In het thans fraai uitziende huis De Fonteyn is sinds 1985 het stadsarchief gevestigd. Het zestiende eeuwse dubbelpand verkeerde echter tot de restauratie in de jaren 1968-1971 in een armzalige staat. In 1966 werd de stichting Jan van Riebeeckhuis opgericht, waaraan de gemeente - reeds eerder door koop eigenaar -het pand overdroeg. Zij bracht met de Zuidafrikaanse Van Riebeeck-stichting de voor herstel benodigde gelden bijeen.

MR. P.J.W. BELTJES

Ook verschenen in Voetnoot 5/6

De historische betekenis van het pand werd destijds door een aantal publicaties van Mr. P.J.W. Beltjes (1) onder de aandacht van een groter publiek gebracht. Het navolgende artikel verscheen in 1967 in het 'Gelders Oudheidkundig Contactbericht' en werpt een licht op de geschiedenis van het huis en de nazaten van de Culemborgse notaris en burgemeester Govert Antonisz., die er in hun jonge jaren menig uur in de kring hunner familie doorbrachten voordat ze naar de Oost en naar de Kaap afreisden (2). De Fonteyn bleef museum tot 1980, toen er een notariskantoor in werd gehuisvest. Bij de opening op 7 april 1971 verscheen het door de heer Beltjes geschreven boekje 'Culemborgers Overzee' waarin ook al die andere Culemborgers die in vroeger eeuwen naar verre gewesten zijn uitgevaren, een plaats kregen.

In Culemborg, op een markant punt, staat een aantrekkelijk oud huis, dat in de zeventiende eeuw de naam droeg: De Fonteyn. Men vindt het op de hoek van de Achterstraat en de Binnenmolenstraat aan een vijfsprong van straten, niet ver van het punt, waar men eertijds door de Binnen Havenpoort de 'Oude stad' van Culemborg betrad. Al wie door het stadje komt van Noord naar Zuid of omgekeerd, wordt daar getroffen door de aanblik van de vroeg-zeventiende-eeuwse geveltjes van De Fonteyn, hoe vervallen deze thans ook mogen zijn. Dit huis is van omstreeks 1550 tot 1740 in bezit geweest van het geslacht, dat zich sedert het midden van de zeventiende eeuw Van Gaesbeeck schreef en waarvan tal van leden hun stad en graafschap in bestuursfuncties hebben gediend.

1.jpg

In de eerste helft van de zeventiende eeuw behoorde het aan de Culemborgse procureur en notaris Govert Anthonisz. (1577-1653). Deze oefende er zijn praktijk uit en was een gezien man in zijn vaderstad, waar hij o.m. de functies van ouderling, kerkmeester en schepenburgemeester uitoefende. In de jaren 1622-1623 heeft Govert Anthonisz. het huis, dat voordien nog een middeleeuws aanzien had en uit twee naast elkander gelegen bouwblokken bestond (nl. een hoekhuis met daarnaast een 'camer'), laten verbouwen. Het werd toen hoger opgetrokken en verkreeg een tweetal, geheel uit baksteen opgetrokken renaissance trapgevels van het type, dat in die tijd in het rivierengebied in zwang was. Van het resultaat dezer verbouwing is nog veel bewaard: de gevels vertonen nog kruisvensters in geprofileerde nissen; in enige boogtrommels boven de vensters, afgedekt door eveneens geprofileerde deklijsten, bevindt zich nog het oorspronkelijke metselmozaiek; de waterlijsten, van fraai profiel, zijn voor een deel nog aanwezig, terwijl een aantal fraai gesmede muurankers de gevels verlevendigen. Ook inwendig vertoont het huis nog aantrekkelijke onderdelen, afkomstig van deze verbouwing, zoals het fraaie schrijnwerk aan de binnenzijde der kruisvensters op de verdieping, de oude balklagen op de wel bijzonder aardige eiken spiltrap. Naast deze vroeg-zeventiende-eeuwse bestanddelen bezit het huis ook nog interessante elementen van zijn middeleeuwse architectuur.

Het nageslacht kent de opdrachtgever van deze verbouwing, Govert Anthonisz. in het bijzonder als de grootvader, de 'bestevader', gelijk men toen zeide, van een aantal pioniers, zowel mannen als vrouwen, die in het midden van de zeventiende eeuw over de wereldzeeën zijn uitgevaren en in Afrika en Azië belangrijke posten bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie hebben bezet. De bekendste hiervan is wel Jan van Riebeeck, die op 21 april 1619 te Culemborg het levenslicht zag als zoon van Goverts oudste dochter Lijsbeth en de chirurgijn Anthony van Riebeeck. Anthony van Riebeeck, die, naar hij in 1621 verklaarde: "dagelix in sijnen huisvrou vaders huis verkeert heeft", (dus in De Fonteyn).

Jan van Riebeeck trad in 1639, na het overlijden van zijn ouders, in dienst bij de Compagnie en klom, onder het oppertoezicht van zijn neef, de eveneens uit Culemborg afkomstige gouverneur-generaal Antonio van Diemen (1636-1645) op tot belangrijke posten. Van Riebeeck repatrieerde in 1648. In het bijzonder verkreeg hij vermaardheid als stichter en eerste commandeur van de nederzetting van de V.O.C, aan de Kaap de Goede Hoop (1652-1662). Ook Jan's zuster, Geertruyd van Riebeeck, verbleef met haar man, de ziekentrooster Pieter van der Stael, en hun kinderen vele jaren aan de Kaap (1656-1663). Later vindt men hen te Batavia.

Aan boord van het schip 'De Drommedaris', waarmede Jan van Riebeeck en zijn huisvrouw Maria de la Queillerie, in 1651 uit Patria naar de Kaap voeren, waren ook twee jonge meisjes: Elisabeth en Sebastiaentje van Opdorp, dochterjes van Sebastiaentgen Govert Anthoniszdochter, die op jeugdige leeftijd hun ouders hadden verloren. Zij waren opgevoed te Culemborg onder de hoede van hun grootvader Govert Anthonisz. Op de pinas De Drommedaris, die 150 koppen telde, waren zij met hun nicht Maria de enige vrouwen tijdens de lange zeereis! Aan de Kaap maakten zij de zware pioniersjaren mede in het kleine gezin van de stichter. Beiden trouwden met kooplieden van de V.O.C., die op hun reis naar Oost-Indië de Kaap aandeden, en zij vergezelden hen naar hun verre posten.

Ook haar jongere broeders, Carel en Jacob van Opdorp, beiden geboortig van Culemborg, namen dienst bij de Compagnie. In februari 1661 zeilden zij met hun oom Gerrit van Harn mee uit op het schip 'Het Wapen van Holland'. Gerrit van Harn, een der twee zoons van Govert Anthonisz., had reeds eerder te Batavia, onder neef Van Diemen, belangrijke betrekkingen bekleed. Thans zou hij zijn oomzegger Van Riebeeck van de Kaap als commandeur gaan aflossen. Hij was op deze reis vergezeld van zijn vrouw en zijn kinderen, een zoon Govert en drie dochters, die alle vier later in Oost-Indië een goede bestemming vonden

Aan Gerrit van Harn herinnert nog de grote koperen lichtkroon in de Barbarakerk te Culemborg, die hij bij zijn vertrek had geschonken en waaraan, met zijn wapen het opschrift prijkt: "Gerrit Govertsz. van Harn, Commandeur aan Cabo de Bon Esperance, A° 1661". Gerrit van Harn heeft dit ambt echter niet mogen uitoefenen: tijdens de

zware zeereis is hij op 17 maart 1661 overleden, hij werd op het eiland St. Vincent begraven. Zijn neven Van Opdorp zetten echter in juni van dat jaar vaste voet aan wal aan de Kaap de Goede Hoop, waar de eerste tot 1668, de tweede tot 1665 verbleven heeft. Carel bracht het tot Secunde, zijn jongere broeder was een der vier scribenten van het bestuur aan de Kaap. Nadien kregen zij belangrijke posten in Oost-Indië.

En dan had Govert Anthonisz. nog een kleinzoon, die de Oost-Indische Compagnie in belangrijke functies heeft gediend: een zoon van zijn dochter Cornelia en eveneens te Culemborg geboren (in 1645). Aernoud Faa was zijn naam. Deze is Secunde geweest te Mocha en vervolgens Opperhoofd te Siam. In 1684, op de thuisreis, is hij overleden, na de armen van zijn vaderstad met een legaat bedacht te hebben. Al deze kleinkinderen, ten minste tien in getal, alsmede de zoon, Gerrit van Harn, hebben in hun jonge jaren menig uur in de kring hunner familie in De Fonteyn doorgebracht. En wanneer zij in den vreemde terugdachten aan het vaderland, dan moet De Fonteyn te Culemborg hun helder voor de geest hebben gestaan.

De genoemden waren niet de enige Culemborgers, die in vroegere eeuwen over de wereldzeeën zijn uitgevaren: namen aan de reis van Mahu en De Cordes naar de Molukken in 1598 via de straat van Magalhaes, niet twee Culemborgers deel, een schipper en een constabel? En er zijn tal van anderen te vermelden.

Noten (red):

(1)     Mr. P.J.W. Beltjes was vanaf 1937 bestuurslid en van 1949 tot 1956 voorzitter van ons genootschap.

Tot zijn pensionering in 1979 was hij provinciaal inspecteur der archieven in Gelderland. In 1950 werd hij benoemd als provinciaal chartermeester bij de Gelderse archiefinspectie. Hij verhuisde toen naar Arnhem. Een overzicht van zijn talrijke publicaties tot dan toe vindt men in: Gelders Mengelwerk. Korte bijdragen tot de geschiedenis van Gelderland (De Walburg Pers, 1979).

(2)     Gelders Oudheidkundig Contactbericht jrg. 32 (1967), p.7 e.v. Dit artikel werd tevens afgedrukt in de Culemborgse Courant van 7 april 1967. Twee slotalinea's inzake de aanstaande restauratie zijn bij de huidige herdruk weggelaten.