Artikelindex

DE BURGEMEESTER, DE COMMISSARIS EN DE JUSTITIE

Verziekte verhoudingen

Hoe de procureur-generaal over zowel burgemeester D.F.J. van Walsem van Culemborg als over commissaris Blok dacht, kan alleen al voldoende worden afgeleid uit diens brief van 18 december 1924 aan de commissaris van de Koningin in Gelderland, Jhr. F. van Citters. Daarin schrijft de procureur-generaal namelijk: '(...) dat naar mij voorkomt de positie van den Commissaris van politie te Culemborg inderdaad onhoudbaar is geworden.

Hoewel ik den Commissaris voor een braaf en fatsoenlijk en over 't algemeen betrouwbaar man houd, acht ik hem ongeschikt om aan 't hoofd van een politiecorps te staan en zeker in een kleine plaats als Culemborg. Uit hoofde van zijn persoonlijkheid is hij daar zeker niet de rechte man op de rechte plaats. (...) Ook mengt de Burgemeester zich blijkbaar met voorbijgang van den Commissaris in politiezaken, wat het prestige van dezen zoals vanzelfsprekend, nog meer afbreuk doet. Ik heb den Burgemeester in overweging gegeven om op dit oogenblik in den politioneelen toestand in Culemborg geen verandering te brengen en zich te onthouden van alles wat het reeds zóó geschokte gezag van den Commissaris zou kunnen schaden.' De procureur-generaal geeft voorts in deze brief enerzijds aan dat er 'in beginsel' niets is tegen opheffing van het Commissariaat, anderzijds ziet hij daartegen grote bezwaren 'daar ik den Burgemeester niet geschikt acht de werkzaamheden van de Commissaris te vervullen, terwijl ik zeer ernstig betwijfel of hij in staat zal zijn gezag over en de discipline in het politiecorps te handhaven'. Blok werd op 27 februari 1918 benoemd als commissaris van politie te Culemborg. Daarvoor was hij inspecteur geweest bij de Haagse politie. De aanvankelijk goede verhoudingen tussen hem en de burgemeester van Culemborg verslechterden na de moord op de Van Wiggens in een rap tempo. Illustratief voor de verziekte verhoudingen is hetgeen Blok daarover in zijn brief van 18 augustus 1924 aan de officier van justitie in Tiel schrijft. 'Het is niet de eerste keer dat ik omtrent de laffe plagerijen van de Burgemeester mij bij u ernstig heb beklaagd. Steeds hebben de plagerijen welke ten laatste werkelijk onhoudbaar worden, des avonds plaats. Dan weigert hij mij mijn eerst gegeven en goed gevonden verlof, dan laat hij mij als ik thuis ben aan het middagmaal voor onnodige bespreking op het bureau komen. Hij kleineert mij zelfs tegenover mijn onderhebbend personeel door b.v. op de hierbij gevoegde dienststaat van het politie personeel eigenhandig te schrijven: "CvP bureau-dienst 7 uur". Zonder mijn voorkennis stuurt hij een agent naar de kerk, die zeide dienst te hebben, waarop de BM hem te kennen gaf: ga maar naar de kerk, de CvP zit toch op het bureau. De Burgemeester zei ook dat hij Bergen Henegouwen weer agent zou maken. Verder gelastte hij mij mijn kabinet te ontruimen, de deur steeds open te laten, hem den sleutel te geven, opdat hij er steeds in kon komen.'

God zal Culemborg van den aardbodem verdelgen

Aan de reeks van roerige gebeurtenissen zoals die zich gedurende het eerste jaar na de moord in Culemborg hadden voorgedaan, werd op de valreep nog één toegevoegd. Het ging om een demonstratie, die de toch al verziekte onderlinge verhoudingen tussen de burgemeester, de commissaris van politie en de procureur-generaal nog meer op scherp zette.

Na een oproep in de plaatselijke pers verzamelden zich op zondag 21 december 1924 rond het middaguur op de Varkensmarkt in Culemborg zo'n duizend deelnemers aan een demonstratieve herdenkingstocht ter nagedachtenis van de vermoorde Van Wiggens. De demonstranten voerden een krans met linten mee met het opschrift: 'Van de Culemborgse bevolking aan Gerrigje en Toon van Wiggen'. Een van de deelnemers aan de demonstratie was Pikkie van Vuuren. Otto de Beus, die ook meeliep, deelde op het kerkhof aan de verzamelde menigte mee dat er op verzoek van de burgemeester niet gesproken zou worden. Na de kranslegging liep de stoet terug naar de Varkensmarkt. Op de route daarheen werd bij het huis van commissaris Blok een ogenblik stil gehouden. Het zijlaantje waarin de commissaris woonde, was door agenten en rijksveldwachters geheel afgezet. Op de Varkensmarkt sprak een van de organisatoren, Anton Bron, de mensen als volgt toe: 'Medeburgers, wij hebben nu allen op een plechtige en kalme wijze ons protest geuit tegen den heer Blok, den Commissaris te Culemborg. Moge dit protest doordringen tot de Regeering, opdat wij spoedig van den onbekwamen ambtenaar verlost zijn. Wij zullen ons nu voorlopig rustig houden, doch binnen niet al te langen tijd komen wij terug met andere middelen. Gaat nu rustig naar huis.' 'In volmaakte orde ging men hierop uiteen,' aldus Het Volk van 22 december 1924. De Beus schreef een paar dagen na deze demonstratie in De Arbeid: 'Hij [commissaris van politie Blok, JAB] liep met zijn stokje een beetje voorover gebogen, moest bij het publiek den indruk vestigen dat hij inderdaad ziek was, toen de demonstratie voor zijn huis trok. In werkelijkheid was het anders. Zijn barbier vertelt het volgende: "De heer Blok liep met gebalde vuisten door z'n huis, razendsnel en tierend: God zal Culemborg van den aardbodem verdelgen. Alle sigarenmakers zullen ziek worden." Iedereen wist dat hij niet ziek maar krankjorum was.' Een Amsterdams filmbedrijf maakte van de demonstratie een uitgebreide reportage, inclusief de kranslegging op het kerkhof, de tocht langs de boerderij, het stilhouden bij de woning van commissaris Blok en het ontbinden van de stoet op de Varkensmarkt. De film werd met Kerstmis vertoond in bioscoop Van Gelder in Culemborg, 'zonder dat de Burgemeester de vertooning daarvan verbiedt', schrijft commissaris Blok later aan de minister van Justitie.

Wat blijft er nu over van de hooghouding van het gezag?

De procureur-generaal in Arnhem, mr. H.J. van Lulofs Umbgrove, laat er geen twijfel over bestaan wat hij van de demonstratie in Culemborg vindt. In een buitengewoon scherpe brief d.d. 8 januari 1925 veegt hij de vloer aan met de burgemeester: 'Dat hier Uwerzijds een handeling verricht zou zijn uitsluitend met het doel den Commissaris van politie onmogelijk te maken, ik ben er van overtuigd dat dit niet het geval is. Maar overigens kan ik uw beleid in deze en de wijze waarop U het gezag heeft gehandhaafd, allerminst prijzen. Toen U mij vroeg of ik bezwaar had, dat verschillende corporaties op 21 december j.1. een krans mochten leggen op de graven van de Van Wiggens, heb ik U het in Uw schrijven aangehaalde telegram gezonden, in de meening verkeerende dat die kranslegging zou geschieden door één of twee afgevaardigden dier corporaties, dat daarnaast dus slechts door ongeveer een tiental personen zou worden deelgenomen en dat in elk geval geen straatdemonstratie of optocht zou plaats hebben 't geen immers door u geweigerd was. Een kranslegging alleen kan bezwaarlijk worden geweigerd. Het is mij nu gebleken, dat inderdaad toch een demonstratie en optocht door de straten door U is toegelaten en dat de stoet, wat zeker daaraan een zéér demonstratief karakter gaf, langs de woning van den Commissaris van Politie is getrokken, daar zelfs halt gehouden heeft, wat voor dezen uiterst krenkend was. Het plan om een demonstratieve optocht te houden, moet U bekend geweest zijn, zooals trouwens blijkt uit het feit dat U tevoren politiemaatregelen hebt genomen en de Politie tusschen het publiek heeft geloopen, terwijl in strijd met uw verbod "een stoet" zooals U zelf schrijft, door de stad getrokken is, zoowel vóór als na de kranslegging. Waar U geweigerd hadt het houden van een optocht en demonstratie toe te laten en U dit tenslotte toch duldt, daar vraag ik U: wat blijft er nu over van de hooghouding van het gezag. Is dit geweest in Uwe handen of in de handen van de besturen der vakvereenigingen.

Zonder twijfel in handen van de laatsten, terwijl U volkomen lijdelijk gebleven zijt tegen de flagrante overtreding van het door U zelf gegeven verbod. Als dit nu hooghouden van het gezag beteekent, dan begrijp ik er niets meer van. Zeker het is mij maar al te goed bekend dat er tegenwoordig maar al te veel Burgemeesters zijn, die het gezag slechts handhaven omdat zij het niet durven tegenover sociaaldemocratische vakvereenigingen, wier gezag zij ondergaan, in plaats hen hun gezag te doen ondergaan, maar hier is dan toch wel op zéér duidelijke wijze gebleken dat men tegen Uwen verklaarden wil zijn wil heeft doorgezet en dat U daartegen niets heeft gedaan.'

Zijn optreden tegen den rooden politiebond

'Uw optreden mag dan volgens de courant tactisch geweest zijn, voor het gezag was het zonder twijfel fnuikend. U hadt waar U wist dat Uw verbod zou worden overtreden, daartegen Uwe maatregelen moeten nemen en zoo noodig den stoet die zich in strijd met Uw verbod door de stad bewoog met geweld uit elkaar moeten jagen, waarvoor ik U, wanneer het U aan de noodige manschappen zou hebben ontbroken, Rijkspolitie, desnoods bereden Marechaussees ter beschikking zou hebben gesteld. Thans is er niets geschied en heeft U zelfs niet gepoogd te verhinderen dat mede in strijd met Uw uitdrukkelijk verbod toch een toespraak gehouden is. In alle opzichten heeft het gezag het droevig afgelegd. U weet zeer goed hoe ik over den Commissaris van Politie denk en over de zeer ernstige fout die door hem in de moordzaak begaan is, alsmede over zijne ongeschiktheid ook in andere opzichten betoond, maar dat kan geen reden zijn voor U als hoofd der Politie toe te laten, dat hij in zijn gezag op dergelijke wijze wordt gehoond. De Regeering zal tenslotte te beslissen hebben wat er met den Commissaris geschieden moet, maar u begrijpt wel dat men het haar zéér moeilijk maakt, omdat zij toch bezwaarlijk voor dergelijke demonstraties uit den weg kan gaan, zijnde deze niet het gevolg van een gekrenkt rechtsgevoel, maar de oorzaak van den haat waarmede men dezen ambtenaar vervolgt, gelegen is in zijn optreden tegen den zg. rooden politiebond. Dat de van Wiggens vermoord zijn, kan den vijanden van den Commissaris natuurlijk absoluut niets schelen. Aan Uw eerlijke bedoelingen wil ik geenszins twijfelen en ik wil ook gaarne toegeven, dat de wijze van optreden van den Commissaris jegens U niet altijd correct en behoorlijk is geweest, maar dat deze zich gegriefd acht omdat U een dergelijke tegen hem ondernomen demonstratie niet belet, is ook wel te begrijpen. Zoolang hij in zijn ambt gehandhaafd blijft, heeft U als hoofd der Politie er tegen te waken, dat hij niet door straatbetooging als nu te Culemborg heeft plaats gehad wordt gehoond en zijn gezag wordt aangerand door de volksmenigte, die gelukkig, want zoover zijn wij in Nederland nog niet, hier niets te beslissen heeft. Tenslotte moge ik U nog doen opmerken, dat kenschetsend voor de averechtse gezagsbegrippen die te Culemborg schijnen te heerschen is de zinsnede in het rapport van den Inspecteur van Politie Dortland, dat hij aan een deel van het politiepersoneel heeft opgedragen zich "in burger" te kleeden, daar het zien van de uniform, mogelijk aanstoot zou geven tot ongeregeldheden. Dit is wel zéér teekenend. De procureur-generaal, fd. Directeur van Politie.'

Physieke toestand en geschokt zenuwgestel

Het is de commissaris van de Koningin in Gelderland, Jhr. Van Citters, die in een brief van 14 januari 1925 uitvoerig ingaat op hetgeen de procureur-generaal hem enkele weken eerder heeft geschreven met betrekking tot de burgemeester van Culemborg en commissaris Blok. Na te hebben opgemerkt dat de burgmeester bij sommige gelegenheden 'inderdaad de grenzen van tact en beleid eenigermate te buiten is gegaan', wijst Jhr. Van Citters erop dat 'de rechtvaardigheid' vereist dat 'ten volle rekening wordt gehouden met zéér moeilijke omstandigheden' waarvoor de burgemeester het laatste jaar is komen te staan.

Hij noemt in dat verband 'de beroering die het mislukte onderzoek in de bekende moordzaak' onder de bevolking van Culemborg teweeg heeft gebracht, de 'volslagen onbekwaamheid' van Blok die daarbij aan het licht is gekomen, en voorts 'de gedesorganiseerde toestand van het politiecorps', dat alle vertrouwen in commissaris Blok heeft verloren. Jhr. Van Citters acht het begrijpelijk dat onder die omstandigheden de burgemeester 'zich hier en daar een woord heeft laten ontvallen of zich tot eene handeling heeft laten verleiden' welke beter achterwege had kunnen blijven. Ook heeft hij er begrip voor dat de burgemeester een enkele maal 'en dat niet op ernstige wijze' in de vervulling van zijn taak tekort is geschoten. 'Slechts een zéér superieure persoonlijkheid zou zich m.i. uit dergelijke omstandigheden, zonder ook maar in het geringste te falen, hebben kunnen uitredden.' In zijn brief gaat Jhr. Van Citters ook uitvoerig in op de gebeurtenissen in Culemborg tijdens de demonstratie van 21 december. Hij schrijft onder meer: 'Het is echter te betreuren, dat, nadat de kranslegging in goede orde was afgeloopen en de menigte zich stadwaarts had begeven, van de pui van het Raadhuis door een der aanwezigen eenige woorden tot de menigte zijn gesproken. De Burgemeester zegt deze overtreding van zijne voorwaarden tot zijn spijt niet te hebben kunnen voorkomen, vooreerst doordat het spreken zeer kort duurde en het feit geschied was, voordat de politie kon ingrijpen.' Opmerkelijk en vooral illustratief voor de tijd waarin het zich allemaal afspeelde: 'Bedenkelijker dan dit voorval, dat geene verdere gevolgen had en dat inderdaad door de genoemde omstandigheden kan zijn veroorzaakt, acht ik het, dat, toen naderhand in de bioscoop te CULEMBORG eene film van de gebeurtenissen op 21 December werd vertoond, de Burgemeester niet heeft verhinderd, dat ook het gedeelte van de film hetwelk betrekking had op bovengenoemde aanspraak voor het Raadhuis, mede aan het publiek werd vertoond. Van het standpunt van den Burgemeester, dat de kranslegging op zich zelf geene met de openbare orde strijdige handeling opleverde, was er geen aanleiding de geheele filmvertooning te verbieden, doch m.i. had hij uit de film moeten verwijderen, datgene, wat herinnerde aan eene inbreuk op de van zijnentwege gegeven politie-voorschriften. De Burgemeester, hierover door mij onderhouden, betuigde zijn leedwezen, dat hij daaraan niet had gedacht.' Aan het slot van zijn brief betoogt Jhr. Van Citters dat hij er weinig vertrouwen in heeft dat de 'verstoorde samenwerking' tussen de burgemeester en commissaris Blok 'na alles wat is voorgevallen, ooit weer zal kunnen worden hersteld'. Voorts vraagt hij zich af of de 'physieke toestand en geschokt zenuwgestel niet voldoende termen opleveren' om Blok op grond daarvan te ontslaan. Aan de 'vrijwel onhoudbare toestand op het gebied der politie' in Culemborg 'moet' naar de overtuiging van Jhr. Van Citters een einde komen. 'Moge in het nieuwe jaar, zoo spoedig mogelijk orde gebracht worden in den politionelen chaos,' zo schreef de Nieuwe Culemborgse Courant op de laatste dag van het jaar 1924. Niets zal de komende jaren helaas blijken minder waar te zijn.

Weerzinwekkende vertoning

Precies één jaar na de demonstratie werd de bevolking van Culemborg andermaal opgeroepen om, nu op zondag 20 december 1925, aan de vermoorde Van Wiggens 'een stillen eerbiedigen groet te brengen'. Het Nieuwsblad van Culemborg hierover d.d. 16 december van dat jaar: 'Het is duidelijk dat deze zogenaamde stille groet aan de twee jaar geleden vermoorden maar bijzaak is en dat de hoofdzaak is de bedoeling weer eens opnieuw een luidruchtig relletje tegen den Commissaris van politie op touw te zetten.' In dit artikel wordt de voorgenomen demonstratie een 'holle vertoning' genoemd. Voorts merkt de krant op dat om het geheel 'nog wat schijn van betekenis te geven, de keuze van het uur der bijeenkomst heel slim' is geweest: 'Om 12 uur immers gaat juist de katholieke kerk uit en zullen de kerkgangers zich vanzelf onder de betoogers vermengen en allicht meelopen omdat er wat te doen is, zoodat de schijn van een indrukwekkende stoet notabene nog verkregen kan worden.' Ten slotte spreekt de krant onbegrip uit voor het feit dat de burgemeester de demonstratie niet heeft verboden. Dat laatste blijkt achteraf toch niet juist te zijn. Op zeer nadrukkelijk aandringen van de commissaris van de Koningin heeft de burgemeester van Culemborg op het laatste moment de voorgenomen demonstratie alsnog verboden. Een opgelucht Nieuwsblad van Culemborg op 23 december 1925: 'De comedie is zondag niet doorgegaan. Wij zijn verschoond gebleven van de weerzinwekkende vertoning, dat een stille groet aan twee ongelukkig vermoorde mensen misbruikt zou worden tot iets, wat wij niet anders dan een revolutionaire daad kunnen noemen. Een demonstratie tegen een ambtenaar, die de regeering handhaaft en dus een demonstratie tegen de Regeering. Het verheugt ons dat de fout van verleden jaar zoo'n revolutionaire daad toe te staan, dit jaar tenminste niet herhaald is.'