Het oude deel van Culemborg (binnen de grachten) heeft een opvallende driedelige plattegrond. Centraal ligt de binnenstad, het oudste stadsdeel. In 1370 werd het havenkwartier ten noorden van de binnenstad binnen de omwalling getrokken, twintig jaar later een deel van het dorp Lanxmeer. Dit laatste deel staat nu bekend als de Nieuwstad.

J. Renes

Dit artikel verscheen eerder in Voetnoot 2

Bekijken we de plattegrond van de binnenstad nader, dan zien we twee parallel lopende wegen, de Markt/Tollenstraat en de Everwijnstraat/Herenstraat/Achterstraat, die aan het begin en aan het eind vorksgewijs op elkaar aansluiten en een ovale ruimte begrenzen. De rechthoekige plattegrond van de binnenstad wordt verder opgevuld door een regelmatig patroon van ongeveer zuidwest-noordoost lopende wegen.

De structuur gevormd door de beide eerstgenoemde wegen (Markt c.a. en Herenstraat c.a.) is typisch voor de door Den Uyl (p. 105) onderscheiden "gestrekte esdorpen". In zijn artikel noemt Den Uyl een groot aantal voorbeelden van dorpen met een dergelijk wegenpatroon, waaronder Culemborg. Soms zijn de beide wegen gelijkwaardig. In andere gevallen is de bebouwing geconcentreerd langs de hoofdstraat. De andere weg heet dan gewoonlijk Achterweg of -straat (ook de Herenstraat in Culemborg heette vroeger Achterstraat). Het gestrekte esdorp wordt door Den Uyl beschouwd als karakteristiek voor het rivierengebied. Belangrijk is daarbij, dat hij de dorpen van dit type over het algemeen beschouwt als vestigingen uit de vroege middeleeuwen ( Karolingisch, soms wat later ). 1)

De oudst bekende vermelding van de naam Culemborg dateert uit 1281 (Sloet, p. 1001: "Kulemburg"). De naam betekent waarschijnlijk "burcht, gelegen in een laagte (kuil)". De stad zal dan ook genoemd zijn naar het kasteel, dat volgens Van der Aa omstreeks 1271 gebouwd is aan de westzijde van de latere stad. 2)

Confronteren we de gegevens over naam en plattegrond met elkaar, dan blijkt Culemborg een vroegmiddeleeuwse nederzetting met een 13de-eeuwse naam. De plaats is dus ouder dan de naam. Dit roept onmiddellijk de vraag op naar de oorspronkelijke naam van de stad. Ik wil hiervoor "Redichem" als kandidaat naar voren schuiven.

De naam Redichem is nog steeds verbonden aan de polder die aan de oostkant aan de stad grenst. Deze heeft steeds tot de gemeente Culemborg behoord. Zouden we aannemen dat het centrum van Culemborg wordt gevormd door het oude dorp Redichem, dan blijken de gegevens over plattegrond en naam ineens te kloppen. Laatstgenoemde naam behoort tot de "-heem" namen, die over het algemeen beschouwd worden als vroegmiddeleeuws. 3)

Daarbij komt, dat Redichem temidden van de andere vroegmiddeleeuwse nederzettingen in de omgeving een buitenbeentje lijkt te vormen. Het is op het eerste gezicht slechts een polder met een paar huizen. De andere vroegmiddeleeuwse namen in het westelijke deel van de Betuwe horen steeds bij forse dorpen, vaak van het type van het "gestrekte esdorp" : Zoelen, Asch, Zoelmond, Beusichem ). Deze uitzonderingspositie zou verdwijnen als de in dit artikel geuite theorie juist is.

De hier geopperde identificatie van Culemborg met het oorspronkelijke Redichem zal misschien nog eens bevestigd kunnen worden door nader onderzoek. Vooral de vroegmiddeleeuwse oorsprong van Culemborg, nu enkel verondersteld op basis van de plattegrond, zou door archeologen bevestigd kunnen worden. In ieder geval hoopt de auteur met het bovenstaande eens te meer te hebben aangetoond dat onderzoek naar nederzettingsvormen in combinatie met andere gegevens een verrassend licht kan werpen op de lokale en regionale geschiedenis.

NOTEN

1. Nederzettingen met een soortgelijk plattegrond komen echter ook elders wel voor. Een-voorbeeld vormt Soest bij Amersfoort. Ook deze plaats stamt uit de periode vóór het jaar 1000. Het gaat waarschijnlijk om systematisch opgezette nederzettingsvormen. Tot deze conclusie komen althans, onafhankelijk van elkaar, zowel Gottschalk (p. 108, voor Soest), als Den Uyl (p. 107, voor de "gestrekte esdorpen" in het rivierkleigebied).

2. Dit eerste kasteel werd in het midden van de veertiende eeuw vervangen door een ander, nu aan de oostkant van de stad. Dit werd, na een periode van verwaarlozing, grotendeels afgebroken in 1735. Het laatst overgebleven deel werd in 1812 gesloopt.

3. Deskundigen zijn het erover eens dat de "-heem"namen in West-Europa gevormd werden vanaf de vijfde tot de tiende eeuw Blok, 1979, p. 128). Hiervan uitgaande mogen we de naam Redichem beschouwen als vroegmiddeleeuws.
De oudste zekere vermelding dateert overigens pas uit 1226

LITERATUUR
  • Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden. 13 delen, Gorinchem 1839-1851.
  • Blok, D.P., De Franken in Nederland. 3e druk, Haarlem, 1979.
  • Gottschalk, M.K.E., Historisch-Geografische ontwikkelingen in en om Soest. Jaarboek Oud-Utrecht, 1970, pp. 103-132.
  • Gysseling, M. , Toponymische woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226). 2 delen, 1960.
  • Moerman, H.J., Nederlandse plaatsnamen. Een overzicht. Brussel, 1956.
  • Muller Fz., S., Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301. Deel I, Utrecht, 1920.
  • Sloet, L.A.J.W., Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen. 3 delen, 's-Gravenhage, 1872-1876.
  • Tersteeg, J., Enkele hoofdstukken uit de geschiedenis van het oude kerspel Renkum. Gelre, LXVII (1974), pp. 1-25.
  • Den Uyl, R.G. den, Dorpen in het rivierkleigebied. Bulletin Kon. Ned. Oudheidkundige Bond, 1975, pp. 97-114.

Dit artikel werd met goedkeuring van auteur en redaktie overgenomen uit Gelders Oudheidkundig Contactbericht, na. 90 - 1981/111, pp. 5 - 8. De auteur is historisch geograaf werkzaam bij de Stichting voor Bodem-kartering te Wageningen. Een tweede artikel van zijn hand verschijnt in het volgende nummer van de "Voetnoten".