Artikelindex

HET OPENBARE GERUCHT

Het 'openbare gerucht' dat uiteindelijk voor lange tijd de grimmige sfeer van verdeeldheid in het Culemborgse zou bepalen, kwam na de vrijlating van ex-rechercheur Haveman slechts onderaards en smeulend op gang. Het zou echter binnen enkele maanden leiden tot een uitslaande brand, mede gevoed door het feit dat het moordonderzoek na de vrijlating van Middelkoop c.s. klaarblijkelijk op dood spoor terecht was gekomen. Dat laatste werd niet alleen aan de ondeskundigheid van commissaris Blok toegeschreven, maar meer nog aan de allengs opkomende geruchten, volgens welke de politiechef zelf op de een of andere manier bij de moord op de Van Wiggens betrokken zou zijn geweest. Wanneer er in Culemborg één man is geweest die de geruchtenmachine heeft aangewakkerd, zo niet op gang gebracht, is dat wel Otto de Beus, wiens giftige pen voortdurend borg stond voor ophitsende suggesties jegens zowel commissaris Blok als ex-rechercheur Haveman. Sigarenfabrikant De Beus (geboren in 1873 te Culemborg) wordt in een rapport van rijksrechercheur J. van Dijk d.d. 22 november 1927 omschreven als 'een vooraanstaande persoonlijkheid en tevens leider der S.D.A.P'.

In het weekblad De Arbeid van 15 juni 1924 schrijft Otto de Beus onder het pseudoniem Insider onder meer:'(...) Er zijn menschen met een gemakkelijk combinatievermogen die verband brengen tusschen dezen misdaad en tusschen een even voor het plegen van dien moord ontslagen politiebeambte, die met den geheelen toestand van de vermoorde van Wiggens op de hoogte moet zijn geweest. Die gewezen politiebeambte, die na zijn ontslag wat gemakkelijker met geld omgaat dan voorheen geeft voedsel in die volksmeening, die steeds in zijn nadeel voortwoekert. (...) Eerst werd het vermoeden van dat verschrikkelijk misdrijf gedacht, toen gefluisterd en nu wordt het in het openbaar uitgekreten: "Hij heeft het gedaan!!" "Het publiek wijst den misdadiger aan" enz.'

In hetzelfde blad d.d. 28 juni 1924 komt Insider op het vorige verhaal terug en daagt hij Haveman als het ware uit om een klacht in te dienen wegens valse beschuldiging.

Of zelfmoord plegen

Twee weken later, in De Arbeid van 12 juli, schrijft De Beus:'(...) Toen de moord ontdekt werd, was H. [Haveman] reeds bij de Politie ontslagen, dat wil zeggen hij moest ontslag vragen wat hem dan ook werd verleend, doch dat komt practisch met wegjagen overeen. Goed, toen dan de moord ontdekt was is hij met den Commissaris op het terrein van den misdaad geweest. De politieambtenaren hadden evenwel opdracht om niemand, dat wil hier zeggen: gewone burgers op het terrein toe te laten, doch H. die toen reeds tot gewoon burger was bevorderd, mocht daar een uitzondering op maken en gaf den commissaris allerlei aanwijzingen en vermoedens. Het Publiek gelooft nu stellig dat H. medegewerkt heeft om het dwaalspoor nog meer te verwarren. (...) De heer commissaris moet na den moord nogal eens met den gewezen politiebeambte zijn gezien en niemand zal ooit te weten komen, welke fantastische mogelijkheden den Heer Commissaris in het oor zijn gefluisterd.'

N.B. Een kanttekening op een nota van het ministerie van Justitie (naar aanleiding van Kamervragen) dat ik bij de stukken aantrof luidt: 'Uit het rapport van den agent De Roode, die den commissaris van politie niet bepaald goed gezind is, blijkt niet dat Haveman verder is gekomen, dan den ingang van het terrein.'

In De Arbeid van 19 juli 1924 wordt er geheel van uitgegaan dat ex-rechercheur Haveman de moordenaar is. Ook wordt de toon van het artikel steeds provocerender: '(...) Er zijn maar twee mogelijkheden om tot rust te komen, dat is bekennen en straf ondergaan of zelfmoord plegen. Een andere mogelijkheid weten wij niet. (...) Het is nog steeds voor het Publiek een raadsel hoe een bekwaam Politiecommissaris als de Heer Blok zich heeft laten misleiden. Al dien tijd dat men Middelkoop heeft vastgehouden, heeft de moordenaar, die in Culemborg woont, zich kunnen oriënteren en kennis kunnen nemen van de publieke opinie die officieel was misleid. (...) Wij hebben in een der vorige artikelen kunnen lezen van de geniale plannen van den inbraak, moord en diefstal Welnu in dat meesterlijk plan lag ook opgesloten de misleiding en de vernietiging der sporen. Daarbij heeft de Com.v.Pol. niet eens aan de mogelijkheid gedacht, dat die moord door een ingewijde zou kunnen zijn gepleegd. (...) Indien volgende week de voormalige rechercheur bij de Culemborgse politie nog met door de Justitie zal zijn gearresteerd zal er in het volgend nummer een opzienbarend stukje verschijnen/

Met getrokken sabel

Geleidelijk aan begonnen ook andere kranten, zoals Het Volk en Het Haagsche Volk, zich intensief bezig te houden met de vraag wie de dader van Culemborgse roofmoord was. Naar het voorbeeld van De Arbeid werd soms op een ontstellende manier ingespeeld op het 'gezonde volksgevoel'. Onder de kop 'Grote opgewondenheid onder de bevolking. Zij meent den dader te kunnen aanwijzen' opende Het Volk van 23 juli 1924. De strekking van het verhaal is dat zowel bij de politie als het publiek een overtuiging' is ontstaan dat het misdrijf heeft plaatsgevonden met behulp van een of meer personen, bekend met de plaatselijke toestand. 'Zij [de bevolking] is zich sinds eenige weken op kritische wijze met het politionele onderzoek gaan bezig houden en een zeer groot deel van de bevolking meent den dader, althans ee der daders, met groote beslistheid te kunnen aanwijzen. Deze toestand heeft het stadje in een staat van opgewondenheid gebracht, die ernstige gevolgen na zich kan sleepen. Daar de berichten die ons in het begin dezer week dienaangaande bereikten zeer alarmerend waren, besloten wij ons persoonlijk van een en ander op de hoogte te gaan stellen.' De krant memoreert vervolgens de [eerste] aanhouding van Haveman op 14 januari 1924 en zijn vrijlating drie dagen later: 'Op deze invrijheidsstelling reageerde bevolking op zeer agressieve wijze. Eerst heimelijk, maar allengs driester en ten laatste werd openlijk uitgesproken dat H.

[Haveman], die ongunstig bekend staat, bij deze geruchtmakende moord betrokken is geweest. De toestand was dus deze geworden, dat het "openbaar gerucht" den dader of medeplichtige aanwees. Het Volk meldt over de rumoerige situatie zoals die zich op maan dagavond 21 juli 1924 bij de woning van Haveman afspeelde: 'H. [Haveman] zat in de kroeg en het publiek verwachtte dat hij 's avonds weer dronken over de weg zou zwalken. Men was van plan om, als de verdachte uit de kroeg zou komen, hem te grijpen en aan de politie over te leveren. Men oordeelde en sprak het openlijk uit: "als de justitie hem dan niet grijpen wil, zullen wij hem brengen". Er verzamelden zich zo'n 1000 personen, tegen elf uur in de avond. H. verliet nuchter de kroeg en werd uitgejouwd. Het Publiek werd door agenten, die sabels hadden getrokken, uiteen gedreven.' Ten slotte vermeldt de krant nog dat het 'bij het publiek' was opgevallen 'dat H. zeer royaal leefde en bij kleine aankopen soms wisselde met bankbiljetten van ƒ 100,00. Het feit dat Haveman nog op geen enkele wijze had gereageerd op de beschuldigingen tegen hem, was voor Het Volk aanleiding dat gegeven onder te brengen bij de andere dingen die volgens de krant tegen hem pleitten.

Bah!

Vier dagen later, op vrijdag 25 juli tegen zeven uur 's avonds, wordt Haveman voor de tweede keer gearresteerd, overgebracht naar Tiel en in het plaatselijke politiebureau opgesloten.
Het Volk hierover in de krant van 26 juli: 'Eindelijk heeft de justitie gehoor gegeven aan de door de bevolking steeds luider geoefende aandrang om den man, die door velen als dader of medeplichtige aan den kort voor Kerstmis gepleegden roofmoord, gevangen te nemen. Dinsdag waren hier reeds eenige rijksrechercheurs met de opdracht Haveman gevangen te nemen. Daar deze reeds meermalen gedreigd schijnt te hebben dat hij niet zonder verzet zijn woning onvrijwillig zou verlaten en men wist dat hij over een vuurwapen beschikte werd toen reeds getracht H. naar buiten te lokken. De bevolking wacht in grote spanning.' Toen agent Leenders van de Tielse politie de volgende ochtend, zaterdag 26 juli, even voor vijf uur de arrestant wilde controleren, bleek dat Haveman zich in zijn cel had opgehangen. Het Volk brengt vervolgens op maandag 28 juli 1924 een verhaal waar de huichelachtigheid van afdruipt: 'Aan den zoo luid geuite wens van de Culemborgse bevolking was nu voldaan en thans is men nog even ver. Wij nebben reeds uitvoerig melding gemaakt van de stemming der bevolking. Wie gedacht mocht hebben dat deze mentaliteit van haat en verdenking alleen bij het minst ontwikkelde deel viel waar te nemen, vergist zich. Ook aan "notabelen" uit het stadje was deze gezindheid niet vreemd. Een sterk en schandelijk bewijs daarvoor is het feit, dat toen bekend was geworden dat reeds j.l. dinsdag de arrestatie van verdachte kon plaats hebben, een der wethouders met zijn dames op het balkon van de sociëteit had plaats genomen, teneinde van die plaats de arrestatie en overbrenging naar het politiebureau gade te slaan... De meer ontwikkelde bourgeoisie beschouwde deze dieptreurige zaak dus blijkbaar als een publieke vermakelijkheid. Bah!'

Een beetje huiverig

Otto de Beus gaat intussen onverminderd verder met zijn verhalen in De Arbeid. Daarin geeft hij met enige regelmaat enerzijds Haveman een trap na, terwijl hij anderzijds zijn gifpijlen vooral richt op commissaris Blok. Op 2 augustus 1924 schrijft De Beus naar aanleiding van de zelfmoord van Haveman: 'Zijn (H's) plotselinge welstand dateert van na den dubbelen moord - als dat toevallig door andere oorzaken is gekomen, waarom heeft hij dat dan niet verklaard aan zijn speciale vriend, den heer commissaris Blok?' In datzelfde artikel wordt een uitspraak aangehaald die Blok voor de dood van Haveman heeft gedaan tegenover het dagblad De Telegraaf. Die kwam hierop neer dat Blok van mening was dat het onderzoek in de moordzaak alleen met kracht kon worden voortgezet 'wanneer de Rijkspolitie, die het onderzoek instelt, de plaatselijke niet tegenwerkt, een verschijnsel, dat bij landelijke misdrijven menigmaal te constateren valt'. Blok had in dat interview tevens gezegd dat wat de Culemborgse zaak betreft, verwacht kon worden dat Haveman binnen 'niet al te korten tijd' op vrije voeten zal worden gesteld. De reactie van De Beus in De Arbeid luidt: 'Weet de heer Blok heusch niet hoe de Rijkspolitie over zijn leiding denkt? Indien H. zich niet van het leven zou hebben beroofd, dan zou hij volgens De Telegraaf op vrije voeten zijn gesteld. Hoe weet de Commissaris dat? Is dat niet een beetje verdacht?'
Het nummer van 9 augustus 1924 is andermaal tegen Blok gericht. 'Sedert de heer Blok hier de leiding heeft is heel wat geschied dat om opheldering schreeuwt. Inbraken, diefstallen die niet en nooit werden opgehelderd en tenslotte een roofmoord op twee oude menschen. In de avond van den moord hebben twee getuigen gezien dat Haveman tussen negen uur en halftien een café binnenkwam. Hij zag er toen vreemd uit, was bleek en zat zijn kleren te bekijken. Zonder dat hem iets werd gevraagd, zei hij "een beetje huiverig" te zijn en den heelen dag thuis te hebben gezeten. Die getuigen hadden het gevoel of Haveman iets bijzonders had uitgevoerd. Zij denken nog vaak aan zijn gezicht. (...) De verklaringen van den heer Blok dat Haveman dien avond bij zijn vrouw en kinderen zou zijn geweest, is geheel in strijd met deze drie getuigen [in het artikel noemt De Beus nog een getuige, JAB]. Waarom heeft Blok toen hij hoorde dat Middelkoop in een zenuwachtigen toestand in een of ander café kwam, die wel laten arresteren en Haveman niet? De aanwijzingen tegen Haveman waren veel sterker dan tegen Middelkoop. Juist door het laten loopen en door de dikke vriendschap van en met Haveman heeft de Commissaris op zijn geweten, dat het Publiek zoo driest tegen Haveman is opgetreden. Ja, nog sterker, waarom werd de vriendschap tusschen den heer Blok en Haveman vanaf dat oogenblik sterker en welke reden had de heer Blok om aan een door wangedrag weggejaagden rechercheur inlichtingen te vragen, hoe, door wien en op welke wijze die moord zou kunnen zijn gepleegd? Wij zullen het bloedige tafereel niet meer voor de oogen onzer lezers laten ontrollen maar willen toch probeeren aan te toonen, dat de heer Blok meer van de zaak weet.'

N.B. In de eerder aangehaalde nota van het ministerie van Justitie wordt dit verhaal sterk genuanceerd. Twee van de getuigen verklaren niets over het door Haveman bekijken van zijn kleding. De derde getuige had 'niet aan iets bijzonder ergs' gedacht. 'Hij meende dat H. weer met vrouwen was uitgeweest.' Met betrekking tot het laatste gedeelte (het door Blok vragen van inlichtingen aan Haveman enz.) verklaart mr. Oosting tegenover de rechter-commissaris: 'Haveman is op het Parket gekomen en heeft gezegd, dat als aan hem het onderzoek was opgedragen, hij de daders reeds lang zou hebben gevonden. Hij gaf er zijn spijt over te kennen dat de C.v.P. Blok van zijn aangeboden hulp niet gediend was geweest.'

Ook maar een touwtje opzoeken

De artikelenreeks tegen Haveman en Blok krijgt in De Arbeid van 23 augustus 1924 een luguber klinkende climax: 'Omwonende boeren vertellen dat de commissaris vroeger reeds uiting had gegeven aan zijn "voorgevoel" dat er wel een moord zou kunnen plaats hebben,' aldus De Beus. Hij vervolgt: 'Hij liet daarom die hoeve extra bewaken en op gezette tijden hield de politie een oog in het zeil. Door de vriendschap met den heer Blok, wist Haveman, hoe en wanneer die bewaking plaats had. Bedenkt nu, dat de heer Blok zoo goed als zeker wist, dat er bij van Wiggen "iets" zou gebeuren!! Wij vragen nu aan een ieder die over een gezond stel hersens heeft te beschikken of den commissaris niet de hoofdschuldige is. Heeft hij den moordenaar niet in de gelegenheid gesteld om die misdaad te begaan en toen het verschrikkelijke feit eenmaal was gebeurd, heeft hij toen Haveman niet door dik en dun verdedigd? Wij hebben drie getuigen, die onafhankelijk van elkaar bij den commissaris de aandacht op Haveman hadden gevestigd. De hoofdschuldige is wel dood, maar de commissaris leeft nog en hij is iemand die meer van de moordzaak weet. Niemand, noch het publiek noch de Justitie zal aannemen, dat de heer Blok niet wist wat Haveman heeft gedaan. De comedie die de commissaris van politie in deze moordzaak heeft gespeeld grenst aan het misdadige.' (...) 'Wij gaan nog verder en zullen den heer Blok beschuldigen, dat hij opzettelijk het onderzoek in deze moordzaak heeft belemmerd en met opzet het dwaalspoor heeft gevolgd, dat de moordenaar hem heeft aangewezen. Dit wordt dus een krasse beschuldiging, die wij volgende week zullen uitspreken en dan zullen wij zien of de heer Blok een aanklacht tegen ons zal indienen. Doet hij dat niet dan zullen wij hem een raad geven. Wij gaven aan Haveman ook een raad: of bekennen of zelfmoord. Het resultaat is bekend. De heer Blok heeft te kiezen tusschen: onmiddellijk ontslag vragen - bekennen wat hij met Haveman heeft uitgehaald of ook maar een touwtje opzoeken. Andere wegen zijn er niet.'

Veel, zeer veel stof op te jagen

Op 2 december 1924 schrijft commissaris Blok aan de minister van Justitie het volgende:
'Sedert een vijftal maanden ben ik het slachtoffer eener onwaardige lastercampagne van de zijde der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en voornamelijk geuit in de couranten Het Volk en De Arbeid dier partijen. Ofschoon mij door meerdere justitie autoriteiten is medegedeeld dat ik in deze vrij uit ga, geef ik uwe excellentie nogmaals de oprechte verzekering dat ik in deze treurige moordzaak steeds als een fatsoenlijk ambtenaar heb gehandeld en door mij geen enkele handeling is verricht in strijd met mijn ambtseerbegrip en fatsoen. Met een volkomen gerust geweten, zie ik dan ook den uitslag van het onderzoek in verband met bedoelde lastercampagne ingesteld tegemoet (...).' 'Nu door uwe excellentie in verband met de j.1. gerichte schriftelijke vragen het laatste woord in deze aangelegenheid gesproken zal worden, veroorloof ik mij een beroep te doen op de steeds mij betoonde welwillendheid van de zijde van uwe excellentie ondervonden en zich in mijn huiselijk en familieleven gedurende dien treurigen tijd te verplaatsen en den toekomst van mijn tachtigjarigen vader te willen indenken, aan wien zelfs bedoelde couranten werden toegezonden en die steeds onder deze laffe plagerijen lijdt. Ik vlei mij dan ook met de oprechte wensch dat met het oog op het vorenstaande door uwe excellentie in zijn antwoord aan bedoelde campagne en treurige gevolgen een einde worden gemaakt. Met de meeste gevoelens van erkentelijkheid en hoogachting heb ik de eer te zijn van uwe excellentie, de dienstwillige dienaar.'

Naar aanleiding van de door Blok bedoelde Kamervragen adviseerde de Tielse officier van justitie aan de minister om geen vervolging tegen De Beus in te stellen: '(...) omdat deze met zijn schrijverij het openbaar belang heeft willen dienen en bij hem volstrekt niet het doel om te beleedigen heeft voorgezeten. Ik zou daarom meenen dat geen nader gevolg aan de zaak moet worden gegeven. Ook uit een practisch oogpunt schijnt mij dit het meest gewenscht aangezien, wordt de zaak vervolgd, Mr. Mendels naar ik ben ingelicht, de verdediging op zich zal nemen, en dan zal naar ik vrees van de geboden gelegenheid om veel, zeer veel stof op te jagen, een maar al te dankbaar gebruik worden gemaakt. Dit schijnt mij, na al wat er reeds is voorgevallen, zeer ongewenscht.
Dit nogal opportunistische standpunt van de Tielse Justitie werd door de minister van Justitie gedeeld: De Beus wordt voor zijn artikelen niet vervolgd! Het Volk van 24 december 1924: 'Het heeft waarlijk niet aan de onomwonden en overduidelijke uiteenzetting van partijgenoot De Beus gelegen, dat hij niet in staat is gesteld om in het algemeen belang de door hem verkondigde waarheden betreffende het politiebeleid te Culemborg door getuigen onder eede te laten bevestigen. Hierbij zou het beleid van den commissaris door een discussie over en weer, onder bijstand van een verdediger, zijn vastgesteld. De mededeling van de minister beteekent dat het onderzoek der Tielse justitie zoo overtuigend materiaal opleverde, dat een openbare behandeling van het geval overbodig geacht moest worden en dat de zuiverheid van de bedoelingen van De Beus boven de aanvankelijke verdenking verheven bleek. Wij wenschen in de eerste plaats onzen partijgenoot De Beus geluk met deze afloop. Zijn doel is blijkbaar bereikt. Dat de Commissaris onder deze omstandigheden gehandhaafd zou kunnen blijven, lijkt ons ondenkbaar. Het wil ons voorkomen dat de ten aanzien van hem te nemen maatregelen niet zozeer wachten op de opheldering van den moord als wel op het vinden van een geschikte regeling, die den heer Blok niet bovenmatig zwaar treft. Intussen wachten wij met belangstelling op het definitief oordeel der justitie-autoriteiten omtrent de gedragingen en houding van den Commissaris in Culemborg in deze geruchtmakende zaak en op het eindoordeel, dat in dezen over hem zal worden geveld - daarop heeft het publiek, de bevolking van Culemborg in eerste plaats, recht.'