Artikelindex

HET SLOTBEDRIJF - RECHTBANK TIEL

Onder enorme publieke belangstelling stonden Jan Vroege en Claas Sweeris uiteindelijk op 16 mei 1927 voor de rechtbank in Tiel, die werd voorgezeten door mr. A.G.A. Ridder van Rappard. Rechters waren mr. D. Kaars Sypesteijn en mr. E.J.W. Top. Als officier van justitie trad op mr. G.J. van Everdingen. Raadsman voor Vroege was mr. H.J.W. van Esveld, mr. Van Nes trad als zodanig op voor Sweeris. Beide verdachten was primair moord ten laste gelegd. Zoals zij tijdens hun hele detentie hadden gedaan, bleven de mannen erbij dat ze op de bewuste avond van zondag 23 december 1923 niet in Culemborg zijn geweest. De officier van justitie leunde bij de bewijsvoering in de eerste plaats op de verklaring van mevrouw Haveman en in aansluiting daarop op die van Melis de Smale. Ten aanzien van mevrouw Haveman wees de officier erop dat haar verklaring 'van het grootste belang' geacht moest worden.

dubbele moord culemborg-4.jpg

Hij voegde daaraan toe dat hij haar gehele houding 'zóó betrouwbaar' vond en voorts haar gehele persoonlijkheid getuigend van een 'waarachtige ernst om de waarheid en niets dan de waarheid te zeggen', dat hij geen ogenblik twijfelde aan de echtheid van haar woorden, die klopten met die van anderen, 'voornamelijk met die van getuige De Smale'. Mr. Van Everdingen achtte moord bewezen en eiste tegen beiden levenslange gevangenisstraf. De verdediging kwalificeerde getuige Melis de Smale als een 'onbetrouwbaar individu'. 'Hij is een dwaze fantast of een doortrapte schurk,' zei mr. Van Esveld. Ten aanzien van mevrouw Haveman stelde de raadsman zich op het standpunt dat zij zich 'om aan gijzeling te ontkomen, omdat zij wel besefte dat men vermoedde dat zij meer wist, had laten verleiden tot verklaringen, waarbij wijlen haar man een nog betrekkelijk behoorlijke rol speelde, omdat hij maar enkel op den uitkijk had gestaan'. Vroeger had zij immers op 'het leven van haar kinderen gezworen' dat haar man niets met de zaak te maken had. Ten slotte stelde de verdediging zich op het standpunt dat 'geen atoom van bewijs' was geleverd en dat bijgevolg slechts vrijspraak kon volgen. Dat bleek een misrekening. Reeds op zaterdag 21 mei 1926 werd vonnis gewezen. Moord werd niet bewezen geacht. Wel achtte de rechtbank de verdachten schuldig aan diefstal onder verzwarende omstandigheden ['dood tengevolge hebbende']. Vroege en Sweeris werden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 jaar. 'Ziehier een troep gewetenlooze schurken, die mij onschuldig in de gevangenis duwen,' riep Claas Sweeris uit toen hij uit de rechtszaal werd geleid. Jan Vroege hield zich rustig en gaf geen commentaar.

GERECHTSHOF ARNHEM

De behandeling voor het gerechtshof te Arnhem speelde zich af in twee fasen. De eerste vond plaats op 28, 29 en 30 september 1927. De tweede in februari 1928. Als voorzitter van het Hot trad op mr. P.C. Klaasesz, als raadsheren mr. C. Star Busmann en mr.dr. J.A.G. baron de Vos van Steenwijk. Advocaat-generaal mr. A.A Cnopius vertegenwoordigde het Openbaar Ministerie. Inmiddels waren ook twee nieuwe verdedigers aangetreden, name-lijk mr. H.H. Roobol uit Arnhem en Jhr.mr. M. van der Goes van Naters uit Nijmegen. In tegenstelling tot de rechtbank in Tiel, die slechts een dag aan de zaak had besteed, ging het Arnhemse Hof intensief in op met name de getuigenverklaringen van mevrouw Haveman en Melis de Smale. Evenals de officier van justitie bij de rechtbank in Tiel had gedaan, onderbouwde advocaat-generaal mr. Cnopius zijn bewijsvoering namelijk primair op de verklaringen van deze beide 'kroongetuigen'. In dat opzicht kwam de advocaat-generaal bedrogen uit. Het fundament van zijn bewijsvoering bleek op drijfzand gebouwd, toen mevrouw Haveman voor het Hof verscheen. Ging het de eerste dag van de behandeling van de zaak nog redelijk naar de wens van mr. Cnopius, op de tweede dag liep het geheel mis. Mede door de felle aanvallen van de beide verdedigers Roobol en Van der Goes van Naters sprak mevrouw Haveman zich herhaaldelijk tegen of kwam zij terug op haar vorige verklaringen. Alhoewel de advocaat-generaal aanvankelijk toch nog het nodige vertrouwen leek te hebben in het waarheidsgehalte van hetgeen de eveneens onder hevig vuur van de verdediging liggende Melis de Smale voor het Hof verkondigde, meende hij op de derde dag van de zitting dat een aantal dingen onopgehelderd waren en het OM zodoende nog niet in staat was een eis te stellen. Mr. Cnopius verzocht het Hof daarom tot aanhouding van de zaak en terugverwijzing naar de rechter-commissaris. Het Hof ging daarmee akkoord en gelastte een deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van mevrouw Haveman en Melis de Smale.

Al dat geknoei en geïntrigeer

In de periode gelegen tussen schorsing van de zaak op 30 september 1928 en de heropening op 2 februari 1929, deden zich twee spectaculaire gebeurtenissen voor. Daaraan vooraf ging echter een opmerkelijke brief van advocaat-generaal mr. Cnopius aan de minister van Justitie, die klaarblijkelijk om tekst en uitleg had verzocht in verband met de schorsing van de zaak. De advocaat-generaal schreef onder meer: '(...) Wanneer Vroege en Sweeris veroordeeld zullen kunnen worden, gaat dit in hoofdzaak en bijna alleen op hetgeen juffrouw Haveman en de Smale ter hunner belasting in deze hebben verklaard; al wat daar verder als bewijsmiddelen bijkomt is daarnaast de moeite van beoordeeling niet waard; men moet dus voor een veroordeeling er vast op kunnen vertrouwen, dat hetgeen deze beide getuigen indertijd hebben verklaard, indien zij dit ter terechtzitting zouden volhouden (de Smale deed dit reeds en juffr. Haveman deed dit den eersten dag en zeide den 2den dag dat zij twijfelde), door hen naar waarheid wordt verklaard; vandaar dat noodzakelijk is hunne betrouwbaarheid in dit opzicht te onderzoeken. (...)' Ook het optreden van de beide raadslieden naar de pers toe zat mr. Cnopius kennelijk goed dwars, zo leid ik althans af uit het volgende citaat. 'Ondergeteekende [mr. Cnopius, JAB| bemoeit zich nooit met de pers en de verslaggevers; de advocaten des te meer en zeker bij deze behandeling. Jhr. Van der Goes van Naters heeft zoo nu en dan met verheffing van stem, als een der vele getuigen, die door hem en zijn confrère waren voorgebracht, iets verklaard wat hem te pas kwam, in de richting van de perstafel met autoriteit geroepen: "dit acht ik zeer gewichtig". (...) Mr. Roobol had een andere tactiek, die stond n.l. vlak voor de perstafel en gaf eenvoudig aan de verslaggevers op, wat zij vooral op moesten schrijven. Verder hebben beiden, en vooral mr. Roobol, voor de opening, in de pauze en na de sluiting zich steeds tot de verslaggevers gericht en hen naar hun inzicht bewerkt. (...) Het is een ontmoedigend gevoel om al dat geknoei en geïntrigeer rustig zijn gang te moeten laten gaan, omdat aan advocaten nu eenmaal alles geoorloofd is.'

In de kerk van ons God

De eerste verrassende gebeurtenis vond plaats op 28 december, ruim een maand voor de voortzetting van de behandeling voor het gerechtshof in Arnhem. Op die dag werd Claas Sweeris, na 21 maanden voorarrest, plotseling in vrijheid gesteld. Aanleiding daartoe was het feit dat Melis de Smale zijn hele verklaring tegen Sweeris bij de rechter-commissaris had ingetrokken. In een door hem vanuit de gevangenis aan Sweeris geschreven brief, gedateerd 27 december 1927, legt De Smale uitvoerig uit hoe en waarom hij plotseling tot omkeer is gekomen. Hij schrijft:

'Bij deze neem ik de vrijheid om u eengen woorden te schrijven, Daar het niet mogelijk is om met u een oogenblik persoonlijk te spreken, daar ik ook zelf verblijf in één kamertje, als u. Echter hoewel dit onmogelijk is, toch is het mogelijk u per brief te bereiken en een ogenblik met u te spreken. Maar daar ik mij niet gaarne in een brief over dingen uitlaat, die een ander niet hoeft te weten, dingen die ons persoonlijk aangaan. Daarom zal ik ook maar zeggen waarover ik u per brief even spreken wil. Als dat ik de aanklacht tegen u uitgegeven herroepen heb. Daar het mijn plicht was de waarheid niet langer te verzwijgen tegenover u. En daar ik de laatste drie maanden veel over u en uw huisgezin na gedacht heb, daar ik u en uw huisgezin steeds dag of nacht in mijn gedachten heb gehad, heeft het mij tot nadenken gebracht. En toen heb ik gewaar geworden al dat mijn haat, die ik tegen u had u niet alleen getroffen heeft, maar u vrouw en kinderen het meest. Dat heeft mij doen besluiten als dat ik de aanklacht tegen u herroepen heb. Daar ik altijd verblind geweest ben zoo lang als u al geleden hebt. Mijn haat tegen je was te groot, dat ik het eerder gekent had om het te herroepen. Daar op de Kerstdagen van 1927 de herinnering aan mijn Moeder wat zij mij altijd voorgehouden heeft om gehoorzaamheid en waarheidsliefde in het oog te houden. Toen is het me duidelijk geworden als dat ik niet langer wachten moog als ik nog iets goed te maken had dan was het in de eerste plaats tegen u. Daar ik net iets hoorde te morgen in de kerk van ons God, die de leugen haat, eischt van ons dat wij de waarheid spreken, welke de gevolgen daarvan ook mogen zijn. Dat heeft mij vast doen besluiten om de valschen verklaringen die ik tegen u uitgegeven hadt, in te trekken, van die moordgeschiedenis en de inbraak van Geldermalsen. Je zult je nog wel herinneren, wat je van me uit ging strooien te Buren. En als je het je niet meer herinneren kunt zal ik het je nog wel is schrijven en persoonlijk zeggen. Verder hoop ik, je spoedig in vrijheid gesteld te zien. Nu verder hoop ik als dat je het ook vergeven en vergeten kunt wat er tusschen ons is voorgevallen is het dan ook beter er niet langer over te spreken. Mocht het zijn, dat je nog bericht terug wil sturen, mijn adres is Veenhuizen 1 no.7a 6176l. Melis de Smale.'

N.B. De inbraak in Geldermalsen waar De Smale over schrijft, betreft een door hemzelf gepleegde kraak in de suikerfabriek aldaar. De Smale had Sweeris er destijds tegenover de Amsterdamse rechercheurs valselijk van beticht mededader te zijn geweest.

Die had ik uit de krant

De tweede verrassende ontwikkeling diende zich aan op 2 februari 1928, toen de behandeling van de Culemborgse moord voor het Arnhemse gerechtshof werd voortgezet: mevrouw Haveman trok al haar verklaringen in. Als getuige-deskundige werd door het Hof gehoord dr. Schnitzler, die een verklaring aflegde omtrent de betrouwbaarheid van mevrouw Haveman. Volgens dr. Schnitzler maakt zij niet 'den indruk van een zieke of een imbeciele, wanneer zij wil kan zij precies zeggen, wat zij meent, maar in deze zaak is haar geloofwaardigheid zeer gering'. Op een vraag van de verdediging of mevrouw Haveman geloofwaardig is wanneer zij haar verklaring zonder pressie aflegt, antwoordt dr. Schnitzler 'dan haar geloofwaardigheid wel te kunnen aannemen'. Op uitdrukkelijk verzoek van Claas Sweeris leest de griffier hierna het destijds door rechter-commissaris mr. Hofdijk opgemaakte proces-verbaal voor van het verhoor van mevrouw Haveman. Daarin komt onder meer de volgende passage voor: 'Waarbij ik [rechter-commissaris] haar er op wees, dat zij niet naar Assen [woonplaats mevrouw Haveman, JAB] terug zou gaan, voor zij de volledige waarheid had verklaard, dat zij thans voor 12 dagen gegijzeld was, doch dat zulks telkens van 12 tot 12 dagen verlengd kan worden bij wijze van spreken tot levenslang toe.' Wanneer vervolgens mevrouw Haveman door het Hof wordt gehoord, verzoekt de president haar 'nu eens te doen alsof zij nog nimmer in deze zaak gehoord was'. Wat haar antwoord zou zijn wanneer haar nu wordt gevraagd wat zij omtrent de zaak kon vertellen, wil de president weten.
Mevrouw Haveman: 'Dat ik er niets van weet.'
President: 'Wat weet u omtrent de beide verdachten?'
Mevrouw Haveman: 'Ik weet niets ten nadeel van die menschen.'
President: 'Maar u heeft omtrent deze zaak verscheidene bijzonderheden verteld. Hoe kwam u daaraan?'
Mevrouw Haveman: 'Die had ik uit de krant.'
President: Neen, al die dingen welke u verteld hebt stonden niet in de krant.'

Mevrouw Haveman kan daar geen concreet antwoord op geven. Wel zegt zij dat zij destijds haar verklaring bij de rechter-commissaris zo had afgelegd om uit de gijzeling te komen. Zij was daar verder voortdurend voor bevreesd geweest. Ook Melis de Smale herhaalt dat alles wat hij ten nadele van Claas Sweeris heeft verklaard, onwaar was.

De advocaat-generaal gaf in zijn requisitoir aan dat hij tijdens de eerste fase van de zitting in september 1927 weliswaar had getwijfeld aan de verklaring van mevrouw Haveman, maar dat hij toen had geloofd dat De Smale de waarheid had gesproken. 'Toen was evenwel nog geen reden om aan de waarheidsliefde van deze getuige te twijfelen en het zal hem wel een zwaren strijd gekost hebben, om zijn verklaringen in te trekken.' De advocaat-generaal wijst het Hof erop dat het vonnis van de Tielse rechtbank is gebaseerd op de getuigenverklaringen van mevrouw Haveman en Melis de Smale: 'Nu deze zijn vervallen, zal tot vrijspraak geconcludeerd moeten worden.' De verdediging hield het kort. Mr. Roobol achtte een pleidooi 'niet noodzakelijk, zeker niet na het requisitoir' van de advocaat-generaal. Wel liet mr. Roobol zich tegenover het Hof nog ontvallen dat 'indien hij twee weken tot ambtenaar van het OM zou worden benoemd, hij wel de moordenaar zou aanwijzen'. De verdediger van Sweeris, Jhr. Van der Goes van Naters, noemde het requisitoir 'een pleidooi'. Hij haalde een 'karakteristieke' uitspraak aan van Claas Sweeris, waarin deze hem eens had gezegd 'dat zijn verblijf in de gevangenis en dat van Vroege nog van eenig nut zou zijn, als er maar een einde kwam aan al die narigheid, waarmee hij bedoelde, de fouten die de justitie beging'. Het Arnhemse gerechtshof deed op 16 februari 1928 uitspraak: vrijspraak voor Claas Sweeris en Jan Vroege.

Dat liet mij destijds vrij onverschillig

Inspecteur Van Slobbe omschreef in zijn rapport aan de procureur-generaal in Arnhem van 28 oktober 1927 de plaatselijke sfeer rondom de Culemborgse moordzaak als volgt:

'De publieke opinie was vergiftigd door geklets en geschrijf; de artikelen van De Beus hadden hiertoe niet weinig bijgedragen. De moordzaak was gemaakt tot een basis voor politieken strijd! Er ontstonden groepen voor en tegen den Burgemeester; voor en tegen den Commissaris; de S.D.A.P. trok in al haar felheid tegen Vrijheidsbond en Katholieken te velde. (...) Mijns inziens is zelden in een strafzaak zoo getracht de publieke opinie te doen medespreken als in de Culemborgse moordzaak.'

Mede naar aanleiding van de behandeling van de meineedzaak voor de Tielse rechtbank schreef advocaat-generaal mr. Cnopius op 11 maart 1929 aan de minister van Justitie onder meer:'(...) alleen behoef ik mij daar niets van aan te trekken, want de Amsterdamsche recherche is geheel buiten het Parket te Arnhem om in deze zaak gehaald - gelijk trouwens in de Culemborgse moordzaak veel buiten mijn tegenwoordig Parket is omgegaan en beslist - maar de geheele vervolging Sweeris en Vroege is m.i. wel te beschouwen als een door die Recherche in zekeren zin klaar gemaakte zaak. Het is natuurlijk gemakkelijk daaromtrent achteraf zijne overtuiging te geven, maar ik kan Uwe excellentie verzekeren, dat toen ik de appelzaak Sweeris en Vroege kreeg, en kennis maakte met het onderzoek dier recherche, waarin de bouwstoffen voor de gegronde verdenking tegen deze beide daders waren verzameld ik mij vastklampte aan de positieve getuigen verklaringen van De Smale en Juffrouw Haveman, die toen nog niet door mij konden verdacht worden, al was die door Juffrouw Haveman op wat eigenaardige wijze afgelegd; maar dat ik voor het overige de waarde der in dat onderzoek naar voren gebrachte omstandigheden niet hoog achtte en hier en daar niet geheel vertrouwde, doch dat liet mij destijds vrij onverschillig, want 2 getuigen hadden positieve verklaringen afgelegd. (...)'

Een aardige tegemoetkoming

Via zijn raadsman diende Claas Sweeris in april 1928 bij het ministerie van Justitie een eis tot schadevergoeding in wegens onterechte detentie over een periode van 21 maanden. De oorspronkelijk door hem geëiste schadevergoeding bedroeg ƒ 5.858,14. De officier van justitie kwam in zijn advies aan de procureur-generaal in Arnhem tot een bedrag van ƒ 2.647,73. Een hoge ambtenaar van justitie adviseerde: 'Ik zou daarom beleefd in overweging willen geven aan Sweeris een bedrag van rond ƒ 2,000,00 uit te betalen hetgeen toch al een aardige tegemoetkoming van een man als S. is.' Na het nodige gepingel stelde de minister van Justitie het uiteindelijke bedrag vast op ƒ 1.500,00! Ineen brief d.d. 15 oktober 1928 ondernam mr. Van der Goes van Naters bij de minister nog een poging tot verhoging van dit bedrag. De raadsman gaf in zijn brief eerst aan dat zijn cliënt Sweeris 'met groote dankbaarheid' kennis heeft genomen van de beslissing om hem ƒ 1.500,00 schadevergoeding toe te kennen. Vervolgens motiveerde hij zijn verzoek tot verhoging van het toegekende bedrag door het presenteren van een bepaald kostenplaatje. 'Ter wille van zijn vrouw en kinderen acht cliënt zich dan ook verplicht, uwe excellentie te verzoeken, wel te willen overwegen of genoemd bedrag nog kan worden verhoogd, terwijl hij - wanneer dit uwe excellentie niet mogelijk mocht zijn - vertrouwt dat uwe excellentie het hem niet euvel zal duiden, wanneer hij zich in dat geval eveneens met een verzoek richt tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal.'

N.B. Op deze brief is op het departement de potloodaantekening (met rode paraaf) gesteld: 'Dat gaat niet, dan moet hij de ƒ 1.500,00 teruggeven!'

De procureur-generaal in Arnhem schreef tenslotte aan de minister van Justitie:

'Ik vat in dit geval het geven van een schadevergoeding op als een vrijwillige onverplichte daad van het Departement van Justitie en ik zou mij kunnen voorstellen dat uwe excellentie zich plaatste op het standpunt dat u dan ook het bedrag van ƒ 1.500,00 beschouwde als een algeheele kwijting van een morele verplichting, en daarom wilde waarborgen tegen verdere aanvallen tot verhooging van dit bedrag, al zouden wij van den aanvang af ten volle overtuigd zijn dat dergelijke pogingen nimmer zullen kunnen slagen. Mitsdien is het op grond van die overbrenging beter thans verder geen moeilijkheden te maken en dit aan Jr. v.d. Goes v. Naters over te laten.' De reactie van de raadsman luidde: 'Na gepleegd overleg met C. Sweeris deel ik u mede dat eenig voorbehoud bij in ontvangstname der ƒ 1.500,00 niet zal worden gemaakt. Door de omstandigheden is Sweeris gedwongen, zelfs waar zijn schade in het geheel niet aan hem maar wellicht wel aan anderen is te wijten, met ieder bedrag wel genoegen te nemen.'

N.B. Voor Jan Vroege lag de situatie geheel anders. Hij was namelijk al gedetineerd en zat een veroordeling uit van drie jaar wegens een abortuszaak. Vroege kreeg uiteindelijk een aanzienlijke vermindering van zijn straftijd van drie jaar.