De namen van een negental zeevarende Culemborgers zijn bekend gebleven doordat indertijd straten naar hen zijn vernoemd in de wijk Achter de Poort. We vinden hun lotgevallen beschreven in het in 1971 verschenen boekje 'Culemborgers Overzee' van Mr. P.J.W. Beltjes, waaraan we de volgende gegevens ontlenen.

BERT BLOMMERS

Ook verschenen in Voetnoot 5/6

  1. Anthony van Diemen (1593-1645) toog in 1618 naar Indië, maakte daar carrière in het bestuur en werd in 1636 gouverneur-generaal. Zijn 9-jarig bestuur vormde 'een der roemrijkste perioden van de geschiedenis der Nederlanders in Azië'.
  2. Jan van Riebeeck (1619-1677) was koopman voor de V.O.C, in Decima, Taiwan en Tonkin, en stichtte in 1652 de nederzetting aan de Kaap waarvan hij tot 1662 commandeur bleef. Na het commandeurschap van Malakka werd hij secretaris van de Raad van Indië.
  3. Gerrit van Harn voer in 1632 uit naar Batavia en werd opzichter (equipagemeester) over de Compagnie's werf te Batavia. Na zijn repatriëring in 1647 werd hij rentmeester van de graaf van Culemborg, werd benoemd tot commandeur van de kaapkolonie, maar overleed in 1661 op de reis erheen.
  4. Jacob van Opdorp arriveerde in 1661 aan de Kaap. Hij was er tot 1665 scribent van het bestuur. Zijn broer Carel die tot 1668 aan de Kaap bleef, klom er op tot secunde. Beiden dienden de Compagnie daarna nog op andere plaatsen.
  5. Arnoud Faas trad in 1667 in dienst van de V.O.C., klom op tot secunde te Mocha en opperkoopman en opperhoofd in Siam. Hij overleed in 1684 op de terugreis naar het vaderland.
  6. Roelof de Man, telg uit een oud regentengeslacht, zette in 1653 voet aan wal aan de Kaap, waar hij spoedig secretaris werd. In 1658 volgde de benoeming tot secunde. Hij overleed in 1663.
  7. Hugo de Goijer, al evenzeer uit een magistraatsfamilie, arriveerde in 1694 aan de Kaap, waar hij werd aangesteld tot 'Polityck secretaris' en boekhouder. Hij overleed er in 1703.
  8. Ds. Theodorus Zas diende de V.O.C, vanaf 1656 als predikant in Malakka en Batavia. In die laatste plaats overleed hij, in 1704.
  9. Otto van Rees (1823-1892) was een zoon van de Culemborgse stadsgeneesheer Johannes van Rees. Hij klom in Indië tot hoge posten, werd in 1872 lid en, na het vice-presidentschap van de Raad van Indië (1873-1878), tevens voorzitter van de Tweede Kamer. Op een ministerschap van Koloniën volgde in 1884 zijn benoeming tot gouverneur-generaal, welk ambt hij tot 1888 bekleedde.
Voetnoot_05_06-1.jpg

Het aantal van negen straten die reeds in de jaren '50 met de namen van deze 'Culemborgers overzee' werd gesierd, kreeg enkele jaren geleden uitbreiding toen in de wijk Landzicht nieuwe straatnamen moesten worden gegeven. Naast de zeventiende eeuwse schrijver van schelmenromans dokter Nicolaas van Heins en de raadsheer-historicus Mr. Nicolaas Bosch, de beide achttiende eeuwse Culemborgse raadsheren, de rechtshistoricus Mr. Hendrik Brenkman en de filosoof Mr. Abraham Perrenot, de negentiende eeuwse burgemeester jhr. Mr. Leonhard Schorer en minister van justitie Mr. Johan Theodoor Hendrik Nedermeyer van Rosenthal én de twintigste eeuwse liberale politicus en Tweede Kamerlid Mr. Hendrik Cornelis Dresselhuys, vinden we nog twee Culemborgers vernoemd die hun carrière in Batavia maakten. Het zijn Pieter Walbeeck en Christiaan Kleynhoff.

Pieter Walbeeck liet in 1819 de vrije heerlijkheid Tienhoven (onder Everdingen) verkopen. Net als zijn vader, de stadssecretaris Jan Walbeeck, die pakhuismeester in Bengalen was geweest, zocht hij een loopbaan in dienst van de V.O.C. Hij werd resident te Bandjermasin, Palembang en Cheribon, waarna een benoeming volgde tot toegevoegd buitengewoon raad te Batavia.

Pieters grootvader Pieter Walbeeck werd in 1703 secretaris van de stad Culemborg. De vrije heerlijkheid Tienhoven kwam hem in 1740 aan na het overlijden van zijn schoonmoeder Johanna van Goor, weduwe van de schout en raadsheer Mr. Jodocus van Gaasbeeck, een kleinzoon van de notaris en burgemeester Govert Anthonisz.

Een boeiende figuur was de uit Opper-Silezië afkomstige Christiaan Kleynhoff. Hij kwam in 1741 als geneesheer te Batavia, waar hij uiteindelijk stadsdokter en regent van het Buitenhospitaal werd. Als rentenier vestigde hij zich in 1763 in Culemborg, waar hij spoedig in de magistraat werd opgenomen en het tot burgemeester bracht. Zijn betekenis ligt echter vooral in zijn grote botanische kennis en arbeid: in Batavia bezat hij een tuin, waar hij allerlei Indische en Chinese gewassen kweekte. Een aantal exotische gewassen dragen Kleynhoffs naam. Ook in Culemborg bezat hij een grote buitentuin, op 's-Heerenhof, en hij correspondeerde er met de bekende Zweedse botanicus Linnaeus.

Bij zijn komst naar Culemborg had Kleynhoff zich de heerlijkheid en het huis Enspijk aan de Linge aangeschaft. Hij overleed in 1777. Over deze bijzondere figuur verscheen in 1985 een aardig artikel van P.J. Florijn in het regionaal-historisch tijdschrift De Drie Steden, met de titel 'Christiaan Kleynhoff, een Culemborgs Oud-Indië-ganger' (jrg. 6, no. 3, pp. 3-7).