Artikelindex

EEN EERTIJDSE DEAL MET JUSTITIE

Wie in de veronderstelling mocht verkeren dat begrippen als 'kroongetuige' en 'deals met criminelen' in de huidige tijd zijn geboren, vergist zich. Reeds in 1924 sloot de justitie in Tiel in de Culemborgse roofmoord een deal met een zich als kroongetuige opwerpende crimineel. Het verschil met het heden zit slechts hierin dat aanduidingen als bijvoorbeeld 'deal' toen nog niet werden gebezigd. Inhoudelijk deed de 'justitiële belofte' van toen niet onder voor hetgeen vandaag op dat gebied wel wordt gepresteerd. Ziehier de tekst van de in 1924 gesloten deal met de in het Haagse huis van bewaring gedetineerde inbreker, een zekere De Roos.

'De Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank te Tiel, belooft aan: Bernardus, Nicolaas, Johannes de Roos, geboren te [den] Helder 18 december 1876, volkomen straffeloosheid voor wat hij in de zaak Culemborg ten opzichte der vermoorde Van Wiggens mededeelt en voor de door gemelden De Roos gepleegde heling van van dien moord afkomstige gelden, alsmede voor elk door gemelden De Roos gepleegd misdrijf verband houdend niet de voornoemde moordzaak. Indien hij, De Roos, aan hem, Officier van Justitie, zoodanige inlichtingen omtrent (de daders van) voornoemd misdrijf geeft, dat daarop veroordeeling de daders volgt (bij eventuele vrijspraak wegens mogelijke fouten in de dagvaarding moet toch de belooning worden uitgekeerd), waarborgt hij, Officier van Justitie, aan gemelden De Roos in ieder geval eene belooning van achthonderd vijftig gulden en belooft aan voornoemde De Roos om bij de Regeer ing alle pogingen aan te wenden, opdat de belooning aan voornoemden De Roos tot tweeduizend gulden worde verhoogd. Parket, Tiel, den 12 September 1924. De Officier van Justitie voornoemd.

N.B. Om duidelijk te krijgen wat ƒ850,00 respectievelijk ƒ 2.000,00 in 1924 betekende: In Berkel en Rodenrijs werd in dat jaar een gemeenteveldwachter gevraagd. Aangeboden werd een jaarsalaris van ƒ 1.400,00 tot ƒ 1.900,00 (ƒ40,00 extra voor schoenen en kindertoeslag vanaf het derde kind beneden 18 jaar: ƒ 50,00 per jaar.

Het verhaal dat De Roos aan twee Haagse rechercheurs had gedaan, kwam erop neer dat de moord op de Van Wiggens zou zijn gepleegd door twee mannen uit Den Haag, genaamd D. de Haas (een souteneur) en A.J. van Bergen. Ex-rechercheur Haveman zou de man geweest zijn die het tweetal van de nodige informatie had voorzien omtrent de financiële positie van de Van Wiggens. Volgens het verhaal van De Roos was het niet de bedoeling geweest om de Van Wiggens te doden, maar Toon van Wiggen had een van de indringers aangevallen, waarna de zaak uit de hand was gelopen. De beide mannen waren na het misdrijf per motor gevlucht. De totale buit zou ƒ 18.000,00 hebben bedragen. Hiervan hadden Haveman, die tijdens de moord op de uitkijk had gestaan, en een andere Culemborger die bij de zaak betrokken was geweest, maar die De Roos niet van naam kende, samen ƒ 2.700,00 gekregen. De Roos had voor zijn aandeel -meewerken aan de voorbereidingen en de andere deelnemers aansporen om 'deze slag eindelijk eens te slaan' - ƒ 1.200,00 gekregen. Hij was niet zelf bij het plegen van het misdrijf aanwezig geweest, omdat hij toen in het ziekenhuis had gelegen. Achteraf ontevreden over het bedrag dat hij had gekregen, wilde hij De Haas en Van Bergen chanteren. Hij was erin geslaagd uiterst belastende brieven van dat tweetal in handen te krijgen, die volgens De Roos 'tegen hen voor een groot deel bewijs kunnen zijn'. Uit de stukken blijkt verder dat de Haagse rechercheurs de tekst van de voorgestelde deal in opdracht van mr. Oosting in viervoud en met een mondelinge toelichting ter goedkeuring op het departement van Justitie hebben afgeleverd. De minister van Justitie

schrijft op 13 september 1924 aan de procureur-generaal te Arnhem: '(...) Het komt mij voor dat die verklaring |naar huidige begrippen een 'deal', JAB] zoals die door subst. Officier van Justitie mr. Oosting werd gesteld (de bereids daarop geplaatste handtekeningen zijn veiligheidshalve door mij doorgehaald) bezwaarlijk kan worden afgegeven. De daarin vervatte toezegging omtrent straffeloosheid kan niet door den Officier van Justitie worden gedaan, omdat de Procureur-generaal eventueel nog het instellen eener vervolging zoude kunnen gelasten. Evenmin kan zulk een toezegging van Ued.A. uitgaan, omdat een opdracht tot vervolging door mij zou kunnen worden gegeven, terwijl eindelijk een zoodanige toezegging mijnerzijds hare beteekenis zou kunnen verliezen, indien de Rechtbank c.q. het Gerechtshof ambtshalve last tot het instellen van een vervolging zouden geven. Wellicht ten overvloede wijs ik er nog op, dat bovendien als voorwaarde een onherroepelijke veroordeling der daders zoude moeten worden geëist. Ik moge u in verband met het bovenstaande verzoeken deze aangelegenheid, die naar werd bericht reeds onder uwe aandacht werd gebracht, nauwkeurig te willen overwegen, en mij alsdan ter zake te dienen van advies. Wellicht kan worden nagegaan of niet op een andere en betere wijze toch hetzelfde doel kan worden bereikt. Met het oog op het ernstig belang van dezen zaak ben ik tot bespreking, indien dit door Ued. Achtbare mocht worden gewenscht, wel bereid.'

Al te scrupuleus

In zijn uitvoerige brief aan de minister van Justitie d.d. 19 september 1924 geeft de advocaat-generaal in Arnhem, mr. Cnopius, zijn visie over de justitiële deal met De Roos.

Hij schrijft onder meer: 'Een kleine 14 dagen geleden werd het Parket alhier door mr. Oosting te Tiel per telefoon opgeroepen met de mededeeling, dat de bewuste De Roos bij hem was en dat mr. Oosting en hij gaarne met ons Parket wilden overleggen over toezeggingen van geldelijke belooning en straffeloosheid. Daar de uitgeloofde geldelijke belooning, naar ik meende te weten, buiten ons Parket om was behandeld, meende ik mij daarbuiten te moeten houden. Achterna, is mij omtrent dit gedeelte der kwestie nog het navolgende gebleken. (...) Voorts heeft mr. Oosting zich nog garant gesteld, dat hij zijn best zou doen dat door de Regeering aan De Roos f 2.000,00 zouden worden uitgekeerd, hetgeen mij voorkomt in deze tijden van bezinning eveneens een dwaze toezegging te zijn. Voorzover het telefoongesprek met mr. Oosting over de straffeloosheid liep, gaf ik als mijne meening te kennen dat De Roos aan door hem toegezegde straffeloosheid niet veel had, terwijl ook, wanneer ik gelijke toezeggingen zou doen, er altijd hoogere machten waren die tot strafoplegging zouden kunnen noodzaken. Hierop werd mij verzocht om dienzelfden avond eens met De Roos te praten, daar deze toch onder geleide op zijn doorreis naar Groningen was, om daar met een advocaat te overleggen, of hij al of niet volledige mededeelingen aan de Justitie kon doen.' Uit het vervolg van zijn brief blijkt dat mr. Cnopius inderdaad diezelfde avond op zijn Parket een uitvoerig onderhoud heeft gehad met De Roos en de twee Haagse rechercheurs die hem begeleidden.**** 'Bij dit onderhoud verkreeg ik in de eerste plaats de overtuiging dat De Roos werkelijk in de zaak betrokken was geweest, en dat wij niet te doen hadden met een gevangene, die "een verzetje" wenschte en daarom wat verzonnen had, om op transport te worden gesteld.' Na uiteengezet te hebben wat De Roos hem omtrent de toedracht van het misdrijf zoal had verteld, vervolgt mr. Cnopius: '(...) waarbij echter in 't oog moet gehouden worden, dat De Roos een uitgeslapen sujet is, net zooveel los laat als hij kwijt wil wezen en op sommige punten zeer goed leugens kan vertellen. (...) Ik zeide hem dat ik er niet aan dacht, om evenals mr. Oosting verklaringen te onderteekenen, maar dat het hem genoeg moest zijn, als ik hem iets beloofde, nog wel in tegenwoordigheid van 2 rechercheurs. Dat wat mij betreft - indien zijne mededeelingen werkelijk zeer gewichtig waren - ik hem die heling van ƒ 1200 wel cadeau wilde doen, maar dat ik voor de rest niet verder kon gaan, indien ik niet eerst de zekerheid had, dat hij niet de eerste en groote aanleiding voor het gebeurde was geweest.'

Uit de brief blijkt dat het gesprek uiteindelijk zonder resultaat is gebleven en dat daarin ook geen verandering is gekomen nadat De Roos zijn advocaat in Groningen had geraadpleegd. Toch koesterde mr. Cnopius klaarblijkelijk nog enige hoop voor de toekomst. Hij besluit zijn betoog namelijk als volgt. 'Ik vraag mij dus af - hoezeer dergelijke toezeggingen in principe ook af te keuren zijn - of wij in casu, afgezien van de wijze waarop en de bewoordingen waaronder, al te scrupuleus mogen zijn. Het blijft m.i. ook met deze uitlatingen van De Roos in vollen omvang, een groot vraagstuk of wij tot behoorlijke veroordelingen zullen kunnen komen. Men vergete n.1. niet dat de zaak zoolang geleden is, dat alle sporen verdwenen en niet meer te achterhalen zijn en dat wij zullen moeten vonnis wijzen alleen op getuigenmateri-aal dat niet eerste klasse en betrouwbaar zal wezen. Echter zou het een groote geruststelling voor de publieke opinie in den lande zijn - vooral na het geschrijf in de couranten - indien ten minste officieel zou kunnen vastgesteld worden, hoe de zaak zich heeft toegedragen en waar de daders schuilen.'

N.B. Om ook hier een lang verhaal verder kort te houden. De justitiële deal is als een nachtkaars uitgegaan. Van daadwerkelijke betrokkenheid bij de Culemborgse moordzaak heb ik van De Roos, noch van Van Bergen of De Haas iets in de stukken gevonden. Ik kan mij overigens niet aan de indruk onttrekken dat zowel de Haagse recherche als de justitie in Tiel zich door De Roos bij de neus heeft laten nemen.

Gevaarlijke dingen te doen

Het onderzoek naar de daders liep bijna één jaar toen op 11 december 1924 opnieuw twee verdachten werden gearresteerd. Het waren de Culemborgers Auke Opdam en Leendert van der Linden, die beiden bevriend zouden zijn geweest met ex-rechercheur Haveman. De arrestatie werd verricht door rijksrechercheurs en geschiedde nadat de mannen door de burgemeester, overigens geheel buiten commissaris Blok om, ten stadhuize waren ontboden. Deze nieuwe arrestatie kreeg in de pers uiteraard de nodige aandacht, met het gevolg dat het ministerie van Justitie met spoed bij advocaat-generaal mr. Cnopius in Arnhem aan de bel trok om nadere informatie. Per brief d.d. 12 december 1924 deelt de procureur-generaal aan de ministervan Justitie mede dat hij 'officieel' nog van niets weet '(...) zoodat ik nog niet kan mededelen in hoeverre door deze stap kans bestaat tot resultaat in dit ernstig misdrijf. Ik kan echter slechts dit dienaangaande berichten. Enkele weken geleden deelde mij de rijksrechercheur Heyting mede dat hij in overleg met de Rechter-commissaris thans bezig was aan het uitwerken der verdenking tegen zekeren Opdam en Van der Linden, Culemborgers van het zelfde soort als Pikkie van Vuuren. De gronden van verdenking beperkten zich als ik mij goed herinner, tot verwijtingen in dronkenschap opgedaan, aangaande het feit van alles van de moord af te weten en tot de m.i. zeer bedenkelijke omstandigheid dat Opdam thans nog kon verklaren wat hij dezen dag van de moord van uur tot uur gedaan had. Ik wees er Heyting op dat, tenzij dergelijke verdachten zouden bekennen, hetgeen van dergelijke personen zoolang na het gepleegde feit zeker maar niet zoo dadelijk te verwachten was, ook de aanhouding van Opdam en Van der Linden niet tot eenig resultaat zou kunnen leiden. Daarom vertrouwde ik om in deze zaak waarin al zooveel minder aanbevelenswaardige handelingen waren verricht, geen ingrijpende maatregelen te nemen voor men goede grond onder de voeten zou hebben. Vandaar dat ik belangstellend naar de vermoedelijk verkregen nadere gegevens zit uit te zien en deze zoodra ik ze verkregen heb aan uwe excellentie zal doen toezenden.' Mr. Cnopius kon reeds de volgende dag, 13 december 1924, aan de minister melden dat verdachten op vrije voeren waren gesteld. Er was niets tegen de beide mannen gebleken. Interessant is de kanttekening van 17 december 1924 van de minister van Justitie op het departementale dossier van deze kwestie: 'Als de autoriteiten uit en om Culemborg nu eindelijk eens ophielden met gevaarlijke dingen te doen. Nu weer deze aanhouding van twee personen. Dat er voldoende grond was voor een dergelijke ingrijpende maatregel blijkt uit niets. Na twee dagen worden de verdachten weer vrijgelaten. In alle bescheidenheid vraag ik mij af, welke van de justitiële autoriteiten die rechtstreeks bij de zaak waren betrokken, nog werkelijk voldoende competent is te achten en of het geheel verwonderlijk is, dat een commissaris van politie die zelf geen groote kracht is, onder zulke leiding het hoofd verliest.'