de rw in avondlichtDoor Leo van der Kooij en Kees van de Vate.

8 november 2012

Aan de noord- en oostkant van Culemborg liggen binnen de gemeentegrens twee uiterwaarden. Vanaf de binnenstad gezien is de eerste de Lazaruswaard. Deze ligt tussen de jachthaven en het punt waar de dijk een scherpe bocht naar het oosten maakt en waar een pad vanaf de dijk de uiterwaard inloopt. De Redichemse waard sluit hierop aan. Eerst zien we de Pikse boomgaard, een landschappelijk mooi stukje land met knotwilgen en meidoorns, vervolgens het breedste deel met daarin de beruchte afgraving, en de waard eindigt op de plek waar de zomerkade bij een scherpe bocht in de dijk daarop aansluit. In het voorjaar en de zomer van 2011 hebben Kees van de Vate en ik een aantal keren door deze uiterwaarden langs de rivier gelopen en daarbij alle planten die we tegenkwamen genoteerd. Ook Wim Rubers is een paar keer met ons meegegaan. Dankzij hem hebben we onze determinaties waar nodig kunnen verbeteren.  Onze lijst van waarnemingen telt maar liefst 233 soorten die we in de periode 27 april tot 10 augustus 2011 hebben genoteerd.

De Lazaruswaard is genoemd naar een leprozenhuis dat buitendijks ongeveer bij de bocht naast Palumbus gelegen heeft. Zij bestaat vrijwel geheel uit grasland met hier en daar wat bomen en struiken, enkele aangeplante populieren en knotwilgen. Bij de dijkverzwaring is een smal slootje dat aan de voet van de dijk tussen het Bakelbos en het pad voor de Pikse boomgaard liep, verbreed en uitgediept en daarlangs is een rij knotwilgen gepoot. Langs de rivier loopt een lage zomerkade met hier en daar zandige en stenige plekken. Vanaf de oever steken kribben in het water. Waar het Bakelbos op de Beusichemse Dijk uitkomt liggen een paar lage plekken in de waard. Hier blijft vaak water staan. In droge perioden drogen die natte plekken helemaal op.

Het gebied wordt verhuurd of verpacht aan mensen die er paarden lieten grazen. Dat gaf en geeft een rommelig beeld met krakkemikkige afscheidingen en stukken plastic. Een pachter gooide gewoon in plastic verpakte hooibalen neer waar de paarden en pony’s het hooi doorheen naar buiten trokken. Het plastic slierde in lange stroken en stukken rond. De laatste twee jaren zijn de pony’s en het plastic gelukkig verdwenen en wordt het gras gehooid. In de zomer verpozen recreanten zich langs de oever en daar zijn erbij die gewoon hun rommel laten liggen. Van enig natuurbeheer is dus helaas geen sprake maar opzettelijke vernieling of gebruik van bestrijdingsmiddelen hebben we niet kunnen constateren. Dat is wel anders gesteld in de Redichemse waard. Verderop in ons artikel zullen we akelige voorbeelden daarvan aanhalen.   

Wat hebben we zoal tijdens onze botanische wandelingen aangetroffen? Het totale aantal soorten is hierboven al genoemd. Natuurlijk zijn er heel wat bij die je in de omtrek algemeen kan tegenkomen en die zijn ook hier in de meerderheid. Toch hebben we genoeg bijzonderheden gevonden die het vermelden waard zijn. Een wandeling door de Lazaruswaard kan beginnen bij een pad dat vanaf de dijk achter langs de camping naar de oever van de rivier loopt. Dan buigen wij af naar het oosten, stroomopwaarts, volgen de zomerkade en gaan af en toe een krib op. Op de kribben en tussen de basaltblokken vallen in het voorjaar hoge, forse planten op met lichtgroene, bolvormige bloemschermen. Dat is de Grote engelwortel. Deze soort is specifiek gebonden aan rivieroevers. Er zijn meer soorten planten die een voorkeur hebben voor rivieroevers en uiterwaarden. Zij zijn karakteristiek voor dit landschap en worden daarom fluviatielen genoemd (van fluvius , rivier in het Latijn).  Tijdens onze wandeling zullen we er nog veel tegenkomen. Op de zomerdijk staan o.a. Kruisdistel, Kattenkruid, Zacht vetkruid, Heelblaadjes, Kruisbladwalstro en op een enkele plek zelfs Sikkelklaver.  In juni begint het op en rond de kribben al paars te zien van de Kattenstaart, roze van Moerasandoorn en Koninginnekruid, geel van het Jacobskruiskruid en wit van de Wilde Bertram. Op sommige plekken vormen Grote brandnetels een ondoordringbare wildernis. Toch moeten we hier niet met een grote boog omheen lopen. Het loont de moeite er wat beter naar te kijken. We kunnen dan hier en daar zien hoe een dichte warboel van kronkelige, rode stengels de brandnetels overwoekert. Dit is het Groot warkruid, een parasitaire plant die je niet vaak tegenkomt. Verrassend was de ontdekking van Kalmoes aan de voet van een krib, een oeverplant van de aronskelkfamilie. Deze soort is vooral bekend van de oeverbegroeiing in laagveenmoerassen. Ook de Poelruit die we daar in de buurt aantroffen is beter bekend uit het laagveen. Een echte fluviatiele plant, die we daar ook aantroffen, is de Late stekelnoot, een forse plant met grote bladeren en stekelige vruchten.

We komen veel opvallende, mooi gekleurde bloemen tegen maar staan ook even stil bij minder opvallende planten zoals de grassen. Grassen  hebben nu eenmaal geen kleurige bloemen en hebben de naam lastig te determineren te zijn. Toch is juist in de uiterwaarden veel moois te ontdekken voor wie er oog voor heeft en blijken veel soorten makkelijker op naam te brengen dan verwacht. Enkele van de vele grassoorten die we hier tegenkomen, willen we graag bij de lezer introduceren. Allereerst het mooie Kamgras met zijn regelmatig gevormde aar die inderdaad wat weg heeft van een kam. Door de moderne intensive landbouw is dit mooie gras uit het boerenland weggepest. Hier vindt het nog een toevlucht. Een ander bijzonder fraai gras is Goudhaver. Een zacht gouden gloed onthult hoe deze planten aan hun naam gekomen zijn. Als de zon erop schijnt is het een feest om dit te ontdekken. Een andere bijzonderheid is Handjesgras. De bloeiwijze bestaat uit drie tot zes dunne aartjes die als de vingers van een hand aan een  halm ontspringen. Dit kleine, laagblijvende grasje vinden we vooral op de wat zanderige en stenige plekken op de zomerkade. Het is een liefhebber van droge, verharde bodem en kan goed tegen betreding. Vermeldenswaard is de vondst van Veldgerst. Vlak naast het pad naar de dijk bij de Pikse boomgaard stonden een paar exemplaren. Veldgerst doet sterk denken aan het algemeen voorkomende Kruipertje, een grof en ruw gras. Veldgerst is daar een zachtere en fijnere uitgave van. Volgens de flora komt het vooral voor in zeekleigebieden. De vondst  op deze plek is dus opmerkelijk. Als je zo met je neus op de grond gericht  al speurend verder loopt, merk je niet dat we al bijna in de Redichemse waard  zijn aangekomen. We verlaten de Lazaruswaard met nog een blik op een andere bijzonderheid nl. de Wollige munt, een forse plant met licht lila, bijna witte bloemenkransen. Het is een kruising tussen Hertsmunt en Witte munt die hier al jaren stand houdt.   

GROTE PIMPERNEL
Van Lazarus naar Redichem komen wij nu in het rampgebied. Vanaf het weiland daalt een smal paadje af naar een minikreekje. We gaan rondom het kreekje en als we weer boven zijn, stuiten we op de afgraving, een grote en diepe zandwinningplas uit de zestiger jaren.  Rond de afgraving loopt een wegje,  ten dele verhard met grof grind. We gaan het op en aan de linkerkant hebben wij nu de plas, met strandjes tussen het geboomte. De plas staat in verbinding met de Lek maar de opening is zo’n twintig jaar geleden verlegd van stroomopwaarts naar stroomafwaarts waardoor het vervuilde water niet meer de plas instroomt maar juist eruit getrokken wordt. Aan de overzijde, tussen afgraving en rivier, strekt zich van oost naar west een lang schiereiland uit. Langs het wegje vinden wij nu al snel links tot onze verbazing één exemplaar van de Grote pimpernel, een plant uit de rozenfamilie die we hier niet zo zouden verwachten. Aan de overkant staat op de kale grond vrij massaal de Kleine leeuwenbek, een plantje dat je eerder langs spoorwegen zou verwachten. Aan het eind van het wegje, helemaal oost, waar het weer bij de rivier uitkomt, staan (of stonden) zelfs Brem en Slangenkruid, soorten die je eerder op de Brabantse hei of in het duingebied zou verwachten. De aanwezigheid van deze soorten heeft zeer waarschijnlijk te maken met een aantal vernietigende aanvallen van de eigenaars op het gebied.

In de loop der jaren zijn omvangrijke ingrepen gepleegd die grote effecten hebben gehad en nog steeds hebben op de plantengroei  van het gebied.
In de zestiger jaren is eerst de (veel te) diepe plas gegraven, een ecologisch onding voor waterplanten, vissen en amfibieën. De oevers, ook van de Lek, zijn afgestort met bouwafval. Onder water ligt het op vele plaatsen vol met puin en betonijzer, heel gevaarlijk voor je boot. In de tachtiger jaren is illegaal getracht de plas te dichten met spoorwegafval uit Zuid-Duitsland. In de laatste jaren is veel grond, in elk geval van het schiereiland, geplet (zie foto), met herbiciden bespoten, tot de laatste vierkante meter geïnjecteerd met gier en ingezaaid met maïs (zie foto). Het zware materieel dat hiervoor en voor het oogsten nodig is, heeft de berm van het wegje verderop stuk gereden waardoor waarschijnlijk nu de Brem en het Slangenkruid (en de gebiedseigen Veldsla) weer verloren zijn gegaan. Op het schiereiland lag voorheen bij een poeltje een rivierduin met een glorieuze, fluviatiele soort als de Veldsalie, een Vlinderbloemige. Die is er niet meer. Nu is alles rechtgetrokken en zelfs de meidoorns en de hondsrozen rond het poeltje en elders zijn kwistig met herbicide bespoten zodat zij helemaal bruin zijn uitgeslagen (zie foto). De maïs staat overal zo dicht tegen de oever dat je er nauwelijks meer langs kunt. Een deel van de inventarisatie hebben wij zelfs per boot moeten doen (maar zie boven). Met recht noemen wij dit dus een rampgebied.

Die bijzondere, wat gebiedsvreemde soorten als de Grote pimpernel, de Kleine Leeuwenbek, de Brem en het Slangenkruid, zijn waarschijnlijk nog overblijfselen en stille getuigen van het spoorwegafval uit Zuid-Duitsland, evenals trouwens het grove grind op delen van het wegje. Het plaatselijk vrij massaal voorkomen van de Kleine Leeuwenbek is een gelukkig gevolg  van het lukraak spuiten met herbiciden waardoor het plantje op de kale grond weinig concurrentie ondervindt en zich kan uitbreiden.

Op mooie dagen zijn er in het gebied gezellig veel Culemborgse recreanten, vaak met auto: zwemmers, duikers, pleziervaartuigen, zonnebaders. Ze lopen overigens wel een gezondheidsrisico want het RIZA heeft op de grindoevers polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) aangetroffen. Er komen verder ook mensen met andere oogmerken, zoals een hondenuitlaatservice en mensen die afval storten of kabels branden. Ook de hondenuitlaatservice is niet onschuldig: in hondenpoep kan het oerdiertje Neospora caninum voorkomen, dat via gras en hooi door koeien wordt opgenomen en zo misgeboorte van de kalveren kan veroorzaken. De pachter van het weiland verderop heeft er terecht een bord met waarschuwing geplaatst. Het is dus begrijpelijk dat de eigenaar dit alles met lede ogen aanziet en de toegang zo goed mogelijk belemmert. Het wegje vanaf de dijk is nu voorzien van een groot hek dat de auto’s stopt.  Het westelijke einde van het wegje is thans gebarricadeerd door een kampje met een aantal zeer harige bosvarkens.  En de oostelijke tak van het wegje is al aan het begin afgezet met een hek waar niemand door komt. Daar valt niets tegen te doen: het gebied is formeel niet openbaar toegankelijk en de grond heeft een agrarische bestemming. Het hekwerk staat er echter waarschijnlijk ook om duistere agrarische praktijken aan onze ogen te onttrekken.  

Toch is er nog steeds veel moois te bewonderen. Tussen het wegje en de plas staan fraaie, gebiedseigen planten als de Heksenmelk, het Zeepkruid en de Kruisbladwalstro. Langs het wegje komt nog de Brede wespenorchis voor, en de Agrimonie. Zelfs langs de rivieroever van het schiereiland komen nog restanten voor van typische rivierduin- en zomerkadeplanten als de Sikkelklaver, het Handjesgras, het Geel walstro en de Wilde reseda. Ze zouden zich zomaar weer kunnen uitbreiden als het natuurlijke regiem wordt hersteld.

WEIDEGEELSTER
Voorbij het rampgebied komen wij nu in het verste gedeelte van de Redichemse waard. Hier zien wij nog de schoonheid van de waard zoals die voorheen was: mooie struwelen, een zomerdijk met meidoornstruiken, fraaie kribben, een ongerept strand. Aan het einde bevindt zich de NVWC trektelpost waar al generaties NVWC-ers bij de krib hun trekvogelwaarnemingen hebben gedaan. Op de zomerkade staan een paar leuke bolgewasjes. In de eerste plaats de Gewone vogelmelk, een  lid van de Aspergefamilie, met een schermpje van feeërieke witte bloemen. En dan last but not least, de Weidegeelster, een geel lelietje, de enige groeiplaats langs de Lek. De plant staat in de flora vermeld als een doelsoort, dat wil zeggen dat de verspreiding nog onvoldoende bekend is. Je ziet haar ook gemakkelijk over het hoofd. Ze bloeit eind maart, begin april, en valt dan soms slecht te ontdekken tussen het alomtegenwoordige Speenkruid, dat met gelijksoortige bloemen bloeit. Het blad is lang, dik en grasachtig. Het zou dus zomaar kunnen wezen dat na onderzoek deze doelsoort een nadrukkelijke Rode-Lijst-soort blijkt te zijn. In elk geval is het een van de botanische schatten van Culemborg, onze bescherming waardig. Die is overigens niet gegarandeerd. Al enige jaren (behalve deze lente) is de groeiplaats met gier geïnjecteerd en overreden met zwaar materieel.  

Hier verlaten wij de Redichemse waard. Vanaf de dijk kijken wij nog eens om naar dit kleinood, dat zo in nood verkeert. Het zou goed zijn om met meerdere organisaties de koppen eens bij elkaar te steken en de mogelijkheden te onderzoeken om te redden wat er te redden valt. Dat zal ooit gebeuren, dus waarom nu niet? Des te eerder kunnen weer mensen van het gebied genieten. Een goede overstroming kan daarbij een handje helpen.