Culemborg vierde al eerder zijn stadsrecht. In 1968-1969 gebeurde dat met een feest jaar vol activiteiten. De officiële opening van het feest jaar 'Culemborg 650 jaar stadsrechten en 100 jaar spoorbrug' geschiedde met een programma op vrijdagavond 29 november 1968 in de pas gerestaureerde Grote of Barbarakerk. Prof.dr. O.J. de Jong, eerder dat jaar benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van 'Amsterdam, hield daar de navolgende herdenkingsrede voor een meer dan duizendkoppig publiek, {red.]

Vergun het de theoloog, dat hij met een bijbeltekst begint.

OTTO J. DE JONG
eerder verschenen in Voetnoot 9
In het boek Prediker (7:1a) staat: 'Een goede naam gaat de fijnste olie te boven' en een andere oud-oosterse wijsheid zegt: 'Draag zorg voor uw naam, want hij blijft u langer dan duizend kostbare schatten'. Dat betreft natuurlijk personen. Maar ook steden hebben een naam, een reputatie. Stadsnamen kunnen afkeer oproepen of waardering genieten. 'Een goede naam gaat de fijnste olie te boven'.

Hoe is dat met Culemborg?

De stad heeft een eenvoudige naam, die ons spreekt van een burcht, een versterkt huis, in of bij een kuil, een doodgewoon gat in de grond. Die naam wordt op 38 manieren gespeld. Deze spelling is niet onbelangrijk. Als het onze eigen naam betreft, zijn we er op gesteld dat daar niets in veranderd wordt. Een naam heeft een eigen gevoelswaarde. Bij alle plaatsnamen is langzamerhand één vorm ingeburgerd. Maar Kuilenburg heeft van die 38 mogelijkheden er tot op de huidige dag drie bewaard.

Bij de Waterstaat stond het polderdistrict als Culenborg bekend. De gemeente heet thans officieel Culemborg. Doch wat is officieel? In de staatsregeling van 1801 èn in de Grondwet (voor de Verenigde Nederlanden) van 1814 staat Kuilenburg.

Als er gescholden wordt - en dan de aanduiding 'blauwlappen' niét gebruikt wordt - zijn het altijd Kuilenburgers, maar als er iets goeds mag worden vermeld spreekt men van Culemborgers.

advertentie in de Culemborgse Courant bij de opening van het feestjaar.jpg

LEEFBAAR PLEKJE

Hoe heeft die simpele naam in deze omgeving geklonken, 650 jaar geleden? Wie heeft hem uitgevonden?

Vlak in de buurt lagen nederzettingen met oude namen als Redichem en Goilberdingen. Dichtbij hadden allerlei inpolderingen fantasierijke namen gekregen als Parijs, Paveien en Bolgarijen. Een afstammeling uit het geslacht der Bosinchems moet even voor 1270 de Kulenborg hebben gebouwd, een uur of wat stroomafwaarts van Beusichem, aan de rand van een nieuw ontginningsgebied tussen de nederzetting Lanxmeer en de Lek in.

Lagen daar toekomstmogelijkheden?

Langs het waterstroompje de Meer, dat zuidwaarts liep, stonden wel wat boerderijen. De belangrijke landverbinding tussen de oude handelssteden Utrecht en Tiel liep veel oostelijker door het moederdorp Beusichem. De bewoners van de nieuwe Kuilenburg hebben er hard voor gewerkt dat het bij hun kasteeltje leefbaar werd. Zij zorgden voor de veiligheid en verwierven in 1281 een machtige beschermer in de graaf van Gelre die zijn invloedssfeer tussen de rivieren graag zo westelijk mogelijk uitbreidde. Ze regelden de afwatering op de Linge. Ze bouwden een kerkje (op deze plaats), vlak bij de parochiekerk van Lanxmeer, en wijdden dat aan Sinte Barbara. In 1310 kregen ze het zover dat de nieuwe stichting een zelfstandige parochie werd. En op 6 december 1318 (St. Nicolaasdag) schonk Jan van Bosinchem aan het plaatsje stadsrechten: eigen bestuur met een richter en schepenen, eigen vrijheden en rechten.

Maar of het wat worden zou, hing af van de bescherming en de rechtszekerheid die de burchtbewoner kón bieden.

BEGUNSTIGDE KASTEELSTAD

Het was geen adellijk geslacht, dat der Bosinchems. Zij waren dienstmannen van de bisschop van Utrecht en zó omhoog gekomen. Hun politieke slagen betekende bloei voor hun stichting, hun falen moest de ondergang van het stadje tot gevolg hebben. Want centrum van een welvarend landbouwgebied kon Kuilenburg door zijn ligging nooit .worden: daarvoor waren de komgronden te slecht en was het waterpeil meestal te hoog.

Maar als het toen al in Beusichem paardenfokkers en paardenhandelaars zijn geweest, dan wist deze kasteelfamilie hoe zij zich in het zadel moest houden, hoe ze een raspaard moest opkweken en verzorgen en welke waarde dat vertegenwoordigde.

De middeleeuwse samenleving bood mogelijkheden om kunstmatig zo'n kasteelstadje te bevoordelen. De heren wisten zich behendig omhoog te werken en te profiteren van de positie op de grens van allerlei invloedssferen: in het oosten de hertog van Gelre, vlakbij: de bisschop van Utrecht, in het westen de graaf van Holland. Zij verwierven in al deze gebieden tolvrijheid voor de bewoners van hun stadje. Zij trokken het verkeer naar zich toe; er kwamen zich schippers en handelaars vestigen.

Belangrijke wapenfeiten staan niet op naam van de kasteelbewoners. Maarhun financiële activiteit was groot. Dat was ook te zien aan hun eigenhuisvesting.De oudste burcht ten westen van de stad verdween. Ook het zogenaamde'nieuwe huis', kort na 1318 op de westgrens der stad gebouwd (nu nogherkenbaar in de muur van de Weeshuistuin), werd verlaten voor een veelgroter opgezet kasteel aan de oostgracht.

De stad zelf kreeg poorten en muren en bood nu echt bescherming.Van het oude Lanxmeer trok men later het grootste deel met de parochiekerkbij Culemborg als 'Nieuwstad'. Ook dat stuk werd toen omwald en omgracht.Het bleef een zelfstandige, dunbevolkte, parochie en diende voornamelijk alswoongebied voor de boeren die in de vrijwel jaarlijks onderlopende poldershun bedrijf poogden uit te oefenen.In de vroegere uiterwaard ontstond een schipperswijk.

Alle drie delen van de stad kregen een eigen karakter en de deskundige hoortnog heden verschillen in de taal.

BLAUWLAPPEN

Na één eeuw had de dochter Kuilenburg de moeder Beusichemn voorbijgestreefd. Het persoonlijk vermogen van de heer was dermate gegroeid dat hij in het graafschap Holland als geldschieter kon optreden en daar kanselier van de graaf was. Dat deed aan de naam van zijn stad veel goed. Maar een jongere telg, die in de geestelijke stand was getreden, liet zich te Utrecht naar voren schuiven als candidaat voor het bisschoppelijk ambt. Zijn familie zag daarin ook wel enig voordeel.

Het gedrag van deze Zweder van Kuilenburg en zijn aanhangers veroorzaakte dat de naam 'Kuilenburgers' als partijaanduiding een gehate klank kreeg. Alle omliggende gewesten waren in burgeroorlogen (Hoekse en Kabeljauwse twisten) gewikkeld en ook de bisschopskeuze was daarin betrokken.

De bewoners van de stad, die tientallen jaren buiten al deze conflicten waren gebleven, kregen nu de strijd vlak voor de poort en zelfs één moment binnen de muren.De stad, in 1422 door een felle brand geteisterd, ontkwam in 1428 ternauwernood aan een overrompeling. De vijanden van bisschop Zweder, aangevoerd door een andere geestelijke, Jan van Buren, moesten in straatgevechten worden teruggeslagen. Het afgehakte hoofd van de aanvoerder hing men een tijdlang aan de Slotpoort ten toon. En zijn lichaam werd in moten gekapt op de vismarkt en in 't blauwe stukkenschort van de visvrouwen gewikkeld. Vandaar die naam blauwlappen. Maar van de gehoopte bisschopsloopbaan voor Zweder kwam niets. Zijn familie ging zich van hem losmaken, tot geluk van de stad. 't Blijvend resultaat van deze hachelijke periode vormde, behalve de scheldnaam, de beveiliging van het schipperskwartier, de Havendijk.

Met hun blijkbaar erfelijke inzicht in de machtsverhoudingen richtten deheren van Culemborg zich nu steeds meer op de hertogen van Bourgondië,de toekomstige beheersers van de westelijke Nederlanden. Het bracht de stadgeen nadeel: de vijanden der Bourgondiërs lieten haar met rust.De twee dorpen Everdingen en Zijderveld, die met het buurtschapGoilberdingen ook tot de heerlijkheid Kuilenburg behoorden, kwamen er nietaltijd zo goed af.

Aan de veiligheid en de welvaart van de stad dankt Culemborg het feit dateen der eerste Nederlandse boekdrukkers Jan Veldenaer hier in 1483 zijndrukpers opstelde.

GLORIEVOLLE PERIODE

Na twee eeuwen stadsbestaan, in 1518, was de kleine landbouwplaats eenflink handels- en schipperscentrum geworden en ook het bestuursmiddelpuntvan de omgeving.Kerken, kloosters en burgerhuizen werden uitgebreid en verfraaid.

De laatste afstammelinge van het middeleeuwse geslacht, Vrouwe Elisabeth,stond met haar echtgenoot Antoine van Lalaing hoog in de gunst bij deBourgondische en Habsburgse landheren. Lalaing is stadhouder van Holland,Zeeland, West-Friesland en later bovendien nog van Utrecht geweest en werddoor de keizer tot graaf van Hoogstraten verheven.Menigmaal vertoefde het echtpaar te Culemborg. Het verloor de belangen vande stad niet uit het oog.Nog zijn er herinneringen aan deze glorievolle periode zichtbaar. Aan de zorgvoor vreemdelingen, behoeftigen en zieken zoals die werd uitgeoefend in hetPietersgasthuis aan de Achterstraat, werd uitbreiding gegeven, door stichting van een bejaardenhuis met kapel op de Lange Havendijk, door het Convanje in de Everwijnstraat en tenslotte uit de door Vrouwe Elisabeth nagelaten fondsen, ook door de bouw van een weeshuis in de Herenstraat. De Janskerk kreeg een nieuwe toren. Aan de Markt verrees een stadhuis, ontworpen door Rombout Keldermans uit Mechelen, die ook in Hoogstraten en elders nog meer voor de stadhouder heeft gebouwd.

De laatste daad van keizer Karel V jegens Culemborg vlak voor zijn troonsafstand in 1555 was de verheffing tot graafschap. Deze benaming maar meer nog de fraaie monumenten en de fondsen, door de kinderloze Elisabeth voor liefdadige doeleinden bestemd, bewaren nog de nagedachtenis aan deze edele vrouwe.

VRIJSTAD

Na haar dood in 1555 braken andere tijden aan, vol onrust en godsdienstigevervreemding. De nieuwe graaf, Floris van Pallandt, kleinzoon van Elisabethszuster, trad aanvankelijk bloedig tegen de nieuwe leer op. Maar na 1564veranderde hij van overtuiging en schaarde hij zich bij het verbond deredelen.

Bij protestanten kreeg de stad een goede naam toen hij in 1566 op zijn kasteelen later in de Gasthuiskapel protestantse predikers liet voorgaan.Bij rooms-katholieken kreeg de naam een gehate klank in september door deactiviteiten van een kleine groep beeldenstormers, die ook in de stad zelf debeelden braken en dat nog wel met goedkeuring van de graaf. Spoedigmoesten tientallen protestanten de wijk nemen bij de komst van Alva.

De jaren van de Spaanse bezetting brachten weliswaar voor Kuilenburg geen direct geweld maar toch een sterke verarming, door herhaalde watersnood, plundering van het platteland en stilstand van de handel. Onder de bevolking vielen enkele slachtoffers van de godsdienststrijd. Na tien jaar kon de graaf terugkeren.

Het verloop van de tachtigjarige oorlog leidde er toe, dat streng tegen rooms-katholieke geestelijken werd opgetreden, kloosters werden gesloten en alleen protestantse diensten mochten worden gehouden. Dergelijke maatregelen nam de graaf ook te Culemborg.Maar terwijl de overheden in de omgeving deze vrij streng bleven handhaven, trad het bestuur te Kuilenburg spoedig wat meer gematigd op, zeker nadat Floris in 1598 door zijn gelijknamige zoon was opgevolgd. De toelating van katholieke activiteiten werd wel zoveel mogelijk verzwegen en geschiedde twee eeuwen lang nooit zonder extra belastingheffing op dezebevolkingsgroep.

Doch naast deze religieuze veranderingen waren er ook politieke. De graaf trad niet toe tot de nieuwe republiek der zeven verenigde Nederlanden. Culemborg bleef zelfstandig. De staten prentten de graaf in 1590 hardhandig in, dat hij niet het recht had eigen munten te laten slaan. Verder lieten ze echter toe dat Kuilenburg een 'vrijstad' ging vormen in de nederlandse samenleving. Het nogal harde recht, ook in financiële zaken, had wel behoefte aan een veiligheidsklep. Het Bijbelse Israël kende vrijsteden waarheen degene kon vluchten die zonder opzet een medemens had gedood. Zo wilden de Staten der omliggende gewesten Culemborg wel beschouwen, temeer omdat de tweede graaf als Gelders edelman toch volkomen in de staatszaken betrokken was.

Heeft dit de naam van de stad goed gedaan? Rondtrekkende Jezuietenkonden hier een onderkomen vinden en Culemborg als basis gebruiken. Ookdoor de wereldgeestelijken werd hier de rooms-katholieke zielzorg voortgezet.Voor het onderricht aan de jeugd hadden de Katholieken hier meermogelijkheden dan elders.

Toen de stad ruim drie eeuwen oud was, kon men al spreken van twee centravan zielzorg, dat der Wereldgeestelijken in de Nieuwstad, dat der Jezuietenin de Papenhoek in de Oude stad.Maar een dergelijke tolerantie veroorzaakte dat Kuilenburg in protestantsekringen een slechtere naam kreeg. En schuldeisers, die hun schuldenaars naarCulemborg zagen ontkomen, vooral na mislukte speculaties, hebben zeker nietlovend over de stad gesproken.

In het recht van vrijstad hebben de Staten nog eenmaal ingegrepen: in 1664,om duidelijk te maken dat Kuilenburg geen wijkplaats voor trouwlustigeontvoerders mocht worden.Twee Culemborgers hebben in deze periode elders getoond bekwame en energieke bestuurders te zijn: Antonio van Diemen in het verre oosten, Jan van Riebeeck op de zuidpunt van Afrika. Er zouden meer namen zowel voor Indonesië als voor Zuid-Afrika te noemen zijn.

FAILLIETE BOEDEL

De stad bleef handels- en schippersvestiging. Er ontstond enige nijverheid: hetvervaardigen van zijdelint of artistiek zilverwerk.

Ten oosten van de stad werden wandeldreven aangelegd.Maar Kuilenburg werd ook door rampen getroffen: zoals de brand van dezekerk in 1654, de Franse bezetting in 1672, die het kasteel onbewoonbaar maakte.

De grootste ramp vormde echter de heerschappij der Von Waldecks. Reeds graaf Floris II had nogal hoge financiële eisen gesteld. Maar toen na zijn dood in 1639 Culemborg vererfde op de Duitse Von Waldecks, werd dit graafschap helemaal als winstgewest beschouwd.

Eén keer, in 1650, kwamen de onderdanen in verzet. De Waldecks (Koningin Emma, die de ouderen zich herinneren, stamde niet van deze tak af!) behandelden allerlei goederen die voor onderwijs, ziekenzorg of eredienst waren bestemd, als hun particulier bezit. Zelfs instellingen van liefdadigheid werden in het geheim zwaar belast. Toen de laatste vorst in 1692 stierf, zaten zijn vrouw en dochter met een .vrijwel failliete boedel.

De enige positieve erfenis der Waldecks vormde de Lutherse gemeente,voornamelijk bestaande uit het hofpersoneel. Hieraan was de Gasthuiskapelals kerkgebouw toegewezen.Bij stukjes en beetjes werden nu landerijen en rechten verkocht. Het baatte weinig.

De graaf van Saksen-Hildburghausen die Culemborg in 1714 erfde, heeft hetna zes jaar moeten verkopen aan de Staten van het Kwartier van Nijmegen.Die zagen er wel wat in ter afronding van hun Betuwse gebieden. Misschienkon de exploitatie als vrijstad enige winst opleveren.Dat viel geweldig tegen. Toch moest het geld er uit komen. Dus werden deingezetenen nog zwaarder belast. De stad maakte crisisjaren door. Geenrentenier dacht er meer aan, zich hier te vestigen. Alleen door het vrijgeleidekwamen er in de vrijstad nieuwe bewoners. Dat verbeterde de naam vanKuilenburg beslist niet.

Onrendabele projecten werden gesloopt, zoals het oude kasteel, het kloosterin de Nieuwstad, een binnenpoort.

ROND SEMINARIE EN PENSIONAAT

In 1748 deden de Nijmeegse heren het best mogelijke: zij droegen hetgraafschap op aan Stadhouder Willem de Vierde.

Direkt is de Nassause domeinraad de onredelijke belastingen gaan intrekkenom de ontwikkeling van de stad te stimuleren.Kuilenburg herkreeg aantrekkingskracht als woonplaats. De verbinding metTiel werd verbeterd. Een onhandige industrialisatiepoging met eengeweerfabriek mislukte.

Toen het toezicht uit Den Haag verslapte gingen er enkele regentenfamilieselkaar de baantjes toeschuiven.

De intocht der Franse troepen in 1795 maakte aan dit bewind een einde.Nu moest ook de zelfstandigheid als graafschap verdwijnen. Alle gebiedender Oranjes wees men aan omliggende gewesten toe. Kuilenburg werd tot uithoek van de provincie Gelderland.Als bestuurscentrum en vrijstad had het afgedaan. Het mocht niet meerrekenen op enige hulp van een kasteelheer of andere gezagsdrager.

Vlak na het vijfde eeuwfeest zette de wetgever in 1820 het mes in degemeente: Everdingen en Zijderveld moesten bij Zuid-Holland, om waterstaatkundige redenen. Sindsdien heeft de gemeente geen echte kerkdorpen meer binnen haar grenzen. De stad kwam te liggen aan de nieuwe straatweg die Utrecht met Den Bosch verbond.

In 1816 vestigden zich twee leden van de heropgerichte Jezuietenorde in de pastorie aan de Ridderstraat. De ene, pater De Hasque, bouwde spoedig een nieuwe kerk en richtte in 1818 een seminarie op voor priesteropleiding. Na een onderbreking sinds 1825 heropende het zijn poorten in 1841. Daarna werd het uitgebreid tot een groot, streng bouwwerk. Alle wereldgeestelijken van het Utrechtse aartsbisdom ontvingen hier hun eerste opleiding. De andere Jezuiet, de Luxemburger Wolff, verkreeg als prediker en zielzorger een legendarische vermaardheid. Hij stichtte enige zustercongregaties waarvan er één zich ook te Culemborg aan onderwijs, opvoeding en ziekenzorg later ging wijden.

Bij hier opgeleide geestelijken uit het Noorden of huismoeders uit het Zuiden riep de naam Kuilenburg allereerst herinneringen - meestal goede - op aan seminarie of pensionaat Mariakroon; maar met de stad en haar bevolking kwamen ze zelden in aanraking.

Het seminarie werd in 1906 overgenomen door wereldgeestelijken en toen gesteld onder praeses Van Schaik die tot zijn dood in 1927 een groot aanzien in de stad genoot.

STOOT OMHOOG

Culemborg was dus de negentiende eeuw ingegaan zonder de vroegere bescherming van hogerhand maar gelukkig ook zonder extra belastingen. Nu overstromingen steeds minder voorkwamen, begon het de boeren beter te gaan. De ligging aan de straatweg en rivier was niet ongunstig. Toch kon Kuilenburg zich niet ontplooien als markt- en midden-standscentrum. Utrecht lag immers te dichtbij.

Industrialisering dan? Die hing af van persoonlijke initiatieven. Er was ruimte genoeg voor fabriek en arbeiderswoningen binnen de grachten: gedeelten van Nieuwstad en Havendijk waren nog onbebouwd. En door de sloop kwam terrein vrij: de oude parochiekerk van de Nieuwstad verdween en daarna kwamen delen van de stadsmuur en tenslotte de nauwe poorten aan de beurt.

Allerlei bedrijfjes ontstonden in de oude binnenstad en op de Havendijk. Aan de Lek kwam een jeneverstokerij. Luthersen en Oud-Katholieken verbouwden hun kerken. De recreatie kreeg aandacht door de wijziging van het terrein ten oosten van de Wandeldreven in een park, de 'Plantage'. De bevolking nam wel toe, maar traag.

Een duidelijke stoot omhoog bracht de spoorlijn. De naam Kuilenburg is vaak in 's lands vergaderzaal genoemd. Was het wenselijk, hierlangs een lijn Utrecht-Den Bosch te leggen? Was het mogelijk hier een spoorbrug te bouwen?

De regering dacht van niet. Het wetsvoorstel is echter gewijzigd in voor Culemborg gunstige zin. De oud-minister van buitenlandse zaken, de Geldersman Von Goltstein, haalde voor zijn amendement een meerderheid van zes stemmen.

De bouw van de brug, toen een technisch vraagstuk, trok veel bekijks en maakte helaas ook zeven slachtoffers. In de lente van 1868 was ze gereed; de spoorlijn kwam op 1 november in gebruik. Wel lag het station ver buiten de stad en sneed de hoge spoordijk de gemeente middendoor, maar toch kon Kuilenburg nu sneller gaan groeien.

Sigarenindustrie en later meubelfabricage gaven de stadsnaam nieuwe bekendheid. De eerste woningbouw buiten de grachten begon, de fabrieken bleven helaas nog daar binnen.

De trek naar de stad duurde bijna een halve eeuw. Er verrijzen een synagoge, een grotere rooms-katholieke kerk, enkele gereformeerde kerken. Scholen worden uitgebreid, er komen ziekenhuizen. Particulier initiatief bouwt een gasfabriek. Men krijgt electriciteit en waterleiding.

Met de industrie komen andere sociale spanningen. Politiek is dat te merken in de gemeenteraad, nu in deze jaren van democratisering de bevolking veel meer bij het bestuur wordt betrokken. Maar de industrieën zijn zeer kwetsbaar. De eerste wereldoorlog brengt de klad in de sigarenindustrie. De groei stokt ineens, tientallen jaren: de drempel van 10.000 ingezetenen schijnt te hoog. Te eenzijdig was de werkgelegenheid.

Het vervoer te water liep terug, de stoomtram naar Tiel kon het niet volhouden, het rijkswegenplan ging de stad op kilometers afstand voorbij: er kwam geen verkeersbrug over de Lek.

De crisisjaren troffen de Kuilenburger nog harder. De stad degradeerde. Vroeger verwarde een buitenstaander haar nog wel eens met Tiel of Gorkum, nu met Bommel of Vianen: oud aandoende stadjes met geringe mogelijkheden. Fabrieken kwamen leeg te staan.

In 1936 verdween het Seminarie naar Apeldoorn. De werkloosheid betrof zeer gespecialiseerde vaklieden in sigaren- en meubelindustrie. Met uiterst beperkte middelen slaagde het gemeentebestuur er in de singels een fraai aanzien te geven en de woningbouw op gang te houden.

STREEKCENTRUM

Even voor de tweede wereldoorlog begon het industriële klimaat te veranderen. Er kwamen andere bedrijven: metaalindustrie, nieuwe vormen van meubelfabricage. De sigarenfabrieken heroverden hun positie niet meer. Er kwam meer zorg voor het stedeschoon: men bereidde restauraties voor van Binnenpoort en Stadhuis.

In mei 1940 ontkwam Culemborg nauwelijks aan een beschieting en moesten de inwoners op 14 mei de vijand tegemoet vluchten naar het oude moederdorp Beusichem. Maar de stad en zelfs de spoorbrug bleven behouden en ook in de vijf volgende oorlogsjaren liep de stad weinig oorlogsschade op.

Maar voorgoed moest Kuilenburg een zestigtal ingezetenen missen: de Joodse bevolkingsgroep bijna geheel, anderen slachtoffer van hun verzetswerk, van hun politieke overtuiging of van hun tewerkstelling.

De groei van de stad is hervat. Taken op onderwijsgebied zijn herwonnen als streekcentrum voor voortgezet onderwijs en beroepsopleiding. Vestiging van industrie is door het gemeentebestuur aangemoedigd, 't Middeleeuwse Culemborg vormde een goed aangelegde kasteelstad. Bewuste aanleg bleek thans opnieuw noodzakelijk: industrie achter de spoorlijn, woonwijken bij het station en ten zuidoosten van de stad.

De oppervlakte van de bebouwing is met sprongen vergroot en vereiste wijziging van de gemeentegrens met Beusichem. Want Kuilenburg heeft er een functie bij gekregen als forensenplaats. Het dankt dit voornamelijk aan de treinverbinding. Men hoeft maar naar andere Lekstadjes te zien om vast te stellen: zonder spoorbrug had Culemborg de aansluiting gemist, ook de aansluiting op de tegenwoordige mogelijkheden. Terecht zullen voortaan de herdenking van stadsrecht en spoorbrugbouw samenvallen.

EEN GOEDE NAAM ?

Wie het stadswapen kent met de drie geïsoleerde zuiltjes die niets samen dragen, denkt misschien aan het moderne woord "verzuiling": uiteenvallen in belangengroepen, godsdienstige, maatschappelijke en politieke. Een dergelijke verzuiling heeft Kuilenburg herhaaldelijk gekend: geen samenhang, geen wederzijds begrip. In de huidige situatie ligt volop de mogelijkheid om een zodanig verzuilde stad te worden dat door onderling wantrouwen geen initiatief van de grond kan komen.

Maar de ruimte waar we hier zijn, getuigt dat als het moet, er wel samengewerkt kan worden - zoals voor deze kerkrestauratie. Ook het feestelijk vieren van een gedenkjaar kan gemeenschappelijk verantwoordelijkheidsbesef wekken en de naam van de stad - zoals dat tegenwoordig heet, de 'image' - verbeteren.

'Een goede naam gaat de fijnste olie te boven!'

Als de verbetering van de naam, die Culemborg in ons land heeft, het resultaat is van de maanden die we tegemoet gaan, hoeft aan de toekomst van deze stad niet gewanhoopt te worden.