Artikelindex

PAPIER MET BLOEDVLEKKEN

Bij hun onderzoek in Culemborg naar de relaties en achtergronden van zowel Jan Vroege als Claas Sweeris benaderden de Amsterdamse rechercheurs ook enkele leden van de niet al te gunstig bekend staande familie Collé. Uit hun mond tekenden zij wonderlijke verhalen op die betrekking hadden op ex-rechercheur Haveman. Zo vertelde Collé jr. dat hij, 'toen het openbaar gerucht zich tegen Haveman keerde' eens tegen hem had gezegd: 'Ze komen je vandaag of morgen halen.' Daarop had Haveman gereageerd met de woorden: 'Als ze me halen dan moeten ze er nog een paar bij nemen.' Collé jr. had ook nog een andere mededeling voor de rechercheurs. Op de maandag waarop de moord was ontdekt, was hij 's avonds rond acht uur samen met zijn meisje bij Havekamp thuis op bezoek gegaan. Het was hem opgevallen dat Haveman de hele avond had gezeten 'op een stuk papier, waarop bloedvlekken zaten'. Toen zijn meisje dat later tegenover de politie had verklaard, had de echtgenote van Haveman haar dat zeer kwalijk genomen. Jan Collé was er eens getuige van geweest dat Haveman een 'zenuwtoeval' had gekregen en had uitgeroepen: 'Jan, Jan 't loopt mis.' Zijn vrouw had hem toen door elkaar geschud onder de uitroep: 'Wat ga je nu doen?' Verder was er de verklaring van een getuige die bijna twee jaar na de moord ten huize van mevrouw Haveman, die inmiddels naar Assen was verhuisd, tijdens de reparatie aan een klok daarin een biljet van ƒ 100,00 had gevonden. Dat was hem 'bijzonder vreemd' voorgekomen, 'aangezien vrouw Haveman zich altijd zeer arm voordeed en van ondersteuning moest leven'. Ten slotte was er ook nog de verklaring van 'een persoon' uit Assen, die 'beslist onbekend' wenst te blijven en die, nadat de arrestatie van Vroege en Sweeris bekend was geworden, mevrouw Haveman had horen uitroepen: 'Nu hebben ze den goeden, nu zullen ze zien dat mijn man niet de hoofdschuldige is.' Wat daar verder van zij, na de arrestatie van Claas Sweeris bleek het voorde Amsterdamse rechercheurs 'noodzakelijk de vrouw van Haveman aan een streng verhoor te doen onderwerpen, daar thans wel duidelijk en niet in het minst door de verklaringen van de Collé's was komen vast te staan, dat zij in deze zaak belangrijke verklaringen zou kunnen geven', aldus noteerde inspecteur Van Slobbe later in zijn rapport aan de procureur-generaal in Arnhem.

tekst van het liedje dat door de Amsterdamse rechercheurs bij Claas Sweris is aangetroffen

De oude baas

Op 25 maart 1926 werd mevrouw Haveman onder begeleiding van de Amsterdamse rechercheurs in Tiel voor de rechter-commissaris, mr. W.J. Hofdijk, geleid. Toen zij ontkende iets van de moord op de Van Wiggens af te weten, werd dat door de rechter-commissaris klaarblijkelijk gezien als een weigering om op de gestelde vragen te antwoorden. Het gevolg was dat mevrouw Haveman op grond van artikel 221 van het Wetboek van Strafvordering in gijzeling werd gesteld. Nadat ze enkele dagen in het huis van bewaring had doorgebracht, legde ze op 1 april de volgende verklaring af. Ik heb den indruk dat Blok vóór den moord op de van Wiggens geweten heeft dat er daar zou worden ingebroken, omdat er anders - terwijl er telkens bij de woning van de van Wiggens werd gepost - ook op den avond van den moord daar wel zou zijn gepost. Haveman heeft gezegd dat de van Wiggens met een spade waren neergeslagen. Voor dat Haveman dien avond ging inbreken en ik hem waarschuwde niet te gaan, zeggende "als ze er nog eens langs kwamen - daarmee doelende op de politie - zeide Haveman, dat die dien avond niet zouden komen, want dat Blok ervan wist.' 'Ik moet nadere bijzonderheden weten, anders gaat u niet weg,' luidde de reactie van rechter-commissaris mr. Hofdijk op deze verklaring.

De volgende dag, 2 april 1926, verklaarde mevrouw Haveman, nu in aanwezigheid van Jan Vroege en Claas Sweeris: In 1923, in de zomer en ook in den herfst, hebben Haveman, Sweeris en Vroege, welke beide laatste ik hier aanwezig zie, bij mij aan huis meermalen besprekingen gehouden in mijn tegenwoordigheid om te gaan inbreken bij Thomas en Gerrigje van Wiggen. Den laatsten keer dat zij zulk eenen bespreking hielden, was omstreeks de tweede helft van December 1923 en werd toen afgesproken dat zij met zijn drie-en den volgenden Donderdag zouden gaan inbreken bij van Wiggen; later heeft Haveman mij meegedeeld, dat het dien Donderdag mislukt was. Den Zondag na dien Donderdag, dit was op 23 December 1923 deelde mijn man, nadat ik even van huis was geweest, mij mede dat hij tijdens mijne afwezigheid met Jan Vroege, Claas Sweeris en "de oude baas" had afgesproken, dat zij dien avond bij de van Wiggens zouden gaan inbreken. Ik trachtte mijn man nog te weerhouden doch te ongeveer 9½ uur is hij weggegaan. Dien nacht kwam Haveman na twaalven thuis en zag ik den volgenden dag dat hij een pakje bankpapier wegbergde. Hij zeide dat dat geld afkomstig was van de van Wiggens, dat er ± 20.000 gulden gestolen was, en dat zij het met zijn vieren hadden gedaan. Haveman zeide met "den ouden baas" op den uitkijk te hebben gestaan en dat Sweeris en Vroege den moord hadden gepleegd. Omstreeks den tweeden Zondag na den moord deelde Haveman mij mede, dat hij dien avond bij Blok was geweest en met hem over den moord had gesproken. (...) Ik heb den indruk gekregen dat met "de oude baas" Blok is bedoeld, doch met zooveel woorden heeft Haveman mij dit niet gezegd (...).' Daarmee leek er eindelijk een doorbraak te zijn in het onderzoek naar de daders van de Culemborgse roofmoord.

Begeleid door drie rechercheurs

De korte verklaring die mevrouw Haveman op 1 april had afgelegd, zou een sensationeel vervolg krijgen. Nog diezelfde avond nam rechter-commissaris mr. Hofdijk telefonisch contact op met inspecteur Van Slobbe, aan wie hij opdracht gaf commissaris Blok de volgende morgen tijdig mede te delen dat hij hem die dag, 2 april, te elf uur in zijn kabinet wenste te spreken '(...) zulks in verband met de grooten spoed, welke vereischt was, daar de als getuige gegijzelde weduwe Haveman, die hare verklaring bereids had afgelegd, niet in vrijheid gesteld kon worden alvorens zij met dien commissaris geconfronteerd was. De commissaris was onmiddellijk bereid aan dat verzoek te voldoen en is geheel vrijwillig met voornoemde inspecteur en de beide rechercheurs die in zijn gezelschap waren, naar Tiel gekomen', aldus mr. Hofdijk in een brief van 15 april 1926 aan de procureur-generaal.

N.B. Waarom de rechter-commissaris niet gewoon rechtstreeks met commissaris Blok heeft gebeld met het verzoek de volgende dag naar Tiel te komen, blijft onduidelijk. Mede gezien de kwantitatief niet geringe begeleiding op zijn treinreis naar Tiel door de Amsterdamse rechercheurs - die hem overigens ook van huis hadden afgehaald - kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hier sprake was van een vorm van intimidatie.

Alvorens zich die tweede april met commissaris Blok bezig te houden, verhoorde rechter-commissaris mr. Hofdijk Melis de Smale. Zijn verklaring was kort maar krachtig:

'Ik ben samen met Claas Sweeris vóór mijn arrestatie op 5 Mei 1923 driemaal ten huize van Haveman geweest. Wij spraken daar erover om te gaan inbreken bij de Van Wiggens te Culemborg aan den Achterweg. Haveman gaf bij die gelegenheid te kennen dat wij voor de politie niet bang behoefden te zijn, want dat hij op zeer goeden voet stond met den commissaris Blok en dat hij, Haveman, er reeds met Blok over had gesproken en dat die wist dat er iets zou gaan gebeuren; dat hij Haveman, den dienst van de politie had te regelen, zoals hij dat wilde.'

Bij aankomst in het gerechtsgebouw in Tiel wordt commissaris Blok tot zijn niet geringe verbazing en ergernis door de Amsterdamse rechercheurs gefouilleerd. Rechter-commissaris mr. Hofdijk daarover in eerder genoemde brief: 'Voor het verhoor heb ik de inspecteur Van Slobbe verzocht zich in de getuigenkamer te overtuigen of de commissaris een revolver bij zich had en zoo ja, hem die af te nemen, zulks uit voorzichtigheid teneinde eene eventueele poging tot zelfmoord te voorkomen. De aanwijzingen toch welke tegen den commissaris waren verkregen, waren voor hem zeer bezwarend en de ervaringen met wijlen Haveman opgedaan, gebood ook op dit punt de vereiste voorzorgsmaatregelen in acht te nemen.' Hierna wordt Blok door de rechter-commissaris geconfronteerd met mevrouw Haveman. In aanwezigheid van de commissaris verklaart de vrouw nog eens dat zij destijds - uit vrees voor de politie - had geprobeerd haar man ervan te weerhouden bij de Van Wiggens te gaan inbreken. Haveman had echter gezegd: '(...) dat ik daarvoor niet bang behoefde te zijn, omdat de commissaris ervan afwist en alles zoo geregeld was dat er bij de woning van de van Wiggens geen politie zou zijn. Haveman deelde mij ook mede dat hij volkomen op de hoogte was van de posten die de politie bezette.'

Niet meer licht in deze zaak

Nadat commissaris Blok is geconfronteerd met de overige uitlatingen van mevrouw Haveman en die van Melis de Smale, vraagt de rechter-commissaris wat hij hierop te zeggen heeft. De hevig aangeslagen Blok weet niet hoe hij het heeft. Zijn verklaring komt erop neer dat hij niet weet wie de daders van de moord en de inbraak zijn, dat hij voor 23 december 1923 niet geweten heeft dat er bij de Van Wiggens zou worden ingebroken en dat het onwaar is dat Haveman zich tegenover hem heeft uitgelaten over een voorgenomen inbraak bij de Van Wiggens. Jan Vroege kende hij van aanzien, omdat die hem wel eens was aangewezen als 'de bekende aborteur'. Claas Sweeris had hij eenmaal op het politiebureau gezien toen deze 'kwam vragen naar een fietslantaarn die hem ontstolen was'. De commissaris besluit zijn verklaring van 2 april 1926 als volgt: 'Na al hetgeen ik thans vernomen heb van de getuigen Smidt |mevrouw Haveman] en De Smale, ben ik tot de overtuiging gekomen dat Haveman mij heeft belogen en bedrogen en dat ik hem tot op dit ogenblik steeds verkeerd heb beoordeeld. Ik geef thans toe, dat de verhouding die er tusschen Haveman en mij bestaan heeft verkeerd is geweest en dat ik dom geweest ben en de dupe ben geworden van de leugens van Haveman. Ik ben nu overtuigd van kwaader trouw van Haveman.' Nadat Blok op de desbetreffende vraag van de rechter-commissaris nog heeft geantwoord dat hij 'niet meer licht in deze zaak' kan verschaffen, wordt hij nog diezelfde dag door de rechter-commissaris - die ook ten aanzien van Blok een en ander kennelijk opvat als een weigering op vragen te antwoorden -in gijzeling gesteld. Die gijzeling zou in totaal negen dagen duren.

Optreden justitie betreurenswaardig

De gijzeling van commissaris Blok zorgde begrijpelijkerwijs niet alleen in Culemborg maar in heel Nederland voor de nodige opschudding. In de pers werd deze aanvankelijk uitgelegd als 'arrestatie' van de commissaris. Die berichten waren niet zo verwonderlijk. Het was menig Culemborger niet ontgaan dat commissaris Blok op de ochtend van 2 april onder begeleiding van de drie Amsterdamse rechercheurs per trein naar Tiel was gereisd, waarbij het evenzeer was opgevallen dat Blok blijkbaar geen treinkaartje hoefde te kopen. Dat Blok die dag niet uit Tiel was teruggekeerd, was in Culemborg ook niet onbekend gebleven. 'Deze wijze van handelen moest bij het publiek, in verband met zijn niet terugkeeren uit Tiel, wel den indruk wekken, dat hij gearresteerd was,' schreef de procureur-generaal in Arnhem later aan de minister van Justitie.

Pamflet voor sfeerbeeld

In het stadje Tiel was het niet onopgemerkt gebleven dat de commissaris bepaald niet in zijn eentje liep, wanneer hij zich voor verhoor door de rechter-commissaris van het huis van bewaring naar het gerechtsgebouw begaf. De rechter-commissaris, mr. Hofdijk, schreef later, na een klacht van Blok, aan de procureur-generaal: 'De commissaris is nimmer tusschen 3 Rijksveldwachers uit het Huis van Bewaring naar het Paleis van Justitie alhier overgebracht. Zijne overbrenging geschiedde steeds door 1 Rijksveld-wachter waarachter echter enkele malen 2 andere Rijksveldwachters op eenige afstand volgden indien hij van het Huis van Bewaring naar het Paleis van Justitie werd teruggebracht, welke maatregel noodzakelijk was ter beveiliging van den commissaris vermits zich dan eenige honderden personen voor het Paleis van Justitie verzameld hadden, die met het transport meeliepen, waarbij de mogelijkheid van molestatie niet uitgesloten was, waartegen derhalve op bovenomschreven wijze gewaakt moest worden.' Naar aanleiding van de klacht van commissaris Blok aan de minister van Justitie met betrekking tot de wettelijke gronden waarop hij in gijzeling was genomen, schreef de procureur-generaal in Arnhem op 19 april 1926 aan de minister onder meer het volgende: 'Het vermoeden (...) dat door den Rechter-commissaris en de Rechtbank te Tiel artikel 221, Wetboek van Strafvordering verkeerd is toegepast, blijkt juist te zijn geweest, terwijl ook de substituut-officier van Justitie Mr. Oosting van dat artikel een verkeerde opvatting blijkt te hebben. Immers geheel ten onrechte leest men in het requisitoir, de beschikking van den Rechter-commissaris en die van de Rechtbank (...) dat getuige Blok zonder wettigen grond geweigerd heeft op de hem door den Rechter-commissaris gestelde vragen te antwoorden. Integendeel blijkt duidelijk, dat de Commissaris van Politie op alle hem gestelde vragen heeft geantwoord, zij het dan ook niet op de wijze die den Rechter-commissaris bevredigde. Maar het behoeft wel geen nader betoog dat, (...) de bepaling van artikel 221, Wetboek van Strafvordering, slechts geldt voor den getuige die weigerachtig is om te antwoorden, niet op den leugenachtigen of onwaarheid sprekenden getuige, veelmin op den getuige die een verklaring aflegt, die niet strookt met de zienswijze van den Rechter-commissaris. Waar de getuige op alle aan hem gestelde vragen Heeft geantwoord, is het onjuist zooals de Rechtbank besliste, dat hij geacht moet worden te hebben geweigerd op de aan hem gestelde vragen te antwoorden. Ik acht de wijze waarop de Tielsche Justitie in deze opgetreden is betreurenswaardig. (...) Meende de Rechter-commissaris inderdaad dat de aanwijzingen tegen den Commissaris verkregen, zóó bezwarend waren, dan had Z.E.A. hem als verdachte moeten beschouwen, maar niet moeten trachten hem door het dwangmiddel van gijzeling bekentenissen te ontlokken.' Met betrekking tot mevrouw Haveman schrijft de procureur-generaal dat hij bij zijn mening blijft dat men met haar 'die men ook eerst door gijzeling tot hare verklaring gebracht heeft', voorzichtig moet zijn, 'terwijl men aan wat de getuige Smale verteld heeft niet te veel gewicht kan hechten'.

Gij kunt mij op dit graf vastbinden

Naar aanleiding van de gijzeling van Blok moesten rechter-commissaris mr. Hofdijk en diens werkwijze het in de pers nog wel eens ontgelden. Zo wordt in het Nieuwsblad van Culemborg van 19 juli 1926 melding gemaakt van het bezoek dat deze rechtercommissaris 'onlangs' aan Culemborg bracht 'in tegenwoordigheid van de bekende Heeren van de Amsterdamsche recherche, terwijl zij met zich voerden den verdachte V.' [Vroege, JAB]. 'Eerst werd een bezoek gebracht aan de vroegere woning van den overleden rechercheur H. [Haveman, JAB] en daarop toog men... naar de Algemene Begraafplaats. Nieuwsgierigen werden buiten het hek gehouden, niettemin heeft men toch kunnen zien, wat zich op den doodenakker afspeelde. De Rechter-commissaris liet den verdachte V. naar het graf der vermoorde oude lieden brengen en vertoonde hem de portretten der beide slachtoffers. Getracht werd toen op deze "moderne" wijze den verdachte tot bekentenis te brengen. Staande bij het graf moet V. toen hebben gezegd: "Gij kunt mij op dit graf vastbinden, ik weet van de zaak niets af".' Een man die kort na de vrijlating van commissaris Blok in de krant nog weer eens danig van zich liet horen, was Otto de Beus. In een tweetal ingezonden artikelen in de Nieuwe Culemborgse Courant van respectievelijk zaterdag 15 en 22 mei 1926 haalde hij ongekend fel uit naar Blok, die prompt aangifte deed van belediging. Op 16 september moest De Beus zich voor de Tielse rechtbank verantwoorden. Twee feiten waren hem ten laste gelegd. Het eerste had betrekking op het ingezonden artikel van 15 mei. Dat artikel zou volgens de dagvaarding door De Beus zijn geschreven met het oogmerk Blok te beledigen en hem er van te beschuldigen dat hij opzettelijk de daders van de in december 1923 op de Van Wiggens gepleegde moord 'straffeloosheid heeft willen verzekeren'. Het oogmerk van het stuk van 22 mei zou zijn geweest commissaris Blok te beledigen en hem ervan te beschuldigen een 'misdadiger en een leugenaar' te zijn, die na het plegen van de moord op de Van Wiggens te Culemborg 'stiekem' met rechercheur Haveman is omgegaan. Voorts dat het door de 'zwakke en verkeerde leiding' van Blok mogelijk is geweest dat tal van misdrijven te Culemborg zijn gepleegd - waaronder ook de moord op de Van Wiggens - 'zonder dat die ooit tot klaarheid zijn gebracht'. Op 30 september 1926 werd Otto de Beus door de rechtbank in Tiel tweemaal ter zake van 'smaadschrift' veroordeeld tot tweemaal een geldboete van ƒ 50,00. Commissaris Blok kreeg van de Rechtbank een schadevergoeding toegemeten van ƒ 150,00.

Borrelpraat

Dat de verhouding tussen commissaris Blok en de Amsterdamse dienders er na zijn ontslag uit de gijzeling niet direct beter op was geworden, kan worden afgeleid uit zijn aan de minister van Justitie gezonden rapport d.d. 5 mei 1926. Daarin geeft Blok weer wat een zekere Willem van Antwerpen wonende in de Kloostersteeg in Culemborg twee dagen eerder tegenover hem heeft verklaard.

Gedurende de maanden maart en april 1926 vertoefden de Amsterdamse rechercheurs Kuiper en Hommes in Culemborg. Van Antwerpen had op een dag in maart in café Van den Boogaard aan de Zandstraat kennisgemaakt met Hommes. De rechercheur had hem bij die gelegenheid gevraagd wat hij van de moordzaak wist. 'Hij tracteerde mij direct op een borrel, doch ik zeide hem: ik geeft je geen inlichtingen onder het gebruik van drank, want ik zag dat Hommes zelf ook een borrel dronk.' Toen hij even later het café verliet had Hommes hem gevraagd bij een volgende gelegenheid in dat café terug te komen. Dat laatste was enige tijd later op een ochtend rond halfelf het geval geweest. Hommes was toen in gezelschap van rechercheur Kuiper. Aan een apart tafeltje hadden zij gedrieën de moordzaak besproken. Tegen twaalf uur had Van Antwerpen het café langs de achteruitgang verlaten, 'omdat ik meer jenever had gedronken, waar Hommes mij op had getracteerd, dan ik op kon. Hommes zelf dronk ook toen meerdere borrels. Wat Kuiper dronk weet ik niet daar ik alleen op Hommes lette, die het woord deed. Hommes betaalde de vertering.' De volgende ontmoeting met Hommes had, ook in de ochtenduren, plaats in café De Jong aan de Stationsweg in Culemborg. Van Antwerpen herinnerde zich drie borrels van Hommes te hebben gekregen, de rechercheur zelf had er twee genomen. Een volgend gesprek was enkele dagen later gevoerd in een café aan de Kloostersteeg. Ook daar was weer het een en ander gedronken, waarna Van Antwerpen op verzoek van rechercheur Hommes meegegaan was naar café De Jong aan de Stationsweg. Een van al die caféhouders had nog de opmerking gemaakt: 'Nou, die Amsterdammer, die kan ook drinken hoor.' ik heb wel begrepen dat Hommes veel geld had om aldus steeds te tracteren,' aldus Van Antwerpen. Wat er tijdens die 'borrelpraatjes' zoal besproken is met betrekking tot de moordzaak kan uit het rapport van Blok niet worden opgemaakt. Maar gezien het slot van zijn rapport, ging het hem daar ook niet zozeer om. Blok vermeldt namelijk dat hem ter kennis was gebracht dat de Amsterdamse rechercheurs tijdens het onderzoek regelmatig andere 'zogenaamde kroegen' bezochten. Het onderzoek door de rijksrechercheurs Hartkamp en Heyting vond volgens Blok plaats 'zonder kroegbezoek', terwijl de verhoren steeds in de Raadszaal of in een der kamers van het Gemeentelijk Distributiecentrum werden gehouden.