In de St. Barbaratoren aan de Markt hangen vier klokken. De drie grootsten werden in 1948 gegoten door de firma Eijsbouts te Asten.

Ben Holtkamp

Eerder verschenen in Voetnoot 3

Deze klokken kwamen in de plaats van drie andere klokken uit 1924, die tijdens de oorlog in 1942 door de Duitsers werden gestolen. Zij werden nooit teruggevonden. Het vierde klokje hebben de bezetters ook meegenomen, maar dit kwam na de oorlog weer op zijn plaats terug. Dit zgn. Elisabeth-klokje, ontkomen aan de Duitse smeltkroes, heeft een geschiedenis die teruggaat tot 1555. In dat jaar werd de klok gegoten en in de toren van de toenmalige St. Janskerk opgehangen.

De St. Johans Baptiste Kerk

Op de plaats waar men nu de basisschool "De Leilinden" vindt, heeft gedurende enkele eeuwen, tot het Jaar 1826, de St. Janskerk gestaan. Deze tamelijk grote kerk was gewijd aan de H. Johannes de Doper. In de zestiende eeuw sprak men wel van de "St. Johans Baptiste Kerk" en ook is bekend, dat deze kerk gedurende haar laatste Jaren en waarschijnlijk ook veel eerder wel "St. Johanskerk" genoemd werd.

In het Jaar 1531 besloten Heer Antonis en Vrouwe Elisabeth de St. Johans-Baptiste Kerk van een toren te voorzien. In 1535 reeds moet de toren al grotendeels voltooid geweest zijn, want in dat jaar werd de eerste klok, de zgn. Maria-klok, gegoten door Jan Tolhuis. De kap van de toren werd echter pas zes jaar later gedekt. Twintig Jaar na de eerste kwam er in 1555 een tweede klok, die eveneens door Tolhuis werd gegoten. Deze zgn. Elisabeth-klok had als randschrift: "Elisabeth Zachariae Magnum Virum Genuit. Jan Tolhuis me fecit 1555" (Elisabeth schonk Zacharias een groot man. Jan Tolhuis heeft mij gegoten in 1555). Behalve dat Elisabeth de moeder was van de H. Johannes de Doper, de patroon van de kerk, zal de naam van de klok waarschijnlijk ook een eerbetoon zijn geweest aan Vrouwe Elisabeth. Deze overleed op 9 december 1555. Van haar is bekend, dat zij veel heeft betekend voor Culemborg en zijn bewoners. Uiteindelijk komt er in 1663 nog een derde klok bij . Maar al na 1684 zal de St. Johanskerk niet of nagenoeg niet meer worden gebruikt. Het voortgaande verval van de oude Nieuwstad-parochiekerk was daarvan een logisch gevolg.

tekening van de barbarakerk in culemborg uit 1853

De oude rooms-katholieke Barbarakerk

Op diverse oude stadsplattegronden is duidelijk te zien, dat de Ridderstraat vroeger een zuidelijke uitloper had, een doodlopend gedeelte. Thans vindt men op die plaats het binnenterrein van de Sociale Academie "De Nijenburg". Dit stukje straat noemde men vroeger "de Papenhoek", dit vanwege de aanwezigheid van het r.k. schuilkerkJe, dat aldaar in de gevelrij was opgenomen en enkele andere r.k. percelen, waaronder de pastorie en eertijds de zgn. kloppenschool. Het uit 1628 daterende kerkje was zo bouwvallig geworden, dat men het in 1817 gerenoveerd en vergroot heeft. Enkele leden van de R.K. gemeente hebben eind 1816, nadat zij van de renovatieplannen vernomen hadden, nog het idee geopperd om de leegstaande en vervallen Johanskerk terug te vragen aan de overheid. Er waren echter te veel bezwaren, zowel van praktische als van financiële aard. In de loop van 1817 begon men met het opknapkarwe1. Dat had overigens een zo drastisch karakter, dat het woord "nieuwbouw" hier meer op zijn plaats is.

De achtergevel van de vernieuwde kerk bleef, als voorheen, grenzen aan de Papenhoek (Ridderstraat). De voorgevel kwam echter op de plaats, waar nu het noordelijk transept is van de huidige Barbarakerk. De kerk was bereikbaar via een pad, dat vanaf de Papenhoek langs de kerk naar de zij ingang leidde. Een ander pad kon aangelegd worden, nadat het kerkbestuur in 1825 een pand aan het "Marktveld" had aangekocht. Dit pand werd gesloopt. Twee met vazen bekroonde hekposten markeerden deze plaats. Het hek gaf toegang tot de zgn. "kerkweg": een pad van enkele tientallen meters lang, dat naar het vernieuwde waterstaatskerkje leidde. Op het allerlaatste nippertje werd nog besloten een toren aan de kerk toe te voegen. Deze toren kwam met één zijde tegen de voorgevel van de kerk te staan. Er was voor de verwezenlijking echter zo weinig geld beschikbaar, dat alleen de onderbouw van de toren gerealiseerd kon worden. Deze situatie duurde voort tot 1820.

In 1818, op 2 oktober werd in Lopik een torenklok verkocht, met een "schoon en zilver" geluid, volgens het notulenboek van het kerkbestuur. Er werd een commissie afgevaardigd om de bewuste klok in ogenschouw te nemen. De klok bleek echter ongeschikt en werd dus niet aangekocht. In de ochtend van 5 juli 1820, tijdens een vergadering van het kerkbestuur, werd besloten een commissie in het leven te roepen, die de verdere voltooiing van de toren begeleiden zou. De funktie van deze commissie werd als volgt omschreven: " . . . . te beproeven om door middel van eene inteekening, de noodige penningen bijeen te brengen welke tot bereiking van dit doel notoir vereischt worden. Er zijn tot deeze commissie benoemd de Heeren P. van Haasbergen, A. van Munster en J. Rossel, welke zich deeze benoeming hebben laten welgevallen."

voorontwerp van de barbarakerk in culemborg uit 1853 na vergroting

Voor de (ver)bouw van de kerk was eerder al een lening gesloten. De financiering van de torenbouw en de aankoop van een klok moesten apart geregeld worden. Ruim drie weken later, op 28 juli, kon de commissie meedelen, dat er reeds voor fl, 1.167,-,- was ingetekend. Het kerkbestuur bedankte de commissie hiervoor en verzocht haar verder te gaan met het inzamelen van gelden. Opdracht werd gegeven om met de afbouw te beginnen.

Aankoop van de Elisabeth-klok

Ook op die dag (28 Juli) werd een verzoek gedaan aan het stedelijk bestuur, om de Elisabeth-klok te mogen kopen. Het kerkbestuur had namelijk vernomen, dat de Gouverneur van de provincie en Gedeputeerde Staten aan het stadsbestuur toestemming hadden gegeven om de klokken van de Johanstoren te verkopen. Het kerkbestuur bood aan de klok voor eigen rekening uit de Johanstoren te laten halen, om deze daarna te laten wegen in de stadswaag (onder het stadhuis). De prijs zou dan vastgesteld worden naar het gewicht, maar dan wel zo dat er ook een verband zou zijn met het gewicht en de prijs van de beide andere klokken uit de toren. Men was kennelijk wat wantrouwend tegenover het stadsbestuur. Na de verkregen godsdienstvrijheid van 1796, was de relatie met de stedelijke overheid nog niet optimaal. In de notulen van de kerkbestuursvergadering van 18 september 1820 is een afschrift opgenomen van het antwoord van het stadsbestuur: ". . . waarop gedelibereerd zijnde goedgevonden is, aan de Roomsch Katholijke Gemeente vergaderende in de binnenstad alhier, de kleinste der drie klokken in de St. Johanskerk-toren alhier zich bevindende en aan de stad in eigendom behorende, af te staan en te leveren, zoo als gedaan wordt bij deezen, mits dat dezelve klok door hun voor eige rekening en risico uit gezegde Toren worde afgenomen en te dezer stadswaag gewogen en dat de waarde bij het pond berekend door deskundigen zal warden bepaald, mitsgaders, dat bij de aflevering, de betaling van gezegde klok, ten behoeven der stad plaats heeft.....". De klok woog 382 pond, maar wat er voor betaald is, is in het parochiearchief niet terug te vinden.

De huidige Barbarakerk

In 1853 heeft men het plan opgevat om de kerk, die enkele ernstige gebreken begon te vertonen, te vergroten. Meerdere tekeningen werden genaakt, waaronder voor- en zij aanzichten van de kerk in oude en nieuwe toestand, alsmede enkele plattegronden en doorsneden. Gedacht werd aan een ingrijpende wijziging van de voorgevel. De toren met zijn opvallende spitsversiering - bestaande uit een haan alsmede de pauselijke sleutels en een driekroon - zou daarbij ongewijzigd blijven. Een afbeelding van dit nieuwe ontwerp vindt u als illlustratie bij dit artikel. Het nieuwbouwplan werd wegens geldgebrek echter nooit uitgevoerd. Het verval zette evenwel door en het gebouw werd in de Jaren tachtig van de vorige eeuw uiteindelijk echt te klein.

Daarom werd er een geheel nieuwe kerk gebouwd, een schepping van architect Piet van Genk te Etten-Leur. Deze kerk werd ingewijd op 4 of 5 december 1886. (4 december is de naamdag van St. Barbara). In de toren van de monumentale westgevel werd de Elisabethklok opgehangen. Pas in 1924 komen er drie klokken bij. Het Elisabethklokje werd uiteindelijk alleen nog maar voor het "Angelus" geluid, het middaggebed, dat thans in onbruik is geraakt. De klok zwijgt nu: haar geluid stemt niet met dat van de andere drie klokken en bovendien is zij ooit gebarsten, waarna de klok gelast is. De klank is daarom niet zo welluidend meer. Het zou te overwegen zijn, om deze 433 Jaar oude klok uit de toren te halen en in de kerk of ergens anders permanent ten toon te stellen.

Gebruikte Bronnen:
  • Archief van de St. Barbaraparochie te Culemborg.
  • Stadsarchief Culemborg.
  • J.W. Peek, Geschiedkundig overzicht van katholiek Culemborg. Culemborg, 1928.
  • A.W.K. Voet van Oudheusden, Historische Beschrijvinge van Culembarg. Utrecht, 1753.
  • P.J.V. Beltjes en P.V. Schipper, Culemborg, Beeld van een stad. Culemborg, 1988.