar anderen zetten haar werk, en dat van andere inmiddels ook overleden tijdgenoten, voort. Niet alleen in Duitsland maar ook in Nederland. Met vaak een monument als een ijkpunt en ontmoetingspunt.

Culemborg heeft nu zo’n monument, midden in de stad en op een plek waar ooit sprake was van een dynamisch Joods leven. iets dat nooit meer terug zal komen. Laat dit monument ons herinneren aan de 38 Culemborgse Joden die van hier werden weggevoerd om daarna in Auschwitz, Buchenwald, Sobibor en Westerbork door de Nazi’s te worden vermoord.

Aan hen zijn de volgende achternamen verbonden: Aussen, De Beer, Gans, Van Gelderen, Kolthoff, Löbschen, Mertz, Mautner, Seckl, Van Spier, Vorst, Walg en Wijzenbeek.

Opgedragen aan hen tot slot, in het Nederlands omdat er geen Minjan is, de Nederlandse versie van het Kaddiesj.

Moge zijn grote naam verheven en geheiligd worden in de wereld die hij geschapen heeft naar zijn wil.
Moge zijn koninkrijk erkend worden in uw leven en in uw dagen en in het leven van het gehele huis van Israël, weldra en spoedig.
Zegt nu: Amen

Moge zijn grote naam gezegend zijn nu en voor altijd.
Gezegend, geprezen, gevierd, en hoog en hoger steeds verheven.

Verheerlijkt, gehuldigd en bejubeld worde de naam van de Heilige, gezegend zij hij hoog boven iedere zegening, elk lied, lof en troost die op de wereld gezegd wordt.
Zegt nu: Amen

Moge er veel vrede uit de hemel komen en leven! Over ons en over heel Israël.
Zegt nu: Amen

Hij die vrede maakt in zijn hoge sferen,
zal ook vrede maken voor ons en voor geheel Israël
Zegt nu: Amen

Culemborg, 05 09 2018 Pierre van der Schaaf

Toespraak en gedicht Harmen Holwerda

Geachte aanwezigen,

Graag bedank ik u, bestuur van de Stichting Joods Monument Culemborg voor de mogelijkheid hier kort het woord te voeren. Ik zal dat doen in twee hoedanigheden, namelijk als lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk (NGK, gebruiker van de voormalige synagoge) en als huidige stadsdichter van Culemborg.

Na WOII werd de synagoge in 1950 als gereformeerde kerk in gebruik genomen. Ook nu nog vindt er wekelijks een kerkdienst plaats op zondagmorgen. Voor velen in Culemborg is dit een speciale plek, niet alleen voor kerkgangers, maar ook voor leden van zangkoren, bezoekers van concerten, activiteiten van de Roos enzovoorts.

Namens de NGK kan ik u het volgende zeggen. U kunt u misschien de blijvende verlegenheid voorstellen die wij als christelijke gemeente voelen bij het gebruik van een synagoge wier gemeente tijdens de oorlog vrijwel is uitgeroeid. Het minste dat wij kunnen doen is het gebouw gebruiken met respect voor haar geschiedenis en Joodse karakter. Elke zondag stappen wij over de Stolperstein bij de ingang en lopen we bij de entree onder de boog door met de Hebreeuwse tekst uit Jesaja 56: Want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken. Dat gebed willen we graag gaande houden. We spreken de hoop uit dat ook dit nieuwe monument zal eren, gedenken en leren.

Tijdens een kerkdienst keek ik een keer door het vensterraam dat u hier achter mij ziet. Misschien weet u dat de synagoge gebouwd is in de richting van het land Israël. Het raam geeft daarmee uitzicht en wenkende hoop voor een toekomst: tot ziens in Jeruzalem! Daarover schreef ik een gedicht, een vers over de synagoge, waarin genoemde struikelsteen en Hebreeuwse tekst een rol spelen. Een gedicht is kort, geconcentreerd. Daarom, voor een completer begrip van het gedicht nog het volgende: in het verleden was er naast de synagoge nog een mikwe (Joods badhuis) en een godsdienstschool. Verder bevat het vers een verwijzing naar de sederavond (waarop het jongste kind vragen stelt) en de wanden van Praagse synagogen waarop de namen van omgebrachte Joden geschreven staan. Het gedicht eindigt zoals gezegd met een toekomst die zich opent.

Ik vind het erg fijn dat Tineke van der Meulen, mijn klarinetdocent, het gedicht zal in- en uitluiden met twee jiddische melodieën. Ik geef je graag het woord, of beter gezegd, de muziek.

Synagoge in Culemborg

Zie haar daar staan, alleen, een koe
met haar kont in de wind in een weide
van asfalt en steen, geen schut of schouder,
waar menigeen ooit baadde bij de buren,
of leerde van liefde en wet. Weg wet,
weg gebed en liefde en volk, een gat
in de stad, bijna niemand kwam terug.

Een meisje struikelt op de stoep, opent
het hek, vraagt: vader, wat staat daar
boven de deur, wat is dat bitter
in uw mond? Stil, zegt hij, hoor, iemand bidt,
schrijft namen op de muur, de hemel huilt,
er zingt een stem, zie daar, dat raam, kijk ver,
heb lief, voorbij de einder ligt Jeruzalem.

Harmen Holwerda, 05-09-2018