Dr. Aart Bijl 

(Dit artikel is een korte samenvatting van de lezing die op 23 februari 1999 voor het Genootschap A.W.K. Voet van Oudheusden werd gehouden.

De meeste gegevens heb ik ontleend aan mijn lopende onderzoek, dat in 2000/2001 als boek zal verschijnen onder de titel: Tussen de Diefdijk en de Zouwendijk. Waterstaatkundige en sociaal-economische ontwikkelingen in de Vijfheerenlanden 1566-1984.) 

Een geschiedenis van zeven eeuwen Diefdijk (1284-heden)  

Door het sluiten van de dijkring van de Alblasserwaard in 1277 kreeg het oostelijk daarvan gelegen polder- en ontginningsgebied te maken met grote wateroverlast. Twaalf heren en twee kapittels (de Dom en Oudmunster), in 1284 bijeengekomen in de kerk van Everdingen, besloten daarom dit gebied tegen deze wateroverlast te beschermen. Zij kwamen onder andere overeen de 'Diefwech', die van de Lekdijk even ten oosten van Everdingen naar de Noorder Lingedijk boven Leerdam liep, te verhogen tot 'Diefdijk'. Op die manier kon het afkomende (Gelderse) regen-, kwel- en overstromingswater worden gekeerd en werd de dijkring van wat sinds de 15e  eeuw bekend zou staan als de Vijfheerenlanden, gesloten. In 1305 wordt voor het eerst gesproken over 'Divedyc'1. De eerste gedachte was geweest de kade die van Everdingen over Zijderveld, Schoonrewoerd naar Leerdam liep, als waterkering te gebruiken. De Hollandse graaf Filips de Goede besloot echter op 27 april 1447 definitief de Diefdijk tot hoofdwaterkering te verhogen. De Diefdijk was slechts tien kilometer lang, maar zou in de vele eeuwen na haar aanleg veel stof tot ruzies en geschillen opleveren. 

Tot het midden van de 17de eeuw 

De Diefdijk liep gedeeltelijk over Culemborgs en gedeeltelijk over Leerdams territoir. De grens tussen beide territoria werd gevormd door de Bruine Kade, die van de Diefdijk naar Zijderveld liep. Aangezien de dijk de afvoer van het water uit de polders in het Land van Culemborg bemoeilijkte, werd met toestemming van de heren van Arkel een vliet gegraven vanaf de Waay (het gevolg van een vroegere doorbraak van de Diefdijk) tot de Horn. Windmolens maalden het water bij de Horn uit de Culemborgse Vliet op de Linge. De dijkcolleges van Vianen, Hagestein, Everdingen, Ter Leede en Arkel boven de Zouwe, alsmede de colleges van de Alblasserwaard en Arkel beneden de Zouwe waren belast met het beheer van de Diefdijk. De diverse polders in de Vijfheerenlanden zorgden voor het normale onderhoud. Voor het onderbrengen van manschappen bij hoog water en dergelijke hadden de dijkcolleges wachthuizen langs de Diefdijk gebouwd, zoals het Arkelse huis, het Gorinchemse huis, het Alblasserwaardse (of Dordtse) huis bij het Kruithofwiel, het Everdingse huis bij de Waay en het Viaanse huis aan de Lange Meent. In de periode 1340-1570 brak de Diefdijk slechts drie keer door: in 1413, 1497 en 1565. Er wordt wel verondersteld dat de dijkdoorbraak van 1497 opzettelijk werd veroorzaakt; in dat jaar zou de heer van Culemborg een vingerling (ringvormige dijk) rond een vroegere dijkdoorbraak hebben laten doorsteken om het overstromingswater sneller uit het Land van Culemborg te laten wegvloeien. Volgens een uitspraak van het Hof van Holland moest de heer van Culemborg deze vingerling echter op zijn gebied dulden. Grotere problemen met de Diefdijk deden zich voor tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In februari 1571 brak de Diefdijk door ter hoogte van Schoonrewoerd. Dat gebeurde nogmaals aan het einde van die winter. Toen de dijk hier in 1573 opnieuw doorbrak, bleef het herstel als gevolg van de vele oorlogshandelingen in het gebied tot 1577 uit. Zo ontstond het grootste wiel van Nederland, het Kruithofwiel (ook wel Wiel van Bassa genoemd). In 1587 werd de Diefdijk zwaar beschadigd, maar dankzij een subsidie van twintigduizend gulden van het gewest Holland kon de dijk worden hersteld. Holland vreesde anders zeventigduizend gulden aan verpondingen (belastingen) mis te lopen als de dijk opnieuw zou breken! Een verzoek van de graaf van Culemborg aan het gewest Holland om een financiële bijdrage voor de Aalsdijk werd echter afgewezen. Toen de Diefdijk in 1595 wederom ernstige schade had opgelopen, sloten de Vijfheerenlanden, Alblasserwaard en Arkel beneden de Zouwe in datzelfde jaar een akkoord over een verdeling van de kosten van verzwaring van de dijk. Indien de dijk onverhoopt mocht doorbreken, zouden de Vijfheerenlanden de helft van de kosten voor hun rekening nemen, de Alblasserwaard en Arkel beneden de Zouwe de andere helft. De normale onderhoudskosten bleven voor rekening van de Vijfheerenlanden. Tevens zou het de afgevaardigden van de Alblasserwaard en Arkel beneden de Zouwe worden toegestaan om bij de dijkinspecties aanwezig te zijn. De Staten van Holland droegen dat jaar zesduizend gulden bij in de herstelkosten van de Diefdijk. Zeven jaar later stond het water gedurende elf weken tegen de Diefdijk, waardoor deze zodanig werd ondermijnd dat de drie waterschappen volgens de regeling van 1595 moesten bijdragen in de herstelkosten. Dat ging echter niet zonder slag of stoot. Met name de graaf van Culemborg en de heer van Leerdam, Filips van Hohenlohe2, waren bijzonder gepikeerd over de inmenging van de Staten van Holland in hun zaken en bleven zich een aantal jaren hiertegen verzetten. Het Dijkcollege van Everdingen (en Zijderveld), dat de graaf van Culemborg als soeverein had, wist in 1618 een bijzondere regeling af te dwingen inzake een bijdrage in de kosten van de Diefdijk. De landerijen tussen de Diefdijk en de Poldersteeg - voor zover gelegen tussen de Zuider Lekdijk en de Bruine Kade - zouden in de toekomst slechts voor half geld worden aangeslagen, aangezien zij zoveel last hadden van kwelwater. De graaf van Culemborg zou zich vanaf die tijd onderwerpen aan de schouwen op de Diefdijk. 

De Diefdijk verder versterkt 

De tweede helft van de 17de eeuw verliep zonder noemenswaardige incidenten. Wel werd een belangrijk akkoord gesloten: nadat de Diefdijk in 1652 voor ƒ 30.890,- was hersteld, besloot men de peilsteen van het Arkelse huis als maatgevend te beschouwen. Dit was nodig aangezien gebleken was dat de peilstenen onderling behoorlijk afweken, waardoor er verschil in dijkvakhoogten was ontstaan. De grote watersnood van 1741 leidde opnieuw tot enorme kosten voor het herstel van de Diefdijk. En evenals voorheen, ontstonden er ook nu geschillen over de financiële bijdragen. De Staten van Holland en Westfriesland wensten een amicabele oplossing en uiteindelijk werden de kosten verdeeld, zoals in 1595 was bepaald. Op 22 maart 1751 brak de Diefdijk andermaal door. Het herstel leverde deze keer echter geen problemen op. In de daaropvolgende jaren werd in waterstaatskringen de oplossing voor de steeds vaker voorkomende watersnoden gezocht in het maken van zijdelingse rivierafleidingen. Deze watersnoden waren voornamelijk een gevolg van de aanleg van het Pannerdens Kanaal in het begin van de 18de eeuw, waardoor de verdeling van het Rijnwater over de diverse takken was gewijzigd. Zo wilde men het hoge Lekwater langs de Diefdijk via de Linge-overlaten naar de westelijke Tielerwaard leiden, om het vervolgens door de in 1661 aangelegde Ambtssluis op de Merwede te lozen. Hiertoe zou aan 't Spoel een aantal sluizen moeten worden gebouwd en van daaruit een kanaal naar de Linge moeten worden gegraven. De waterstaatkundigen Lulofs en Bolstra wisten echter niet beter dan dat hun project op Hollands gebied lag; zij waren dan ook onaangenaam verrast toen bleek dat het hier Gelders (Culemborgs) gebied betrof. De plannen gingen uiteindelijk niet door. In 1804 en 1815 zouden zij overigens nogmaals uit de kast worden gehaald, met als resultaat: inundatiesluizen aan 't Spoel in het kader van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In 1770 bleek de Diefdijk niet volgens één maatgevende peilsteen te worden onderhouden. Er zat wel 20 duim verschil tussen de steen in het Arkelse huis en die in het Viaanse huis. Tijdens het daarover gevoerde overleg tussen de diverse dijkcolleges probeerde Everdingen, in opdracht van Culemborg, een afwatering vanuit de Vijfheerenlanden (inclusief het Land van Culemborg en de baronie van Acquoy) via de Alblasserwaard naar Elshout te verkrijgen. Dit plan haalde het echter niet door tegenwerking van het waterschap de Overwaard (in de Alblasserwaard). Wel werd de Diefdijk volgens de oude overeenkomst hersteld en werden de kosten over de drie waterschappen verdeeld. Na de grote watersnood van 1784 waren ook aan de Diefdijk herstelwerkzaamheden nodig. De Staten van Holland en Westfriesland verleenden hiervoor een aanzienlijke subsidie. Kleinere herstelwerkzaamheden moesten na de overstromingen in 1799 worden uitgevoerd. 

De Diefdijk- en Lingewerken 

De grote watersnood van 1809 in het rivierengebied maakte nogmaals duidelijk dat maatregelen dringend noodzakelijk waren. Nu was de inspecteur-generaal van de Waterstaat, J. Blanken Jzn., al sinds jaren een voorstander van het doorsteken van de Zuider Lekdijk tussen Culemborg en de Diefdijk in geval van een dreigende watersnoodramp. Hij had hiervoor zelfs geheime volmachten van de minister weten te verkrijgen. Na de ramp in 1809 werden de Diefdijk- en Lingewerken uitgevoerd. Hierbij werd de Diefdijk flink verzwaard en verhoogd. De kosten bedroegen ƒ 172.050, welke voor rekening van het Rijk kwamen. Gedurende de jaren 1812-1818 betaalden de Vijfheerenlanden, de Alblasserwaard en Arkel beneden de Zouwe tien stuivers per jaar voor het onderhoud. Hierna wilde het Rijk de dijk aan de waterschappen overdoen, maar die voelden daar niets voor. Pas na de watersnood van 1820 zou het tot een regeling komen. Holland zou 6/8 deel van de kosten betalen, de districten beneden de Diefdijk 2/8. Plannen voor de aanleg van sluizen in de Zuider Lekdijk nabij Culemborg leefden tijdens de jaren twintig van de 19de eeuw ook in kringen van de staatscommissie die belast was met het zoeken naar de beste rivierafleidingen. Pas in 1839 zag de inmiddels herziene commissie af van deze rivierafleidingen. Er werd gekozen voor een verbetering van de rivieren. Ter bescherming van de sluiscomplexen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd een aantal forten gebouwd. Zo verrees op de plaats waar de Zuider Lekdijk aansluit op de Diefdijk, het fort Everdingen. Bij de aanleg van de spoorwegverbinding Dordrecht-Geldermalsen werd de kruising met de Diefdijk eveneens voorzien van een fortificatie. Tijdens de mobilisaties in 1914 en 1939 kwamen langs de Diefdijklinie extra verdedigingswerken tot stand. De aanleg van de rijksweg tussen 's-Hertogenbosch en Utrecht (A2) in de jaren dertig had tot gevolg dat de Diefdijk doorsneden moest worden. Om de dijk toch waterkerend te houden, werd een systeem ontworpen waarbij door middel van een hijsmechanisme zware ijzeren deuren op het wegdek konden worden neergelaten. In 1929 werd de hoogte van de Diefdijk vastgesteld op 6,40 m + NAP. Het beheer lag in handen van de Commissie voor Gemeene Belangen van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Pas in 1950 ging dit beheer over op een nieuw waterschap: het waterschap De Diefdijklinie. Hierbij werd vastgesteld dat de provincie 50 percent van de kosten zou bijdragen op voorwaarde dat het rijk 25 percent bijdroeg. Deze regeling zou pas ingaan als de werkelijke kosten de één gulden per hectare die de beide hoogheemraadschappen betaalden, te boven zouden gaan. Vóór die tijd was dat vijftig cent. Lang heeft dit waterschap overigens niet bestaan. Het beheer van de Diefdijk is thans in handen van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. 

Samenvatting

De Diefdijk dient inmiddels al ruim zeven eeuwen als slot op de achterdeur van Holland. Dankzij enorme inspanningen en hoge kosten, gedragen door de ingelanden uit de Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard, hierbij incidenteel gesteund door subsidies van de Staten van Holland, groeide deze dijk tot een machtige slaperdijk op de grens tussen Gelderland en Holland. De bewoners van het land ten oosten van de Diefdijk werden echter regelmatig blootgesteld aan grote wateroverlast. Dit gebied bleef dan ook dunbevolkt. Enkele grote wielen, zoals de Waay, het Kruithofwiel (wiel van Bassa) en het wiel bij de spoorwegkruising herinneren nog aan vroegere doorbraken van de Diefdijk. De Diefdijk is sinds 1809 niet meer doorgebroken; wel werd hij regelmatig verhoogd en verzwaard. De primaire functie van deze slaperdijk is, zelfs na de uitvoering van de Deltawet Grote Rivieren van 1995, nog steeds om bij overstromingen in de Betuwe en de Tielerwaard het water te weren uit (Zuid-Holland en het in de richting van de Linge-overlaten ten oosten van Asperen te leiden. Vervolgens kan het water dan via de westelijke Tielerwaard op de Merwede worden geloosd. Dit al eeuwen verguisde systeem blijft hiermee in stand. Daarom zal binnen niet al te lange tijd de Diefdijk opnieuw verhoogd en verzwaard moeten worden. 

BRONNEN EN LITERATUUR:

·     Archief van het hoogheemraadschap De Vijfheerenlanden, Gorinchem

·     Brink, Paul van den, 'In een opslag van het oog'. De Hollandse rivierkartografie en waterstaatszorg in opkomst, 1725-1754 (Alphen aan den Rijn 1988)

·     Bijl, A., Het Gelderse water. Waterstaatkundige en sociaal-economische ontwikkelingen in de polders van de westelijke Tielerwaard (1809-1940), (Vuren 1997)

·     Spierings, C.N., De waterkeringzorg in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, (1998) 

NOTEN:

1. Dief waterrijke laaggelegen streek

2. Graaf Filips van Hohenlohe was de echtgenoot van Maria van Nassau, oudste dochter van Willem van Oranje en Anna van Buren.