Artikelindex

DE EERSTE ARRESTATIES

Reeds daags na ontdekking van de roofmoord vindt de eerste arrestatie plaats. Op eerste kerstdag 1923, omstreeks zeven uur in de ochtend, wordt de bewoner van woonboot De Ark, de 53-jarige 'parlevinker' [winkelier te water] Berend Greven, door inspecteur Dortland en agent Vroege van zijn bed gelicht en voor verhoor overgebracht naar het politiebureau. De directe aanleiding was eigenlijk vrij simpel. Het was namelijk de woonboot van Greven waar speurhond Grimm zijn begeleider heen had gevoerd. Greven werd aan een 'scherp verhoor' onderworpen, maar de man bleek een sluitend alibi te hebben. Waarom Grimm uitgerekend zijn woonboot heeft 'aangewezen', blijft dan ook een raadsel. Greven wordt nog diezelfde dag op vrije voeten gesteld. Vijf dagen later, op 31 december, wordt in Rotterdam de volgende arrestatie verricht. Het gaat om de in Crooswijk wonende lasser Johannes van Lienden, die op onduidelijke gronden bij de politie als mogelijke dader is getipt. Nadat hij drie dagen in de cel heeft doorgebracht, moet ook deze man worden vrijgelaten. Hij blijkt niets met de Culemborgse moord van doen te hebben.

Bij haar verder onderzoek gaat de politie ervan uit dat een merkwaardig voorval dat zich drie dagen voor de moord bij de boerderij van de Van Wiggens heeft afgespeeld, wel eens regelrecht verband kon houden met het misdrijf. Wat is toen het geval geweest? Op donderdagavond 20 december tegen halfzeven had een onbekende man in de stal een paar koeien losgemaakt en naar buiten gedreven. Tijdens die bezigheid was deze man door de niet bang uitgevallen Toon van Wiggen van het erf gejaagd. Naar de politie nu vermoedt, heeft deze onbekende de bedoeling gehad met een of meer anderen in de boerderij zijn slag te slaan op het moment dat de beide Van Wiggens druk in de weer waren de koeien op te vangen.

Tien dagen na de moord, het is inmiddels donderdag 3 januari 1924, worden maar liefst vier verdachten aangehouden, één Culemborger en drie mannen uit Utrecht. Bij de Culemborger gaat het om de als 'ongunstig' bekend staande Marinus Middelkoop, bijgenaamd Pikkie van Vuuren. Deze man was ook reeds vrijwel direct na de moord opgepakt, maar hij moest alweer even snel wegens gebrek aan bewijs worden vrijgelaten. Nieuwe aanwijzingen tegen hem en de drie verdachten uit Utrecht geven politie en justitie hoop dat het misdrijf nu spoedig zal zijn opgelost. De politie gaat er deze keer van uit dat het Middelkoop is geweest die aan de drie Utrechtenaren de nodige informatie heeft verschaft en dat de feitelijke daders onder hen moeten worden gezocht. De politietheorie luidt als volgt: De al eerder genoemde parlevinker Greven is door Middelkoop in een café in Culemborg dronken gevoerd en vervolgens terug aan boord van zijn woonboot De Ark gebracht. Middelkoop kon zich hierna meester maken van de roeiboot van Greven, om zijn kompanen aan de overkant van de Lek op te halen. Greven gebruikte zijn roeiboot wel eens om schippers terug aan boord te brengen. Commissaris Blok houdt ook rekening met de mogelijkheid dat de Utrechtenaren op de terugweg hun bebloede kleding overboord hebben gegooid. Wat daar verder ook van zij, politie en justitie besluiten om op zaterdag 5 januari op de plaats delict een reconstructie te houden in aanwezigheid van de verdachten. Het viertal, dat in Tiel is ingesloten, arriveert die dag onder stevige politiebewaking per trein in Culemborg. Dat er in verband met de moordzaak iets staat te gebeuren, is inmiddels ook bij de Culemborgse burgerij bekend geworden. Op de route van het station naar het Marktplein en in de omgeving van het politiebureau is een dichte menigte samengestroomd die tegenover de vier mannen een dreigende houding aanneemt, maar dankzij het feit dat commissaris Blok voor uitgebreide politiemaatregelen heeft gezorgd, doen zich geen incidenten voor. Op de plaats delict worden de verdachten aan 'een scherp verhoor' onderworpen, maar zij geven geen krimp, laat staan dat zij een bekentenis afleggen. Reeds enkele dagen later moet een van de Utrechtenaren wegens gebrek aan bewijs worden vrijgelaten.

affiche bekendmaking beloning 500 gulden

Ook een ex-rechercheur

Justitie en politie concentreren zich gedurende de nu volgende periode geheel op de drie overgebleven arrestanten. Daar komt op 14 januari nog een 'bekende Culemborger' bij: niemand minder dan ex-rechercheur Fredericus Haveman, die twee maanden voor de moord oneervol bij het Culemborgse politiekorps was ontslagen wegens 'onzedelijk gedrag en het misbruiken van sterken drank'. De verdenkingen tegen Haveman kwamen erop neer dat hij 'plotseling' over veel geld bleek te beschikken, enkele duistere relaties had, en met de situatie op de boerderij van de Van Wiggens bekend was. Dat laatste hield verband met het feit dat Haveman, toen nog rechercheur, kort voor de moord een inbraak in de boerderij van de Van Wiggens had behandeld en bij die gelegenheid had geadviseerd andere sloten op de deuren te laten aanbrengen. De arrestatie van de ex-rechercheur werd niet door de plaatselijke politie, maar door rijksveldwachters uitgevoerd. Haveman moet echter nadat hij drie dagen in de cel in Tiel heeft doorgebracht alweer worden vrijgelaten. Er blijkt geen spat van bewijs tegen hem te zijn, ook een huiszoeking levert niets belastends op. Over die spoedige vrijlating van Haveman oordeelt het geleidelijk op gang komende 'openbare gerucht' onder de Culemborgers echter geheel anders. Dat zou gedurende de volgende maanden ook maar al te duidelijk aan het licht komen.

Het onderzoek loopt dood

In een uitgebreide brief van 29 februari 1924 aan de procureur-generaal te Arnhem laat officier van justitie mr. Oosting er geen twijfel over bestaan hoe hij denkt over de rol die Middelkoop, alias Pikkie van Vuuren, en de twee overgebleven Utrechtenaren hebben gespeeld, al hun ontkenningen ten spijt. Mr. Oosting begint als volgt. '(...) dat m.i. Middelkoop moet beschouwd worden als hebbende inlichtingen gegeven tot het plegen van de moord, terwijl waarschijnlijk de verdachte Van der Weghen, thans gedetineerd te Utrecht, den moord gepleegd heeft. Geheel uitgesloten echter is het niet, dat Middelkoop een werkzaam aandeel aan het misdrijf heeft genomen.'

foto van het Culemborgse politiekorps in de jaren 20.jpg Vervolgens geeft de officier van justitie in precies achttien korte, maar weinig concreet houvast biedende punten aan, waar hij zijn mening op baseert. Commissaris Blok roept intussen eind februari via een bulletin het publiek op om inlichtingen te geven die kunnen leiden tot de aanhouding van de onbekende man die op donderdag 2.0 december 1923 de koeien uit de stal van de Van Wiggens heeft losgelaten en die op de bewuste avond in gezelschap is gezien van Middelkoop. De commissaris stelt voor de 'gouden tip' een beloning van vijfhonderd gulden in het vooruitzicht. Een en ander is voor het Nieuwsblad van Culemborg van 1 maart 1924 kennelijk aanleiding een wat optimistisch geluid te laten horen: 'Het onderzoek der moordzaak is thans in een nieuw stadium gekomen. Het scherm voor het laatste bedrijf in dit afschuwelijke drama is gehaald. Uit bovenstaande oproep van de commissaris van politie is thans overduidelijk, dat de justitie 't rechte spoor niet alleen te pakken heeft, maar ook dat zij weet wie zij hebben moet, daar het signalement van de dader bekend is en hij door meerdere personen kan worden herkend. Zijne opsporing is dus slechts een kwestie van tijd.' Volgens de krant zal Middelkoop, alias Pikkie van Vuuren, niet worden losgelaten 'vooraleer de geheele zaak zijn beslag zal hebben gekregen'. De voorspelling van de krant is echter voorbarig. Het onderzoek tegen Middelkoop en de Utrechtenaren levert uiteindelijk namelijk niets op. 'Pikkie van Vuuren' wordt als laatste van de drie arrestanten, na vijf maanden voorarrest, op 8 juni 1924 vrijgelaten.

Een koopman in dekens

Dat de Justitie in Tiel van meet af aan niet overliep van vertrouwen in de Culemborgse politiecommissaris Blok blijkt onder meer uit diens brief van 2 februari 1925 aan de minister van justitie. Blok beklaagt zich hierin over het feit dat officier van justitie mr. Oosting in maart 1924, zonder overleg met hem, rijksrechercheur Hartkamp uit Apeldoorn bij het moordonderzoek heeft ingeschakeld. De commissaris laat in zijn brief aan de minister weten dat Hartkamp, met de nodige onderbrekingen, in totaal één maand en op een wel heel bijzondere wijze in Culemborg actief is geweest. Blok: 'Hartkamp kwam te Culemborg, zich uitgevende voor koopman in dekens. Ik maakte hem attent op deze eigenaardigheid om met dekens in de zomermaanden te venten, doch hij gaf te kennen, dat hij blanco volmacht had van de heer procureur-generaal. De tweeden dag was zijn bezoek hier bekend, doordat het opgevallen was dat hij tweede klasse reisde en in het bezit was van een dienstkaart zonder portret. Op mijn herhaald verzoek liet hij die kaart later van zijn portret voorzien, opdat de kaart gelijk zou zijn aan een gewoon abonnement.' Ook liet hij zijn rijwiel als 'dienst' vervoeren, aldus Blok, die in zijn brief vervolgens aangeeft dat hij destijds via derden had vernomen dat Hartkamp bij het onderzoek zou worden ingeschakeld. Aangezien Hartkamp vroeger gemeenteveldwachter in Culemborg was geweest, achtte commissaris Blok diens inzet niet in het belang van het onderzoek. Zijn bij de officier van justitie in Tiel ingediend verzoek om in plaats van Hartkamp een andere rijksrechercheur aan te wijzen, was toen echter niet gehonoreerd. Blok vervolgt'(...) Wat ik voorzien had gebeurde. Hartkamp knoopte oude kennismakingen weer aan, onder anderen met zijn vroegere collega Boorsma, thans conciërge eener school, alwaar hij zijn licht opstak. Ook bij de Burgemeester en confereerde met hem over zijn onderzoeken enzovoort enzovoort. Vervolgens werd rijksrechercheur Heijting aan hem toegevoegd [met het gevolg dat zij] onderling ruzie kregen en van elkaar rapport maakten bij hunne chefs, met het gevolg dat Hartkamp ten slotte niet langer met onderzoek belast bleef. Intussen wist het publiek het verloop van het onderzoek door Hartkamp ingesteld. Mij zijn personen, burgers, bekend, die tevoren wisten en zulks vertelden wanneer de gewezen rechercheur Haveman zoude worden gearresteerd.' [Blok duidde hier kennelijk op de tweede arrestatie van Haveman in juli 1924, JAB.]